SRU-K1-2011-8

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-090570
  • Uitspraakdatum 28 juni 2011
  • Publicatiedatum 10 juni 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Voorafgaande opzegging conform art. 1615e SBW van een voortgezette dienstbetrekking (ex art. 1615f SBW) is alleen dan vereist, indien de werkgever eerder wil opzeggen c.q. tussentijds wil beëindigen. Is hier geen sprake van, dan is noch een opzegging, noch een ontslagvergunning vereist. De kennisgeving dat het contract niet verlengd zal worden moet niet gezien worden als een opzegging, maar een herinnering.
    (art. 1615e, art. 1615f SBW, art. 3 lid 1 sub b Wet Ontslagvergunning)
    SJB 2011/3

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 090570
28 juni 2011
D.G.W.K.

VONNIS inzake

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

DE CENTRALE BANK VAN SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat.

De kantonrechter-plaatsvervanger spreekt in naam van de Republiek het volgende vonnis uit:

1. Het verloop van het geding
1.1  Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift dat op 5 februari 2009 ter griffie der kantongerechten is ingediend, waaraan gevoegd enkele producties;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
– Ingaande 2 mei 2005 is eiser als technisch medewerker in tijdelijke dienst genomen door gedaagde voor de duur van 1 jaar;
– Ingaande 2 mei 2006 is de dienstbetrekking met 1 jaar verlengd;
– Bij schrijven d.d. 14 mei 2007 is de dienstbetrekking met zes maanden verlengd, eindigende op 31 oktober 2007;
– Bij schrijven d.d. 19 oktober 2007 is de dienstbetrekking met zes maanden verlengd, eindigende op 30 april 2008;
– Bij schrijven d.d. 13 juni 2008 is de dienstbetrekking per ingaande 1 mei 2008 verlengd en eindigende op 31 december 2008.

3. De vordering, grondslag van de vordering en het verweer

3.1 De vordering strekt primair tot:

  • voor recht verklaren dat het besluit van gedaagde om eiser te ontslaan c.q. het ontslag nietig is;
  • gedaagde te veroordelen het salaris plus alle emolumenten vanaf 1 januari 2009 aan eiser te betalen;
  • gedaagde te veroordelen eiser in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid normaal te verrichten;
  • gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom ad. SRD. 10.000,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke is te voldoen aan het gevorderde onder b en c;

Subsidiair:

  • Voor recht te verklaren dat het aan eiser verleende ontslag kennelijk onredelijk is.
  • Gedaagde te bevelen om eiser te herstellen in zijn dienstbetrekking dan wel aan   hem tegen kwijting en vermeerderd met de wettelijke rente te betalen een door de kantonrechter vast te stellen schadeloosstelling.

Mede is gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten gronde dat het aan hem bij schrijven d.d. 13 juni 2008, 2 augustus 2008 en 19 november 2008 aangezegd ontslag per 1 januari 2009 kennelijk onredelijk is. Aangezien  hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had, was voorafgaande opzegging vereist. Derhalve kon de beëindiging van de dienstbetrekking niet op de door gedaagde gepleegde wijze plaatsvinden.

3.3 Gedaagde voert aan dat het om een overeenkomst voor bepaalde tijd ging die dat ook na de verlengingen steeds gebleven is. Ingevolge artikel 1615 e lid 1 BW jo. artikel 3 lid 1 sub b Wet Ontslagvergunning is deze arbeidsovereenkomst met het verstrijken van de overeengekomen termijn van rechtswege geëindigd. Er is geen sprake van ontslagverlening.

4. De beoordeling
Aan de orde is de vraag of de arbeidsovereenkomst d.d. 19 oktober 2007 (hierna te noemen: oorspronkelijke overeenkomst) na het verstrijken van de termijn van zes maanden stilzwijgend is voortgezet.

4.1 Vaststaat dat genoemde overeenkomst voor de duur van 6 maanden was aangegaan en bij het verstrijken op 30 april 2008 niet onmiddellijk en aansluitende uitdrukkelijk is verlengd. Naar de inhoud van het schrijven van 19 oktober 2007 is medegedeeld dat hij wederom voor bepaalde tijd gehandhaafd zal worden in dezelfde functie, houdt de kantonrechter het ervoor dat de gang van zaken één was waarbij de feitelijke voortzetting van de bedongen arbeid ook na de einddatum plaatshad en dat partijen ongewijzigde voortzetting van de oorspronkelijke overeenkomst wensten. Op grond van artikel 1615f lid 1 Burgerlijk Wetboek wordt onderhavige overeenkomst in beginsel  dan ook geacht te zijn voortgezet voor dezelfde duur als de oorspronkelijke.

4.2 Nu, de oorspronkelijke overeenkomst was aangegaan voor de duur van zes maanden, is die tijd beslissend voor de duur van de voortgezette overeenkomst. Uitgaande van de aanvangsdatum van 1 mei 2008, verliep de voortgezette overeenkomst op 30 oktober 2008 echter, staat het partijen vrij deze termijn te verruimen en is in deze zoals uit de overeenkomst blijkt de einddatum gesteld op 31 december 2008. Hierna is eiser bij schrijven d.d. 6 augustus 2008 en 19 november 2008 medegedeeld dat de overeenkomst na expiratie niet verlengd zal worden. Het feit dat gedaagde herhaaldelijk bij genoemd schrijven uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven de arbeidsovereenkomst met eiser niet te zullen voortzetten na het verstrijken van de overeengekomen termijn moet gezien worden als een herinnering en is geen tussentijdse beëindiging.

4.3 Alleen wanneer gedaagde de overeenkomst eerder wilde opzeggen dan was conform art. 1615e lid 2 sub 3 Burgerlijk Wetboek een voorafgaande opzegging vereist, daar deze omstandigheid zich in deze niet voordeed was geen voorafgaande opzegging zijdens gedaagde vereist. Dit brengt met zich dat voor beëindiging van die overeenkomst ook geen opzegging of ontslagvergunning vereist is. Gelet op het voren overwogene staat in rechte vast dat gedaagde de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd zonder dat er sprake is van een handelen in strijd met de wettelijke bepalingen, derhalve is de grond aan eiser zijn vorderingen komen weg te vallen en zullen deze afgewezen moeten worden. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij verwezen worden in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter;

5.1 Wijst de vorderingen af.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton te Paramaribo, mr.D.G.W. Karamat Ali en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 28 juni 2011, door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton te Paramaribo, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. G.R. Mangal.

w.g. G.R. Mangal w.g. D.G.W. Karamat Ali w.g I.S. Chhangur-Lachitjaran