SRU-K1-2014-5

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-124929
  • Uitspraakdatum 16 oktober 2014
  • Publicatiedatum 24 september 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Een actie uit onrechtmatige daad tegen een rechterlijke uitspraak is slechts mogelijk als fundamentele rechtsbeginselen dusdanig zijn veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken en tegen die beslissing geen rechtsmiddel open staat of heeft open gestaan.
    Het Surinaams rechtssysteem kent een gesloten stelsel van rechtsmiddelen, hetgeen met zich meebrengt dat een rechterlijke uitspraak op geen andere wijze kan worden aangetast dan door het instellen van een door de wet opengesteld rechtsmiddel.
    Het is onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, dat een in het ongelijk gestelde partij de gelegenheid zou hebben een vordering, op basis van onrechtmatige daad, in te dienen om de juistheid van een rechterlijke beslissing tot onderwerp van een nieuw geding te maken en door de kantonrechter in eerste aanleg te doen toetsen.
    Een vordering uit hoofde van dienstweigering door een kantonrechter, dient middels een verzoekschrift aanhangig te worden gemaakt bij het Hof van Justitie. De kantonrechter acht zich derhalve onbevoegd kennis te nemen van het deel van de vordering betreffende dienstweigering.

    SJB

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. 12-4929
16 oktober 2014

Vonnis inzake:

[eiser],
wonende te [district], eiser,
procederend in persoon, hierna te noemen eiser,

tegen

A) [gedaagde A], kantonrechter lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo,

B) DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon, kantoorhoudende te Paramaribo, gedaagden,
hierna respectievelijk te noemen gedaagden A en B,
gemachtigde van gedaagde A: mr. H.R. Lim A Po jr., advocaat,
gemachtigde van gedaagde B: mr. P. Campagne.

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 06 december 2012 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de brief d.d. 22 februari 2013 zijdens gedaagde A;
– de door gedaagde sub B overgelegde machtiging d.d. 22 februari 2013;
– het proces-verbaal gedateerd 27 februari 2013;
– de brief d.d. 4 maart 2013 zijdens eiser;
– de brief d.d. 13 maart 2013 afkomstig van mr. H.R. Lim A Po Jr.;
– het proces-verbaal gedateerd 14 maart 2013;
– de door gedaagde sub B overgelegde machtiging d.d. 14 maart 2013;
– de brief d.d. 3 april 2013 afkomstig van de gemachtigde van gedaagde sub A;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde A;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde B;
– de brief d.d. 10 juli 2013 zijdens eiser;
– de conclusie van repliek;
– de brief d.d. 14 augustus 2013 zijdens eiser;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde B;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde A;
– de op 25 juni 2014 gegeven rolbeschikking;
– overlegging gefourmeerd dossier zijdens eiser;
– conclusies tot uitlating zijdens gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 23 oktober 2014, doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten
2.1 Bij verzoekschrift ingediend ter griffie op 30 mei 2012, heeft eiser een vordering aanhangig gemaakt bij het kantongerecht in het eerste kanton tegen de persoon van Cynthia Valstein-Montnor (hierna Valstein), in haar hoedanigheid van waarnemend president van het Hof van Justitie van Suriname.
Deze vordering staat bekend onder AR no. 122140 (hierna te noemen zaak 122140) en was in behandeling bij gedaagde A, in zijn hoedanigheid van Kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton.

2.2 Gedaagde sub A heeft bij beschikking d.d. 14 juni 2012 bepaald dat zaak 122140 zal dienen ter openbare terechtzitting in het eerste kanton op 6 augustus 2012.

2.3 Bij exploiten van deurwaarder M. Sitaram, gedateerd 2 augustus 2012 no. 1071 en no. 1072 heeft eiser in zaak 122140 respectievelijk doen oproepen:
– de Staat Suriname met name het Ministerie van Justitie en Politie en
– Valstein in privé en in haar hoedanigheid van waarnemend president van het Hof van Justitie van Suriname.

2.4 In zaak 122140, heeft gedaagde A vonnis gewezen op de terechtzitting van 1 oktober 2012, waarbij de exploten van de deurwaarder M. Sitaram met de nummers 1071 en 1072 gedateerd 02 augustus 2012 nietig zijn verklaard.
Gedaagde sub A heeft daartoe het volgende overwogen in overweging 3.5 en 3.6 van het vonnis in zaak 122140:
“3.5. De kantonrechter neemt waar dat er rechtsingang is verleend en dientengevolge bij beschikking bevel is gegeven aan de deurwaarder om op te roepen de gedaagde Cynthia Valstein-Montnor, in de hoedanigheid van waarnemend President van het Hof van Justitie van Suriname. De kantonrechter neemt tevens waar dat voor deze zaak bekend onder AR no. 122140 c.q. andere personen in rechte zijn opgeroepen. Bij deurwaardersexploot zijn eveneens als gedaagden opgeroepen, de Staat Suriname met name het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon en Valstein-Montnor (in persoon) terwijl de beschikking ter zake rechtsingang voornoemden niet regardeerde. Deze handelswijze is strijdig met het artikel 115 Rv welk artikel voorschrijft dat alle oproepingen, aanzeggingen, betekeningen en in het algemeen alle exploten, welke voor de geregelde gang van de zaak nodig zijn en aan het eindvonnis voorafgaan, geschieden door tussenkomst en op last van de kantonrechter.
3.6 Deze exploten van oproeping zouden op die grond nietig verklaard kunnen worden nu er personen zij opgeroepen zonder de voorgeschreven tussenkomst van de rechter. Echter het uitgangspunt in rechte is dat zelf als de mogelijke nietigheid van een exploit uitdrukkelijk is voorgeschreven, deze niet tot nietigheid hoeft te leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt. Het eigenlijke doel van het oproepingsexploit is de tegenpartij te laten verschijnen op de terechtzitting. Nu tevens niet is gebleken dat de gedaagden in persoon dan wel bij gemachtigde zijn verschenen kan niet worden gesteld dat een eventuele nietigheid is gedekt en rest niets anders dan de exploiten in rechte nietig te verklaren.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert – kort weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Te verklaren dat gedaagde A onzorgvuldig tot zijn oordeel is gekomen in de zaak bekend onder AR no. 122140, en in strijd heeft gehandeld met zijn eigen rechtsplicht en daardoor fundamentele rechtsbeginselen          geschonden zijn in de voorbereiding van zijn beslissing, waardoor niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak en dat eiser daarbij aanzienlijke schade heeft geleden en deze nog steeds lijdt welke schade bewijsbaar is;
II. te verklaren de schendingen door gedaagde A van onder andere artikelen 13, 14 en 16 van de Wet houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving;
III. te verklaren de persoonlijke (naast de Staat) aansprakelijkheid van gedaagde A op grond van de artikelen 1386; 1387 en 1388 wegens het bewust onjuist interpreteren van de artikelen 110 tot en met 121 Rv in de    procedure die bekend staat als A.R.. 12-2140;
IV. te verklaren dat gedaagde A als orgaan van Staat willens en wetens de onrechtmatige daad heeft gepleegd, welke tevens als onrechtmatige daad van de Staat dient te worden gekwalificeerd;
V. te verklaren dat eiser tevens een met succes in te stellen vordering van rechtsweigering kan instellen op grond van de onrechtmatige rechterlijke beslissing van gedaagde A, daar rechtsweigering soortgelijke                  rechtsgevolgen met zich meebrengt als een afwijzende rechterlijke uitspraak of beslissing;
VI. te verklaren dat gedaagden A en B aansprakelijk zijn voor de onrechtmatige rechtspraak welke door gedaagde A is gewezen op 01 oktober 2012 in voornoemde procedure;
VII. te verklaren dat gedaagde B aansprakelijk is voor de schadeveroorzakende onjuiste rechterlijke beslissingen en rechterlijke bedrijfsfouten c.q. beroepsfouten van de onder haar functionerende ambtenaren en            dien ten gevolge schadeplichtig is jegens eiser;
VIII. te verklaren dat is komen vast te staan dat het vonnis gewezen door gedaagde A op 01 oktober 2012 inzake voornoemde procedure doorspekt is van partijdigheid en onbetamelijke rancune en evident onjuist is en  niet in stand kan worden gehouden;
IX. te verklaren dat het voornoemd vonnis welke gewezen is door gedaagde A nietig is en vervallen wordt verklaard;
X. te verklaren dat door de thans vaststaande onrechtmatige rechtspraak gedaagde A het vertrouwen in de rechterlijke macht ernstig heeft geschonden;
XI. te verklaren dat door de thans vaststaande onrechtmatige rechtspraak gedaagde A de rechtsstaat ernstig heeft ondermijnd;
XII. gegrond te verklaren de schending van de artikelen 1, 2, 8, 24 en 25 van de OAS en de artikelen 2, 14 en 26 van IVPBR;
XIII. gedaagden te veroordelen tot onverwijlde betaling, althans betaling binnen 30 dagen na de uitspraak, aan eiser, voor de veroorzaakte schade bij eiser, nader bij staat op te maken;
XIV. te verklaren dat opnieuw vonnis in eerste aanleg moet worden gewezen inzake de procedure die bekend staat onder A.R. 12-2140 door een door het Hof van Justitie aan te wijzen onpartijdige rechter teneinde het geschonden imago van de rechterlijke macht door gedaagde A enigszins te corrigeren; dit in het belang van rechtszekerheid voor rechtszoekende burgers van Suriname;

3.2 Eiser heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.

Gedaagde A is in de procedure die bekend staat als A.R. 12-2140, zonder deze (afdoende) te motiveren geheel voorbij gegaan aan alle door eiser aangevoerde stellingen en argumenten, waardoor gedaagde A onzorgvuldig tot zijn oordeel is gekomen en in strijd heeft gehandeld met zijn eigen rechtsplicht. Er kan hierdoor niet meer gesproken worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Eiser heeft hierdoor aanzienlijke schade geleden en lijdt deze nog steeds. Het vonnis van gedaagde A is aldus onrechtmatig indien het orgaan van de Staat, waaronder leden van de rechterlijke macht worden begrepen – i.c. gedaagde A – een onrechtmatige daad heeft gepleegd geldt deze als een onrechtmatige daad van de Staat, gedaagde B dus. Zowel gedaagde A als gedaagde B zijn aansprakelijk voor de door eiser geleden schade.

3.3 Gedaagden A en B hebben verweer gevoerd. Op hetgeen zij hebben aangevoerd komt de kantonrechter, indien nodig, terug.

4. De beoordeling
4.1 Eiser betwist bij conclusie van repliek de aan mr. Campagne door gedaagde sub B verstrekte machtiging. Hij stelt daartoe dat de machtiging aan Campagne is verstrekt om op te treden in de zaak [eiser] contra de Staat Suriname bekend onder AR no. 124929. Deze machtiging betreft niet de vordering tussen hem, eiser ([eiser]) en de Staat Suriname, aldus eiser. Volgens eiser moeten er consequenties verbonden worden jegens gedaagde sub B.

Deze stelling van eiser zal worden verworpen. Uit de door gedaagde sub B genomen conclusies, blijkt zonder enige twijfel dat de machtiging bedoeld is om te procederen in de zaak bekend onder AR no. 124929 tussen [eiser] tegen de Staat. Het geconstateerde verschil in de voorletters van eiser’s naam kan dan ook worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving.

Bovendien heeft mr. Campagne ter terechtzitting van 4 april 2013 een nieuwe volmacht gedateerd 14 maart 2013 overgelegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om te procederen in de zaak tussen eiser en gedaagde sub B. Ook hiermee is een eventueel misverstand weggemaakt.

4.2 In het onderhavig geval is aan de orde de vraag of gedaagde sub A zich al dan niet onrechtmatig heeft gedragen jegens eiser bij de totstandkoming van het vonnis in zaak 122140, en als de uitspraak al dan niet juist is.

Ingevolge artikel 1386 van het Burgerlijk Wetboek is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

Naar het oordeel van de kantonrechter is een actie uit onrechtmatige daad tegen een rechterlijke uitspraak slechts mogelijk als zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken en tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan. De kantonrechter verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad te weten HR 08 januari 1993, NJ 1993, 558.

In zaak 122140 heeft gedaagde sub A de exploten van oproeping nietig verklaard. De kantonrechter overweegt dat er in ons rechtssysteem een gesloten stelsel van rechtsmiddelen is neergelegd, hetgeen meebrengt dat een rechterlijk vonnis op geen andere wijze kan worden aangetast dan door het instellen van een door de wet opengesteld rechtsmiddel. Ook klachten die inhouden dat de rechter geen acht zou hebben geslagen op bepaalde processtukken of zijn uitspraak onvoldoende zou hebben gemotiveerd, kunnen alleen aan de orde worden gesteld door het instellen van een rechtsmiddel. Daarnaast acht de kantonrechter het in deze onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat de in het ongelijk gestelde partij, de gelegenheid zou hebben langs de weg van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering de juistheid van de beslissing van gedaagde A tot onderwerp van een nieuw geding te maken en door de kantonrechter in eerste aanleg te doen toetsen.

De Hoge Raad hanteert tot op dit moment de strakke regel dat de Staat terzake van onrechtmatige rechtspleging uit hoofde van onrechtmatige daad slechts aansprakelijk kan worden gehouden, indien bij de zaak zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke, onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Zie HR 26 februari 1988, NJ 1989, 2; Franklin/Nederlandse Antillen; H.R. 29 april 1994, NJ 1995, 727; S/Staat der Nederlanden). De kantonrechter neemt deze overweging van de Hoge Raad over en maakt die tot de hare.

4.3 Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat er tegen het door gedaagde A gewezen vonnis d.d. 01 oktober 2012 onder A.R. 12-2140 geen rechtsmiddelen meer openstaan. Het is naar het oordeel van de kantonrechter dus onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat eiser de gelegenheid zou hebben langs de weg van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering de juistheid van de beslissing van gedaagde A tot onderwerp van een nieuw geding te maken en door de kantonrechter in eerste aanleg te doen toetsen.

De (formele eind) uitspraak van gedaagde sub A in zaak 122140 brengt met zich dat eiser via de administratie een nieuwe rechtsdag dient aan te vragen voor de behandeling van genoemde zaak.

Het was niet aan gedaagde sub A gelegen om direct na de gewraakte uitspraak een nieuwe rechtsdag te bepalen. Het bepalen van een nieuwe rechtsdag in een zaak is afhankelijk van het verzoek van de eiser daartoe via de administratie. Gedaagde sub A kan daarom niet verweten worden dat hij heeft nagelaten een nieuwe rechtsdag te bepalen na de nietigverklaring van het exploot. De stelling van eiser ter zake dient derhalve te worden verworpen.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang gezien en gelezen, dient de vordering van eiser tegen gedaagden integraal te worden afgewezen.

4.4 Naar de kantonrechter begrijpt beroept eiser zich er tevens op dat gedaagde sub A zich heeft schuldig gemaakt aan rechtsweigering.

Ingevolge artikel 728 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) dient de rechtsvordering uit hoofde van rechtsweigering tegen een kantonrechter of tegen de voorzitter of een lid van het Hof van Justitie in eerste en hoogste ressort te worden gebracht voor het Hof van Justitie. Deze vordering wordt aanhangig gemaakt door indiening van een verzoekschrift aan het Hof van Justitie.

De kantonrechter acht zich dan ook onbevoegd om kennis te nemen van dat deel van de vordering dat betrekking heeft op rechtsweigering.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het deel van eiser’s vordering dat betrekking heeft op rechtsweigering.

5.2 Wijst de vordering voor het overige af.

Aldus gewezen door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr I.S. Chhangur-Lachitjaran, en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op donderdag 16 oktober 2014 door de kantonrechter mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal   w.g.I.S.Chhangur-Lachitjaran
w.g. A. Charan