SRU-K1-2014-7

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-134785
  • Uitspraakdatum 18 december 2014
  • Publicatiedatum 04 juli 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Ingevolge artikel 10 van het rijbesluit 1957 zal de bestuurder die een splitsing, kruising of een samenkomst van wegen nadert, in de eerste plaats bijzondere voorzorgen treffen ter vermijding van ongelukken, ook wanneer hij recht van voorrang heeft. Als blijkt dat de bestuurder medeschuldig is aan het veroorzaken van een aanrijding dan dient de mate van aansprakelijkheid van beide partijen te worden onderzocht. (artikel 10 Rijbesluit, artikel 1386 BW)
    SJB

Uitspraak

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 13-4785
18 december 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van:

FIRM ENGINEERING N.V.,
rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

[gedaagde]
wonende te [district], gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. L.T. Patterson, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
het verzoekschrift met producties dat op 04 november 2013 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
de schriftelijke conclusie van antwoord, met producties;
de schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, met producties;
de schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties;

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 06 juli 2013 omstreeks 22.25 uur vond een aanrijding plaats,waarbij partijen betrokken waren.

2.2 Kort voor het ongeval reed gedaagde over de [straat 1], komende vanuit de richting van de [straat 2] en gaande in die van de [straat 3].
De bestuurder van het voertuig van eiseres, zijnde de werknemer van eiseres en die [naam] is geheten, reed over de zuidelijke rijbaan van de [straat 3] en wel op de linker rijhelft, komende vanuit de richting van de [straat 4] en gaande in die van de [straat 5].

2.3 Het verkeer over de [straat 3] geniet voorrang.

2.4 Gekomen op de kruising gevormd door de [straat 3] en de [straat 1], verzuimde gedaagde voorrang te verlenen aan het verkeer over de [straat 3], in deze de bestuurder [naam], met als gevolg de aanrijding.

2.5 Door de botsing verloor de bestuurder [naam] de controle over het stuur en botste hij op tegen de betonnen versteviging van de mast van de verkeerslichteninstallatie.

2.6 Op de dag van de aanrijding waren de verkeerslichten op de kruising van de [straat 3] en de [straat 1] buiten werking.

2.7 De politie heeft gedaagde als veroorzaker van de aanrijding aangemerkt.

2.8 Het voertuig van gedaagde, zijnde een Toyota Cresta, bouwjaar 1996 en kenteken [nummer 1] was ten tijde van het ongeval niet verzekerd conform de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen.

2.9 Het voertuig van eiseres, zijnde een Isuzu D -MAX, bouwjaar 2007 en kenteken [nummer 2] is na inspectie door de verzekeraar van eiseres ’’total loss” verklaard.

3. De vordering. de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De vordering
Eiseres heeft gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagde te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te voldoen het bedrag van SRD 43.000,- als voorschot op het door haar van gedaagde te vorderen schadebedrag wegens onrechtmatige daad, vermeerderd, met de wettelijke rente;
II. gedaagde te veroordelen tot vergoeding aan haar van de schade bestaande uit de incassokosten berekend op 15% van het schadebedrag voor een bedrag ad SRD 6.468, 84;
III. gedaagde te veroordelen in de proceskosten, door de kantonrechter vast te stellen.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft naast voormelde vaststaande feiten, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde, ondanks aanmaningen, weigert om het schadebedrag aan haar te betalen. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiseres en is zij daardoor aansprakelijk voor de schade die door haar is veroorzaakt. Eiseres heeft ter zake de incasso van haar schade kosten moeten maken, waaronder advocaat -en deurwaarderskosten. Gedaagde is gehouden om die te vergoeden.

3.3 Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover nodig,terug komt bij de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres is in voldoende mate aannemelijk geworden.

4.2 De vordering van eiseres betreft een geldvordering. Met betrekking tot een veroordeling tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Voor toewijzing van dergelijke vorderingen in kort geding is slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist. Bij de afweging van de belangen van partijen moet mede worden betrokken het restitutierisico.

4.3 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat zij niet de veroorzaker is van de aanrijding. Volgens gedaagde is de aanrijding aan het gevaarzettend rijgedrag van de bestuurder [naam] te· wijten, daar hij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een snelheid van circa 90 of 100 km per uur moet hebben gereden bij het naderen van de samenkomst van wegen (kruising) gevormd door de [straat 3] en de [straat 1], in ieder geval boven de toegestane maximumsnelheid op bedoelde kruising. Volgens gedaagde heeft zij voorgesorteerd in het vak voor het recht-doorgaand verkeer gaande over de [straat 1] naar de [straat 6], waarbij op hetzelfde tijdstip naast haar een lijnbus in het voorsorteervak voor het naar rechtsafslaand verkeer richting de [straat 3] gesorteerd was. Gedaagde had daardoor gedeeltelijk zicht op het van rechtskomend verkeer, doch mocht erop vertrouwen dat toen de bestuurder van de lijnbus, die volledig zicht had op het van rechtskomend verkeer, zijn lijnbus optrok teneinde rechtsaf te slaan naar de [straat 3], het in voldoende mate voor gedaagde veilig was om eveneens op te trekken, teneinde de oversteek van de kruising te doen.

Gedaagde heeft verder aangevoerd dat de bestuurder [naam] vanuit een afstand zou kunnen hebben gezien dat de verkeerslichten niet werkten, althans gele knipperlichten vertoonden en dat van hem kon worden verwacht de nodige voorzichtigheid in acht te nemen. Ook heeft hij op geen enkel moment zijn snelheid aangepast aan de gewijzigde verkeerssituatie

4.4 Uit de weren van gedaagde, zoals onder 4.3 is weergegeven, begrijpt de kantonrechter dat gedaagde ontkent schuld te hebben aan de aanrijding. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit de stellingen en weren van partijen voldoende aannemelijk geworden dat gedaagde schuld heeft aan de aanrijding. Dit blijkt met name uit de omstandigheid dat gedaagde geen voorrang heeft verleend aan het verkeer over de [straat 3]. De schuld van gedaagde is eveneens gegeven, gelet op de stelling van gedaagde dat doordat de lijnbus naast haar is komen sorteren, zij gedeeltelijk zicht had op het verkeer rijdend over de [straat 3]. Ondanks het feit dat gedaagde geen volledig zicht had op het verkeer, heeft zij ervoor gekozen om de kruising op te rijden, met alle gevolgen van dien. Voorbij wordt gegaan aan de stelling van gedaagde dat de manoeuvre die door haar is uitgevoerd, met name het gelijktijdig optrekken met de lijnbus een in de praktijk veelvuldig toegepaste maatregel is, daar dit niet op de wet is gestoeld. Naar het oordeel van de kantonrechterkan gedaagde met het voorgaande haar onschuld niet aantonen. Van gedaagde wordt immers als verkeersdeelnemer verwacht dat zij zich zelf ervan diende te vergewissen dat het verkeer over de [straat 3] vrij was, waardoor zij kon optrekken. Gedaagde is afgegaan op een kennelijk verkeerde waarneming van de bestuurder van de lijnbus met alle gevolgen van dien.

4.5 Ingevolge artikel 10 van het Rijbesluit 1957 zal de bestuurder die een splitsing, een kruising of een samenkomst van wegen nadert, in de eerste plaats bijzondere voorzorgen treffen ter vermijding van ongelukken, ook wanneer hij recht van voorrang heeft.

Uit de omstandigheid dat door de botsing de bestuurder [naam] de controle over het stuur heeft verloren en hij tegen de betonnen versteviging van de mast van de verkeerslichteninstallatie is opgebotst alsmede uit de omstandigheid dat het door [naam] bestuurd voertuig ”total loss” is verklaard, is het voor de kantonrechter in voldoende mate aannemelijk geworden dat de bestuurder [naam] met een snelheid boven de toegestane maximumsnelheid de kruising is opgereden. Ook is aannemelijk geworden dat de bestuurder [naam] geen gevolg heeft gegeven aan wat van hem, gegeven de omstandigheden ter plaatse, ingevolge artikel 10 van het Rijbesluit 1957 werd verwacht. Hiermee is de medeschuld van de bestuurder [naam] dan ook in beginsel gegeven.

4.6 Nu gebleken is dat de bestuurder [naam] medeschuldig is aan het veroorzaken van de aanrijding, dient in casu te worden onderzocht de mate van aansprake1ijkheid van beide partijen. Dit hangt af van de mate waarin de aan gedaagde en aan de bestuurder [naam] toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Nu in casu niet is komen vast te staan met welke snelheid de bestuurder [naam] op die bewuste avond heeft gereden, kan de mate van zijn aansprakelijkheid niet worden berekend. Hiertoe is nader onderzoek vereist door de ter zake deskundige van de verkeersdienst van het Korps Politie Suriname. De aard van het kort geding verzet zich echter tegen een deskundigen derzoek in casu.

4.7 Uit al het voorgaande, komt de kantonrechter tot de slotsom dat eiseres de grondslag van de vordering niet voldoende aannemelijk heeft kunnen maken, waardoor de gevraagde voorzieningen dan ook zullen worden geweigerd. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals nader te begroten in het dictum.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Charan, kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding en uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran op donderdag 18 december 2014 te Paramaribo ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.Charan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran