SRU-K1-2015-14

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-155289
  • Uitspraakdatum 10 december 2015
  • Publicatiedatum 14 augustus 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Afvloeien van 160 werknemers vanwege veranderde marktcondities waaronder de scherpe daling van de internationale goudprijs, hogere productiekosten en lagere goudproductie. Rosebel heeft zonder medeweten en/of goedkeuring van de R.G.W.O. mededelingen gedaan aan de leden van de RGWO inhoudende inkrimping c.q. afvloeiing van de leden. Rosebel geraakt met meer dan zestig werknemers tot een beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden. R.G.W.O. roept bemiddeling in van de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname. Vertegenwoordigers/bestuursleden van de vakbond worden niet toegelaten om hun vakbondswerkzaamheden uit te oefenen. Rosebel geeft aan dat hun functies zijn vervallen en er is geen werk meer voor hen. Rosebel heeft aan de Bemiddelingsraad aangegeven dat zij niet onrechtmatig handelt en de bemiddeling van de Raad niet nodig is. Er breekt een staking uit onder leiding van R.G.W.O. op het werkterrein van Rosebel te Brokopondo. Rosebel vordert dat RGWO haar leden opdracht zal geven c.q. instrueren de werkovereenkomst en het werkschema te hervatten en voort te zetten en daarvan aan Rosebel schriftelijk mededeling te doen.

    In conventie
    Naar het oordeel van de kantonrechter ligt in casu ter beantwoording de vraag of de werkneerlegging door of namens de RGWO al dan niet rechtmatig is. In casu staat ondubbelzinnig vast dat het leden van de RGWO zijn die in staking zijn en dat het niet alleen betreft de werknemers van Rosebel-tevens zijnde bestuursleden van de RGWO- die in staking zijn. Er hoeft slechts gekeken te worden naar het grote aantal deelnemers in de groep zoals blijkt uit eigen waarneming van de kantonrechter bij de behandeling van deze zaak en mede uit berichten en beelden uit de media. RGWO heeft zich ook niet gedistantieerd van deze staking. De kantonrechter huldigt de opvatting dat ingevolge het bepaalde in artikel 5 lid 1 van de cao Rosebel en de RGWO verplicht zijn de cao over en weer nauwgezet en te goeder trouw na te leven. Artikel 29 bepaalt concreet hoe te handelen bij gerezen geschillen. Ingevolge lid 2 van voormeld artikel is sprake van een geschil zodra een der partijen de andere partij schriftelijk bericht dat er een geschil bestaat. Dit is niet geschied, zodat er formeel geen sprake is van een geschil. Evenwel zijn partijen op enig ogenblik wel bij de Bemiddelingsraad beland. Echter wordt de Raad niet de gelegenheid geboden om alle mogelijkheden te benutten voor de oplossing van het gerezen probleem tussen partijen en gaan de leden van RGWO in staking. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de werkneerlegging onrechtmatig is en dat het gevorderd zal worden toegewezen.

    In reconventie
    De kantonrechter volhardt bij al hetgeen in conventie is overwogen en beslist (art. 29 cao). Ten aanzien van de discretionaire bevoegdheid van Rosebel hetwelk in de cao is vastgelegd in artikel 6 lid 13 onder e zal bij de verdere onderhandelingen tussen partijen nader aan en bespreking dienen te worden onderworpen alvorens er een definitief besluit daaromtrent zal worden genomen.

    SJB dec. 2018 no. 3

Uitspraak

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 15-5289
10 december 2015

Vonnis in kort geding inzake:

ROSEBEL GOLD MINES N.V.,
rehtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende
aan de Heerenstraat no. 8 te Paramaribo,
eiseres in conventie tevens gedaagde in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

ROSEBELL GOLDMINES WERKNEMERS ORGANISATIE, afgekort R.G.W.O.,
rechtspersoon en gevestigd en kantoorhoudende aan de
Burenstraat no. 46 te Paramaribo,
gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie in kort geding,
gemachtigden: mrs. S. Marica en E. van der Hilst, advocaten.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

Partijen worden in het hiernavolgende gemakshalve aangeduid als respectievelijk Rosebel en RGWO;

1.  Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen;
Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 02 december 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;

  • De mondelinge conclusie van eis;
  • De schriftelijke conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, onder overlegging van producties;
  • De mondelinge conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie en uitlating producties, onder overlegging van producties;
  • De mondeling conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en uitlating producties;
  • De mondelinge conclusie van dupliek in reconventie;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

2.  Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie:
2.1 Rosebel haar activiteiten zijn gericht op het exploiteren van een goudmijn bedrijf, waarbij haar werkterrein voor exploitatie gelegen is in het district Brokopondo;

2.2 Per augustus 2015 waren er ongeveer 1960 personen werkzaam bij Rosebel (werknemers en contractors);

2.3 De RGWO is de vakvereniging binnen het bedrijf van Rosebel en vertegenwoordigt de bij haar aangesloten leden, zijnde de werknemers van Rosebel;

2.4 Tussen Rosebel en de RGWO is er op 02 november 2011 een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) tot stand gekomen welke tot op heden valide is;

3.  De standpunten van partijen

In conventie:
3.1 Rosebel vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad de RGWO zal worden bevolen om binnen één uur na de uitspraak van dit vonnis haar leden, zijnde de werknemers van Rosebel, opdracht te geven c.q. te instrueren het werk overeenkomstig hun arbeidsovereenkomst en overeenkomstig het werkschema te hervatten en voort te zetten en daarvan aan Rosebel schriftelijk mededeling te doen. Voorts vordert zij dat RGWO zal worden verboden om aan de werknemers van Rosebel opdracht te geven of aan te zetten of aanwijzingen te geven tot het verrichten van handelingen, die inbreuk maken op het eigendoms- en concessierecht en equipment van Rosebel, op de bedrijfsterreinen te Brokopondo, meer specifiek het verhinderen van de toegang tot voormeld terrein. Daarnaast vordert Rosebel dat de RGWO zal worden bevolen zich te onthouden van elke aansporing, aanzetting of uitlokking, althans elke handeling, op welke wijze of onder welke benaming dan ook, uit te voeren, welke tot strekking of gevolg heeft: – gehele of gedeeltelijke werk neerlegging of het schenden van de tussen Rosebel en haar werknemers gesloten arbeidsovereenkomst. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD 250.000,00 voor elke keer of elke dag dat RGWO nalaat te voldoen aan voormelde veroordeling/of bevel/of verbod. Tevens vordert zij dat RGWO zal worden veroordeeld in de gedingkosten;

3.2 Aan de vordering legt Rosebel – naast voormelde vaststaande feiten – ten grondslag, zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat op 08 oktober 2015 tussen 8.00 en 10.00 uur de werknemers van Rosbel geïnformeerd zijn over de op handen zijnde inkrimping van personeel bij Rosebel. In totaal zouden ongeveer 160 werknemers moeten worden afgevloeid.

Hiertoe is Rosebel genoodzaakt geworden, onder andere vanwege de veranderde marktcondities, waaronder begrepen dient te worden, de scherpe daling van de internationale goudprijs, hogere productiekosten en lagere goudproductie. In de maand oktober 2015 zijn er verschillende bijeenkomsten met de RGWO geweest waarbij Rosebel heeft getracht met de RGWO tot overeenstemming te komen met betrekking tot de afvloeiingsregeling, helaas zonder resultaat. De RGWO heeft overigens geen concrete tegenvoorstellen gedaan. Rosebel heeft vervolgens het traject ingezet om met de individuele werknemers, die moesten worden afgevloeid, te geraken tot een beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden, waarbij uiteraard de werknemers een goede afkoopregeling is aangeboden. Rond 20 november 2015 hadden reeds meer dan 60 werknemers de afvloeiingsregeling geaccepteerd en was de overeenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Op 23 november 2015 is Rosebel door de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname opgeroepen om die avond om 19.00 uur daar aanwezig te zijn. Die avond werd Rosebel meegedeeld dat de RGWO de bemiddeling van de Bemiddelingsraad had gevraagd inzake 3 zaken. Op verzoek van Rosebel kreeg zij daar een kopie van deze brief gedateerd 19 november 2015. Rosebel heeft direct haar reactie ter zake gegeven erop neerkomende dat Rosebel heeft ontkend dat zij vertegenwoordigers/bestuursleden van de vakbond, tevens werknemers van de vakbond, niet toelaat tot de werkterreinen ter uitoefening van hun vakbondswerkzaamheden. Het klopt dat enkele bestuursleden, tevens werknemers, is gevraagd om thuis te blijven, doch Rosebel heeft hun op geen enkele wijze verhinderd hun vakbondsactiviteiten uit te oefenen. Hun functies zijn komen te vervallen en er is helaas geen werk meer voor hun. Ze worden wel doorbetaald, met dien verstande dat hun basisloon wordt uitbetaald aangezien zij geen overwerk verrichten. Overigens blijkt uit de cao dat ook bij verlof en ziekte de werknemer het basissalaris ontvangt (op basis van 8 uren en niet voor 12 uren). De Bemiddelingsraad heeft partijen teruggestuurd naar de onderhandelingstafel. Op 27 november 2015 hebben partijen weer gesproken waarbij de RGWO wederom dezelfde punten heeft opgenoemd en Rosebel op dezelfde wijze heeft gereageerd. Op maandag 30 november 2015 heeft Rosebel de Bemiddelingsraad schriftelijk bericht over de bijeenkomst met de RGWO en aangegeven dat zij geenszins onrechtmatig handelt en dat zij de mening is toegedaan dat de bemiddeling van de Bemiddelingsraad dan ook niet nodig is. Op dinsdag 01 december 2015 is omstreeks 2 uur in de ochtend op het werkterrein van het bedrijf te Brokopondo wederom een onrechtmatige staking onder leiding van de RGWO uitgebroken en welke staking thans voortduurt. Ongeveer 4 uren later heeft Rosebel vervolgens een schrijven gedateerd 30 november 2015 van de RGWO mogen ontvangen terwijl de staking al gaande was en is het bedrijf van Rosebel geheel platgelegd. Ondanks herhaalde oproepen zijdens Rosebel aan de RGWO en haar leden, weigeren deze het werk te hervatten. Zij gaan zelfs zo ver dat zij werkwilligen verhinderen en bedreigen om hun werkzaamheden uit te oefenen. Momenteel kunnen deze minstens 250 werkwilligen het bedrijfsterrein niet verlaten en worden tegen hun wil daar door de RGWO gehouden. Tussen Rosebel en de RGWO was eerder op 18 mei 2006, onder andere, overeengekomen dat er voor nu en voor de toekomst niet meer zou worden overgegaan tot het blokkeren, alsook dat het equipment/materieel niet zou worden gebruikt voor andere doeleinden dan strikt voor de uit te voeren werkzaamheden voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst. Eveneens was tussen partijen een procedure overeengekomen dat erop neerkwam dat bij geschillen alle oplossingsmogelijkheden eerst dienden te zijn uitgeput, alvorens men zou overgaan tot staking. Door de eigendommen/equipment van Rosebel te gebruiken anders dan voor de door Rosebel bedongen werkzaamheden, handelt RGWO onrechtmatig jegens Rosebel. De schade die Rosebel lijdt als gevolg van de staking die thans gaande is, wordt geraamd op ruim US$ 500.000,- per dag. Daarnaast dient Rosebel ook nog door te betalen het loon van de werkwilligen alsook normale overheadkosten, terwijl haar bedrijfsactiviteiten volledig waren stilgelegd. RGWO is dan ook aansprakelijk voor de schade die thans wordt geleden door Rosebel;

3.3 RGWO heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hiernavolgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen;

In reconventie
3.4 RGWO vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad Rosebel zal worden veroordeeld om er zorg voor te dragen dat zij binnen 3 uren na vonniswijzing geheel en in overeenstemming met het arbitraal beding zoals opgenomen in artikel 29 van de vigerende cao zich aanmeldt bij de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname ter oplossing van het geschil tussen partijen bestaande. Voorts vordert zij dat Rosebel zal worden verboden om de werknemers van Rosebel opdracht te geven of aan te zetten of aanwijzingen te geven tot het niet verrichten van de bedongen arbeid en/of handelingen te plegen en/of te belemmeren op de bedrijfsterreinen te Brokopondo te betreden totdat de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname alle ruimte heeft gehad om het geschil op te lossen zoals bedoeld in artikel 29 van de vigerende cao tussen partijen bestaande. Daarnaast vordert zij dat Rosebel zal worden bevolen zich te onthouden van elke aansporing, aanzetting of uitlokking, althans elke handeling op welke wijze of onder welke benaming dan ook uit te voeren welke tot strekking of als gevolg heeft inkrimping of afvloeiing van personeelsleden. Tenslotte vordert zij dat het besluit van Rosebel gericht aan de werknemers om thuis te blijven zal worden opgeschort althans geschorst totdat op het geschil tussen partijen bestaande bij de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname zal zijn beslist. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD 1.000.000,00 voor elke keer of dag dat Rosbel in strijd handelt met de veroordeling en/of het verbod en/of het bevel. Tevens vordert zij dat Rosebel zal worden veroordeeld in de gedingkosten.

3.5 Aan de vordering legt RGWO – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – ten grondslag dat op 30 september 2015 Rosebel in plaats van overleg, informatie heeft verstrekt aan de RGWO met betrekking tot haar voornemens om een inkrimping c.q. afvloeiing te plegen van het personeel, werkzaam bij Rosebel. Die informatieverstrekking is in strijd met de bepalingen van de cao daar Rosebel verplicht was in overleg te treden met de RGWO. Op 8 oktober 2015 heft Rosebel zonder medeweten en/of goedkeuring van de RGWO mededelingen gedaan aan de leden van de RGWO inhoudende inkrimping c.q. afvloeiing van de leden van de RGWO. De RGWO heeft steeds getracht om tot overleg te komen met Rosebel door markante punten te noemen die zij verwerkt heeft in een raamwerk. Tijdens het overleg bleek dat Rosebel ontzettend veel problemen had met 3 punten uit het raamwerk. Toen zulks bleek heeft de RGWO conform het bepaalde in artikel 29 lid 4 sub b van de vigerende cao het geschil voorgelegd aan de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname. Partijen zijn alstoen opgeroepen door de Raad en na beëindiging van de eerste sessie met de Raad zijn partijen weer opgeroepen voor de tweede sessie welke zou plaatsvinden op 30 november 2015. Op bedoelde dag heeft Rosebel de Bemiddelingsraad aangeschreven daarbij zeggende dat zij de bemiddeling van de Raad niet nodig achtte. Door alzo te handelen heeft Rosebel de vigerende cao geschonden, welke schending door de RGWO wordt aangemerkt als te zijn wanprestatie zijdens Rosebel jegens de RGWO. Erger nog heeft Rosebel zich schuldig gemaakt aan hetgeen bepaald is in artikel 10 lid 1 en 2 van de wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst en alzo de wet geschonden, welke schending door de RGWO wordt aangemerkt als te zijn een onrechtmatige handeling jegens de RGWO met de schuld van Rosebel daaraan. Naast deze wanprestatie en onrechtmatige handelingen en/of gedragingen van Rosebel heeft Rosebel in strijd met hetgeen is bepaald in artikel 3 van de wet bescherming werknemersvertegenwoordigers, vijf bestuursleden van de RGWO aangezegd thuis te blijven. Deze handeling en/of gedraging van Rosebel is niet alleen maar in strijd met de wet voornoemd, maar ook in strijd met artikel 30 en 31 van de Grondwet. Deze gedragingen en/of handelingen van Rosebel gekoppeld aan de desavouering van de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname zijn ernstige maatschappelijke onbetamelijke gedragingen die in de rechtsstaat Suriname als te onzent niet getolereerd kunnen worden. Om deze redenen heeft de RGWO recht en belang bij behandeling van deze zaak in rechte en wel in kort geding ter bekoming van een voorziening, daar er nog steeds ruimte is om het geschil te doen oplossen door de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname en er aldus ingevolge de literatuur en de rechtspraak er hier sprake is van de bereikbaarheid van spoedarbitrage;

3.6 Rosebel heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

4.  De beoordeling

In conventie:
4.1 Het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.2 RGWO heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – dat er in artikel 29 lid 4 van de huidige cao ten aanzien van geschillen een arbitrale regeling is getroffen.  Rosebel heeft de bedoelde cao en artikel 10 van de Wet op cao met het schrijven van 30 november 2015 op zeer ernstige wijze geschonden door de bemiddeling van de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname niet nodig te achten. De RGWO is van mening dat alle partijen betrokken bij de cao zich moeten onderwerpen aan het arbitraal beding zoals bedoeld in artikel 29 lid 4 b van de bedoeld cao. Bovendien waren partijen bevoegd ingevolgde het gestelde in artikel 500 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zich aan het arbitraal beding te verbinden. Dit arbitraal beding is op de wet gestoeld. Aangezien thans voornoemde artikelen van de cao en de wet in casu van toepassing zijn, kan de kantonrechter in dit kort geding geen kennis nemen van dit geschil en dient zich onbevoegd te verklaren;

4.3 Naar het oordeel van de kantonrechter is voormeld meest verstrekkend verweer va RGWO ongegrond en dient te worden verworpen. Hetgeen is vastgelegd in artikel 29 lid 4 van de huidige cao behelst – zoals Rosebel terecht heeft aangevoerd bij repliek – niet een arbitraal beding waarbij partijen zich verbinden aan arbitrage, maar gelet op de redactie daarvan heeft het meer het karakter van definiëring wanneer het een geschil betreft, om welke type geschil het gaat en afhankelijk van hoe het antwoord op voormelde vragen luidt zal de daarin beschreven geschillenbeslechtingsprocedure bewandeld dienen te worden. Geenszins is daarin de bevoegdheid van de kantonrechter in kort geding aan de orde gesteld. Daarenboven ontleent de kortgedingrechter zijn bevoegdheid aan het bepaalde in artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en gesteld nog gebleken is dat in casu daarvan zou moeten worden afgeweken;

4.4 Voorts heeft de RGWO aangevoerd – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – dat Rosebel geen overleg met haar heeft gehad maar in de maand september 2015 informatie heeft verstrekt aan haar waarna zij op 08 oktober 2015 de werknemers heeft geïnformeerd over de afvloeiing. Alstoen droeg de RGWO reeds de wetenschap dat Rosebel bedrijfsbreed bezig was contractarbeiders van Guyanese nationaliteit in dienst te nemen. Het betrof in totaal ongeveer 360 Guyanese arbeiders, hetgeen meer is dan het aantal werknemers dat afgevloeid zou worden. Deze Guyanese arbeiders zijn in dienst genomen tegen betaling van een loon van US$ 2.000,= en tegen deze achtergrond zijn de redenen tot inkrimping c.q. afvloeiing van personeel dan ook zeer bedenkelijk en bovendien in strijd met artikel 6 lid 13 van de bedoelde cao, waarin is opgenomen dat bij voorziening in vacatures de voorkeur moet worden gegeven aan personen binnen het bedrijf met de Surinaamse nationaliteit. Dit is een van de markante redenen waarom de RWGO niet akkoord is gegaan met het zogenaamd sociaal plan van Rosebel en heeft een plan opgesteld althans een raamwerk met drie (3) daarin bedoelde kardinale punten die zij voorgelegd heeft als te zijn geschilpunten aan de Bemiddelingsraad voor  Geheel Suriname.

4.5 Naar het oordeel van de kantonrechter ligt in casu ter beantwoording de vraag of de thans gaande zijnde werkneerlegging door of namens de RGWO al dan niet rechtmatig is. Dienaangaande voert de RGWO aan – althans zo vat de kantonrechter dat op – dat zij niet in actie is en dat het gaat om acties van werknemers van Rosebel die tevens bestuursleden zijn van haar en die door of vanwege Rosebel zijn aangezegd om thuis te blijven met behoud van loon.

Rosebel daarentegen stelt zich op het standpunt – althans zo vat de kantonrechter dat op – dat de RGWO verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de thans aan de gang zijnde staking waarbij zelfs equipment van haar wordt ingezet om barricades op te werpen en werkwilligen worden verhinderd om het bedrijfsterrein te betreden. Naar het oordeel van de kantonrechter staat in casu ondubbelzinnig vast dat het leden van de RGWO zijn die in staking zijn en dat het niet alleen betreft de werknemers van Rosebel – tevens zijnde bestuursleden van de RGWO – die in staking zijn. Daarvoor hoeft slechts gekeken te worden naar het grote aantal deelnemers in de groep zoals is gebleken uit eigen waarneming van de kantonrechter bij de behandeling van deze zaak en mede blijkt uit berichten en beelden uit de media. Ondoenlijk zou het zijn om de mensen naar legitimatie van hun aanwezigheid in de groep te gaan vragen hoewel de ervaring leert dat er zich vaak wel enkele buitenstaanders in de groep aansluiten. Evenwel leert de ervaring eveneens dat dat vaak een kleine groep personen betreft die niets anders van doen hebben en daardoor een zee van tijd hebben. Bovendien blijkt nergens uit dat de RGWO zich heeft gedistantieerd van voormelde werkneerlegging. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het wel degelijk de leden van de RGWO zijn die feitelijk in staking zijn terwijl zij dat formeel weerspreken. De kantonrechter zal derhalve voorbij gaan aan al hetgeen door RGWO dienaangaande is aangevoerd.

4.6 De kantonrechter huldigt voorts de opvatting dat ingevolge in artikel 5 lid 1 van de cao Rosebel en de RGWO verplicht zijn de cao over en weer nauwgezet en te goeder trouw na te leven. Voorts bepaalt artikel 29 daarvan hoe concreet te handelen bij gerezen geschillen. Ingevolge lid 2 van voormeld artikel is sprake van een geschil zodra een der partijen de andere partij schriftelijk bericht dat er een geschil bestaat. Het voorgaande blijkt volgens de stellingen en weren van partijen niet te zijn geschied zodat er formeel geen sprake is van een geschil. Evenwel zijn partijen op enig ogenblik wel bij de Bemiddelingsraad beland en terwijl er aan de Bemiddelingsraad niet de gelegenheid is geboden om alle mogelijkheden te benutten voor de oplossing van het gerezen probleem tussen partijen, gaan de leden van de RGWO in staking. De RGWO heeft zich – zoals eerder aangegeven – niet gedistantieerd van deze staking. Hetgeen RWGO heeft aangevoerd met betrekking tot het in dienst nemen van Guyanezen tegen een hoger loon dan Surinamers, is na de gemotiveerde weerspreking daarvan door Rosebel onder overlegging van documentatie, niet aannemelijk geworden in dit geding. Integendeel is de RGWO daar verder niet gemotiveerd op ingegaan bij dupliek zodat de kantonrechter het er in dit geding voor zal houden dat zij het door haar aangevoerde heeft laten varen;

4.7 Tussen partijen is voorts in confesso dat Rosebel vanwege de staking disproportionele schade lijdt, hetwelk dagelijks blijft oplopen. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de werkneerlegging onrechtmatig is en dat het gevorderde zal worden toegewezen in voege als na te melden. RGWO zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van Rosebel gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis. De mede gevorderde dwangsom zal ambtshalve worden verbonden aan een maximum ten bedrage van SRD 2.500.000,= hetgeen de kantonrechter redelijk en billijk voor komt;

4.8 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

In reconventie:
4.9 Het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.10 De kantonrechter neemt over en volhardt bij al hetgeen in conventie is overwogen en beslist. Het overwogene in conventie met betrekking tot het overeengekomene in artikel 29 van de cao brengt met zich dat het gevorderde onder sub A van het petitum van het inleidend rekest niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Daarenboven heeft Rosebel zich bereid verklaard – indien zij door de Bemiddelingsraad wordt opgeroepen – om gevolg te geven aan de oproep van de Bemiddelingsraad waardoor er geen belang (meer) is bij toewijzing van dat onderdeel van het gevorderde. Het gevorderde onder sub B van het petitum is evenmin aannemelijk geworden in rechte. Immers is niet gebleken dat Rosebel de werknemers opdracht heeft gegeven of aangezet of aanwijzingen gegeven tot het niet verrichten van de bedongen arbeid. Het overwogene in conventie geeft eerder aanleiding om van een daaraan tegengesteld uitgangspunt uit te gaan. Het gevorderde onder sub C en D betreft een discretionaire bevoegdheid van Rosebel hetwelk in de cao is vastgelegd in artikel 6 lid 13 onder e en zal bij de verdere onderhandelingen tussen partijen nader aan een bespreking dienen te worden onderworpen alvorens er een definitief besluit daaromtrent zal worden genomen. Vooralsnog kan dat niet aan een beoordeling door de kantonrechter worden onderworpen aangezien er daarvoor te weinig handvatten in het dossier aanwezig zijn. De mede gevorderde dwangsom zal, als sequeel van het gevorderde, evenmin voor toewijzing in aanmerking kunnen komen;

4.11 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de gevraagde voorzieningen dienen te worden geweigerd. RGWO zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van Rosebel gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

4.12 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt de kantonrechter derhalve niet toe;

5.  De beslissing in kort geding

De Kantonrechter:

In conventie:
5.1 Beveelt RGWO om binnen één uur na de uitspraak van dit vonnis haar leden, zijnde de werknemers van Rosebel, opdracht te geven casu quo te instrueren het werk overeenkomstig hun arbeidsovereenkomst en overeenkomstig het werkschema te hervatten en voort te zetten en daarna aan Rosebel schriftelijk mededeling te doen;

5.2 Verbiedt de RGWO om aan de werknemers van Rosebel opdracht te geven of aan te zetten of aanwijzingen te geven tot het verrichten van handelingen, die inbreuk maken op het eigendom en concessierechten en equipment van Rosebel, op de bedrijfsterreinen te Brokopondo, meer specifiek het verhinderen van de toegang tot voormeld terrein;

5.3 Beveelt de RGWO zich te onthouden van elke aansporing, aanzetting of uitlokking, althans elke handeling – op welke wijze of onder welke benaming dan ook – uit te voeren, welke tot strekking of gevolg heeft:

  • gehele of gedeeltelijke werkneerlegging;
  • het schenden van de tussen Rosebel en haar werknemers gesloten arbeidsovereenkomst;

5.4 Veroordeelt RGWO om ten titel van dwangsom aan Rosebel te betalen een bedrag van SRD 250.000,= (tweehonderd en vijftigduizend Surinaamse dollars) voor elke keer of elke dag dat RGWO nalaat te voldoen aan voormelde veroordelingen/of bevel/of verbod, het totaal bedrag van SRD 2.500.000,= (twee miljoen en vijfhonderdduizend Surinaamse dollars) niet te boven gaand;

5.5 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie:
5.6 Weigert de gevraagde voorzieningen;

In conventie en in reconventie voorts:
5.7 Veroordeelt RGWO in de gedingkosten aan de zijde van Rosebel gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 264,00 (tweehonderd en vier en zestig Surinaamse dollars);

In conventie en in reconventie:
Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 10 december 2015 door mr. A.C. Johanns, Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G. Mangal                       w.g. A. Charan

w.g. A.C. Johanns