SRU-K1-2015-4

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-150230
  • Uitspraakdatum 10 februari 2015
  • Publicatiedatum 19 mei 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Eiser weigert op grond van de veilingsvoorwaarden de veilingskosten te voldoen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de kosten van de veiling ex. art. 1207 lid 2 BW van dwingend recht is, zodat daarvan niet kan worden afgeweken.
    De rechtsvraag in onderhavige vordering is of de kosten van de veiling en het honorarium van de notaris ingevolge artikel 1207 lid 2 BW op de opbrengst moet worden verhaald. De kantonrechter is van oordeel dat deze kosten ten laste komen van de koper op de veiling en niet ten laste van de schuldenaar.

    SJB

Uitspraak

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R.  No. 15-0230
10 februari 2015

Vonnis in kort geding inzake:

[naam 1],
wonende aan [adres 1]
te [district 1]
eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. A.S.N. Adhin, advocaat,

tegen

A. De naamloze vennootschap “DE SURINAAMSCHE BANK N.V.”
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 26-30 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

B. [naam 2],
gevestigd en kantoorhoudende aan [adres 2]
te [district 1],
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

gedaagden in kort geding.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Partijen worden in het hierna volgende (gemakshalve) aangeduid als respectievelijk [naam 1], DSB en [naam 2];

1. Het verloop van de procedure
in conventie en reconventie:

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– Het inleidend verzoekschrift met bijlagen dat ter Griffie der Kantongerechten is ingediend op 19 januari 2015;
– De mondelinge conclusie van eis de dato 21 januari 2015;
– De mondelinge conclusie van antwoord, onder overlegging van producties zijdens [naam 2];
– De schriftelijke conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie zijdens DSB;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, onder overlegging van producties zijdens [naam 1] ten aanzien van [naam 2];
– De schriftelijke conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie zijdens [naam 1] ten aanzien van DSB;
– De schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties zijdens [naam 2],onder overlegging van een productie;
– De schriftelijke conclusie van dupliek in conventie  en repliek in reconventie onder overlegging van producties zijdens DSB;
– De schriftelijke conclusie tot uitlating met producties zijdens [naam] ten aanzien van [naam 2];
– De schriftelijke conclusie van dupliek in reconventie en uitlating producties zijdens [naam 1] ten aanzien van DSB;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan
In conventie en in reconventie

2.1 Op 08 juli 2014 heeft DSB middels een tweetal afzonderlijk van elkaar gehouden openbare verkopingen ex artikel 1207 BW ten overstaan van [naam 2] aan [naam 1] als koper en als hoogste bieder gegund/toegewezen de respectieve percelen:

a. “het perceelland met daarop staande gebouwen en beplantingen, groot 10 ha. gelegen in [district 2] aan de rechteroever van de [rivier 1] [nummer 1], aangeduid op de kaart van de landmeter ing. G.J. Elizaer d.d. 15 juni 2001, met de letters ABCDEFGHIJKLMN, met inbegrip van het deel aangeduid met de letters BCDKLM dat voor weg bestemd is” voor de koopsom van SRD 285.000,-;

b. “het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 1.000 m2 gelegen in [district 3], aangeduid met [nummer 2], deel uitmakende van [plantage] aan de linkeroever van de [rivier 2] en [kreek]” voor de koopsom van SRD 26.000,-;

2.2 Eén dag na de veiling (dus op 09 juli 2014) heeft [naam 1] – op daartoe gedaan verzoek zijdens DSB en [naam 2] – op de rekening van [naam 2] gestort 10% van de koopsom voor beide percelen neerkomende op het bedrag van SRD 31.100,- (SRD 28.500,- + SRD 2.600,-);

2.3 Op 24 juli 2014 heft [naam 1] ten aanzien van het perceel bedoeld onder b ([perceel sub b]) middels storting van een bedrag ad SRD 31.413,- op de rekening van [naam 2] geheel voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de koopsom;

2.4 Op 22 augustus 2014 heeft [naam 1] ten aanzien van het perceel bedoeld onder a. ([perceel sub a]) middels storting van een bedrag ad SRD 274.784,- op de rekening van [naam 2] geheel voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de koopsom;

2.5 DSB heeft bij exploit d.d. 3 november 2014 [nummer 3] van deurwaarder R. Kappel aan [naam 1] geïnsinueerd en aangezegd dat hij ([naam 1]) na toewijzing van het bod ad SRD 285.000,- op het perceelland welke is omschreven onder 2.1 onder a) (het betreft in deze [perceel sub a]) ingebreke is gebleven en blijft te voldoen aan zijn betalingsverplichting. Bij voormeld exploit is tevens aan [naam 1] de herveiling aangezegd van betreffende perceelland welke in het openbaar zal plaatshebben te [district 1] op [datum] des voormiddags te 10.00 uur door en ten kantore van notaris mr. D. Alexander aan de Prins Hendrikstraat 32;

3. De standpunten van partijen

4. In conventie

4.1 [naam 1] vordert in dit geding – kort samengevat – dat DSB en [naam 2] zullen worden verboden om vorenvermelde herveiling te houden, op straffe van een dwangsom van SRD. 500.000,- per keer dat voormeld verbod overtreden wordt. Tevens vordert hij dat zal worden gelast dat de processen-verbaal van de respectieve veilingen d.d. 08 juli 2014 ten aanzien van beide percelen voornoemd, tezamen met de daartoe bestemde akten, binnen 1 x 24 uur na het te wijzen vonnis, zal worden overgeschreven in de openbare registers ten kantore van het M.I. Gliss, op straffe van een dwangsom va SRD. 500.000,- per dag. Eveneens vordert hij – kort gezegd – restitutie van het door hem onverschuldigd betaalde bedrag ad SRD. 26.198,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover. Tenslotte vordert [naam 1] dat zal worden gelast dat DSB en [naam 2] in de dagbladen “De Ware Tijd” en “Times of Suriname” een advertentie plaatsen inhoudende dat de kennisgeving van de herveiling van [datum] van vorenvermeld perceel onder 2.1 onder a), ten onrechte geplaatst is en dat bij die gelegenheid aan [naam 1] de verontschuldigingen wordt aangeboden voor het daardoor ontstane en verband houdende ongerief;

4.2 Naast voormelde vaststaande feiten legt [naam 1] – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aan zijn vordering ten grondslag dat een eenvoudig rekensommetje uitwijst dat in casu [naam 1] ten aanzien van beide percelen niet slechts de door hem geboden – en door DSB als zodanig aan hem gegunde – koopsom heeft betaald, doch meer dan dat. Ten aanzien van [perceel sub b] heeft [naam 1] SRD. 7.914,- boven op de koopsom van SRD. 26.000,- betaald terwijl hij ten aanzien van het [perceel sub a] maar liefst SRD. 18.284,- boven op de koopsom van SRD. 285.000,- heeft betaald. [naam 1] heeft echter moeten constateren dat DSB in gebreke blijft de respectieve registergoederen aan hem te leveren middels overschrijving van het proces- verbaal van de veiling in de daartoe bestemde akten in de openbare registers. Laatstelijk is bovendien niet alleen [naam 1] maar ook de totale gemeenschap in kennis gesteld van het voornemen van DSB om weder ten overstaan van [naam 2] de herveiling te doen plaatsvinden. Door het bericht in DWT – alsook in Times van Suriname van maandag 12 januari 2015 – is de naam van [naam 1] in diskrediet gebracht, daar hiermede geheel ten onrechte de indruk is gewekt naar het breder publiek toe (inclusief de cliëntèle van [naam 1]) dat [naam 1] zich zou hebben schuldig gemaakt aan wanbetaling. Het voormeld exploit van 3 november 2014 en het in correlatie daarmede staande krantenbericht van dinsdag 13 januari 2015 stipuleren dat de herveiling zal plaatsvinden vermits [naam 1] als hoogste bieder/koper in gebreke is gebleven en blijft om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Ingevolge artikel 1207 BW dient de veilingverkoper/de bank uit de opbrengst der openbare verkoping te verhalen: de schuld, renten en kosten. [naam 1] heeft op voormelde veiling voor de respectieve registergoederen aangeboden als koopsom het bedrag ad SRD. 26.000,- voor het [perceel sub b] respectievelijk het bedrag ad SRD. 285.000,- voor het [perceel sub a]. Dit aanbod/deze koopsommen is/zijn door de veilingverkoper/DSB integraal aanvaard en is aan [naam 1] dan ook door DSB medegedeeld dat de beide percelen aan hem zijn gegund/toegewezen. Als gevolg van de gunning/toewijzing door de veilingverkoper/DSB is tussen partijen een koopovereenkomst tot stand gekomen. Zoals hiervoor aangegeven heeft [naam 1] meer dan de door hem aangeboden – en door DSB aanvaarde – koopsom voldaan voor beide percelen en dienen deze aan hem geleverd te worden door DSB. [naam 1] moet echter constateren dat [naam 2] en DSB/veilingverkoper zich op het standpunt stelt dat hij ([naam 1]) boven op de koopsom nog dient te voldoen de kosten van de openbare verkoping en het honorarium van de notaris. Artikel 1207 BW stipuleert echter uitdrukkelijk dat de hypotheekhouder/veilingverkoper/DSB uit de aangeboden/aanvaarde koopsom c.q. veilingopbrengst dient te verhalen zowel de hoofdsom als de renten en de kosten. Het is niet [naam 1] die de executie heeft doen plaatsvinden doch DSB en [nummer 2] vervult in deze een lijdelijke rol en handelt in opdracht van DSB. De executiekosten alsmede het honorarium van de notaris worden derhalve ten onrechte aan [naam 1] in rekening gebracht. Door de aangezegde herveiling alsmede de weigering tot levering van de beide percelen opleverende een onrechtmatig gedrag van DSB en [naam 2] is [naam 1] gerechtigd hiertegen in rechte op te komen;

4.3 DSB en [naam 2] hebben verweer gevoerd op welk veweer de kantonrechter in het hierna volgende – voor zover nodig – terug zal komen;

In reconventie
4.4 DSB vordert in dit geding – kort gezegd – schorsing van de koopovereenkomst de dato 08 juli 2014, althans opschorting daarvan totdat in bodemgeschil de overeenkomst zal zijn ontbonden, althans voor ontbonden zal zijn verklaard. Daarnevens vordert zij eveneens veroordeling van [naam 1] in de kosten van dit geding;

4.5 Naast voormelde vaststaande feiten legt DSB aan haar vordering ten grondslag – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – dat op voormelde openbare verkoop de dato 08 juli 2014 [naam 1] voormelde percelenland heeft gekocht voor respectievelijk SRD. 26.000,- en SRD. 285.000,-. [naam 1] was gehouden in totaal SRD 330.756,- te voldoen, zijnde de koopsom, vermeerderd met alle bijkomende kosten. Van opgemeld bedrag geeft [naam 1] slechts SRD. 308.698,- voldaan, latende een saldo van SRD. 22.058,-. Ondanks de betalingsverplichting vaststaaat weigert [naam 1] steevast tot betaling over te gaan, ondanks daartoe te zijn aangemaand. Met het niet betalen van alle kosten maakt [naam 1] zich schuldig aan wanprestatie, weshalve DSB gerechtigd is de ontbinding te vorderen van voormelde koopovereenkomst. DSB wenst deze dan ook te ontbinden althans in kort geding te schorsen althans op te schorten;

4.6 [naam 1] heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – zal terugkomen;

5. De beoordeling van het geschil
In conventie:

5.1 Het spoedeisend belang van [naam 1] bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

5.2 [naam 2] heeft bij antwoord en niet ontvankelijkheidsverweer gevoerd waarbij hij heeft aangegeven – kort gezegd – dat niet aan hem het recht van parate executie toekomt, maar aan DSB die door de herveiling aan te zeggen van dat recht gebruik maakt. Aldus kan aan hem geen verbod worden opgelegd met betrekking tot de uitoefening van een recht dat hij niet bezit. Daartegenin heeft [naam 1] ingebracht – kort gezegd – dat [naam 2] heel actief participeert bij het innen van vermeende rechten/verworvenheden dan wel kosten voortvloeiende uit voormelde openbare verkopingen, welke openbare verkopingen in opdracht van DSB hebben plaatsgehad. De zo gewraakte herveiling waarvan [naam 1] een verbod vordert, vindt plaats op basis van de gedachtengang van [naam 2] dat door [naam 1] vermeende aan hem verschuldigde kosten nog niet zijn voldaan. [naam 2] is      zeer actief geweest bij het innen van zijn declaraties en het bijhouden van hetgeen volgens hem nog openstaand zou zijn. [naam 2] heeft aan [naam 1] per deurwaardersexploit [kenmerk] d.d. 4 september 2014 van deurwaarder L. Tran van Can- Doesburg medegedeeld dat bij het niet voldoen van de kosten het proces van herveiling zal worden ingezet terwijl het de hypotheekhouder zou moeten zijn, die als belanghebbende, een dergelijke handeling zou moeten plegen. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit het door [naam 1] geschetste samenstel van feiten en omstandigheden welke eveneens geschraagd worden door onderliggende producties – welker inhoud niet is betwist of van valsheid beticht – voldoende aannemelijk geworden dat [naam 2] in casu geen lijdelijke opstelling heeft gehad. Integendeel heeft hij zich heel actief bemoeid met het innen van de kosten en als stok achter de deur laten doorschemeren in het van hem afkomstig schrijven de dato 03 september 2014 – in niet mis te verstane bewoordingen – dat het proces van herveiling zal worden ingezet    terwijl dat een bevoegdheid is dat aan de veilingverkoper toekomt. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat  [naam 2] in casu een zowat leidende rol heeft (gehad) in het geheel instede van een puur lijdelijke. Gelet op al het voorgaande zal het preliminair verweer van [naam 2] worden verworpen;

5.3 Tussen partijen is in dit geding in confesso dat het [perceel sub b] inmiddels op naam van [naam 1] geregistreerd staat, weshalve in het vervolg van dit geding het vizier merendeels op het perceelland gelegen in [district 2] gericht zal zijn, aangezien [naam 1] dan geen belang meer heeft bij toewijzing van het onderdeel van het gevorderde dat betrekking heeft op het [perceel sub b] voornoemd;

5.4 De centrale vraag die partijen in dit geding verdeeld houdt betreft de vraag of ingevolge het bepaalde in artikel 1207 BW de veilingverkoper de kosten van de veiling inclusief honorarium van de notaris uit de verkoopopbrengst dient te verhalen of deze apart kan vorderen van de veilingkoper. [naam 1] is de mening toegedaan dat die kosten (inclusief honorarium notaris) uit de veilingopbrengst dienen te worden gehaald door de veilingverkoper terwijl DSB en [naam 2] een daaraan tegengestelde opvatting huldigen,te weten dat de veilingkoper die apart dient te voldoen. [naam 1] baseert zijn opvatting op het bepaalde in artikel 1207 BW  terwijl DSB en [naam 2] zich beroepen op het bepaalde in artikel 8 leden 1 en 4 van de Algemene Veilingvoorwaarden;

5.5 Naar het oordeel van de kantonrechter omvat het bepaalde in artikel 1207 BW niet mede de kosten van de gehouden veiling en het honorarium van de notaris. De formulering van artikel 1207 BW, te weten de passage “teneinde uit de opbrengst te verhalen zowel de hoofdsom als de renten en de kosten”, omvat naar het oordeel van de kantonrechter niet mede de kosten van de veiling en het honorarium van de notaris. Immers kan de situatie zich voordoen dat de opbrengst van de veiling niet toereikend is om de hoofdsom te voldoen en rijst de vraag waar de veilingverkoper dan die gemaakte kosten moet verhalen. de kantonrechter zal derhalve voorbij gaan aan de zienswijze van [naam 1] dienaangaande. Het standpunt van DSB en [naam 2], ingevolge de Algemene Veilingvoorwaarden, komt de kantonrechter aannemelijk voor. Door ongeconditioneerd te participeren aan de openbare verkoop is [naam 1] – naar dezerzijds voorlopig oordeel – accoord gegaan met de Algemene Veilingvoorwaarden en kan hij zich thans niet te goeder trouw beroepen op onbekendheid daarmede casu quo innerlijke tegenstrijdigheden daarin. Daarenboven is het – zoals [naam 2] terecht heeft aangevoerd– inmiddels (plaatselijk) gebruik dat de veilingkoper die kosten voor zijn/haar rekening neemt en gesteld noch gebleken is waarom in casu daarvan zou moeten worden afgeweken. Tevens is het naar het oordeel van de kantonrechter in casu geen sprake van collisie van rechtsregels, maar eerder sprake van completering van het bepaalde in artikel 1207 BW;

5.6 Al het voorgaande in onderling verband en samenwerking beschouwd leidt tot de slotsom dat [naam 1] gehouden is de veilingkosten en het honorarium van de notaris – naast de koopsom – te voldoen. Evenwel betekent het voorgaande niet dat de koopovereenkomst tussen DSB en [naam 1] niet tot stand is gekomen. Immers is op de veiling geboden, gegund en toegewezen en is de koopsom betaald. Partijen twisten alleen ten aanzien van de vergoeding van de veilingkosten en het honorarium van de notaris. Die componenten maken naar het oordeel van de kantonrechter geen deel uit van de koopsom en is de veilingverkoper derhalve niet bevoegd om rauwelijks tot herveiling over te gaan terwijl de koopovereenkomst tussen partijen nog in stand is. Gelet op het vorogaande zal het gevorderde verbod om tot herveiling over te gaan worden toegewezen;

5.7 Ten aanzien van de mede gevorderde overschrijving van het proces-verbaal van de veiling in de openbare registers oordeelt de kantonrechter dat dat niet kan worden toegewezen, zolang de veilingkosten (inclusief honorarium notaris) niet door [naam 1] zijn voldaan. Derhalve zal dat onderdeel van het gevorderde worden afgewezen;

5.8 Voor wat betreft de mede gevorderde restitutie ten aanzien van het vermeend onverschuldigd betaalde oordeelt de kantonrechter dat de exacte omvang daarvan niet duidelijk uit de verf is gekomen. [naam 1] gaat uit van een bedrag van SRD. 26.198,- terwijl DSB en [naam 2] van een ander bedrag uitgaan. Dat onderdeel van het gevorderde komt derhalve voor afwijzing in aanmerking. In dit kader geeft de kantonrechter partijen in overweging om de koppen bij elkaar te steken en een eventueel saldo aan deze of gene zijde te verrekenen met elkaar;

5.9 Ten aanzien van de mede gevorderde – althans zo vat de kantonrechter dat op – rectificatie oordeelt de kantonrechter dat de grondslag daarvan niet aannemelijk is geworden in rechte. In de advertentie is opgenomen “de in gebreke gebleven koper de heer [naam 1]’. Zoals hiervoor overwogen is dat niet incorrect aangezien [naam 1] inderdaad in gebreke is gebleven om de veilingkosten (inclusief honorarium notaris) te voldoen. Gelet op het voorgaande zal dat onderdeel van het gevorderde worden afgewezen;

5.10 Nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter daarin aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

5.11 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

In reconventie:

5.12 De kantonrechter neemt over al hetgeen in conventie is overwogen en besrlist;

5.13 Het spoedeisend belang zijdens DSB vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest;

5.14 Nu de vordering strekkende tot verbod van herveiling is toegewezen kan de gevorderde schorsing van de koopovereenkomst tussen DSB en [naam 1] niet voor toewijzing in aanmerking komen;

5.15 Gelet op het voorgaande zullen de gevraagde voorzieningen worden geweigerd en zal DSB, als de het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [naam 1] gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van het vonnis;

5.16 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als niet langer relevant zijnde, achterwege laten.

6. De beslissing in kort geding
In conventie:
6.1 Verbiedt DSB en [naam 2] om op [datum] ten overstaan van de notaris mr. D. Alexander of diens plaatsvervanger(s) dan wel op welk ander(e) dag, tijdstip, ten overstaan van welke notaris en/of diens plaatsvervanger dan ook, de herveiling te plegen van “het perceelland, met de daarop staande gebouwen en beplantingen, groot 10 hectaren, gelegen in [district 2] aan de rechteroever van de [rivier 1] [nummer 1], aangeduid op de kaart van de landmeter ing. G.J. Elizaer d.d. 15 juni 2001, met de letters ABCDEFGHIJKLMN, met inbegrip van het deel aangeduid met de letters BCDKLM dat voor weg bestemd is”, op straffe van een dwangsom van SRD. 500.000,- (Vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar) voor elke keer dat zij voormeld verbod overtreden;

6.2 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

6.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

6.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

In reconventie:
6.5 Weigert de gevraagde voorzieningen;

6.6 Veroordeelt DSB in de gedingkosten aan de zijde van [naam 1] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van dinsdag 10 februari 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. S. Tika w.g. A. Charan