SRU-K1-2016-3

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-145347
  • Uitspraakdatum 23 mei 2016
  • Publicatiedatum 17 mei 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Personen- en familierecht. Echtscheiding. Scheiding en deling huwelijksgoederengemeenschap. Alimentatie. Bewijsopdracht in het kader van art. 263 BW; dat duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet in overwegende mate aan de vrouw te wijten is.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

E.K.-A.R.no. 14-5347
23 mei 2016

Vonnis inzake:

[eiseres],
wonende aan de [adres 1] in het [district],
eiseres,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 2] in het [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.S.N. Adhin, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 11 december 2014 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de schriftelijke conclusie van antwoord;
– de schriftelijke conclusie van repliek;
– de schriftelijke conclusie van dupliek met een productie;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating productie;
– de rolbeschikking d.d. 25 januari 2016 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 14 maart 2016;
– de conclusies tot uitlating na gehouden comparitie van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 09 mei 2013 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met elkaar in het district Saramacca bij akte no. 10, folio no. 19/20.

2.2 Door het huwelijk tussen partijen is het navolgend thans nog minderjarig kind gewettigd:
– [naam], geboren op 11 december 2012 te [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien, met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden en de hoogte van de door gedaagde te betalen alimentatie zal worden vastgesteld;
– de scheiding en deling te gelasten van de huwelijksgoederengemeenschap, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering, naast voormelde feiten, ten grondslag –zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang- dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat er reeds geruime tijd spanningen zijn gerezen tussen partijen door de schuld van gedaagde en dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan overspel, waardoor het contact tussen partijen dusdanig is verstoord dat samenwonen met gedaagde onmogelijk is geworden. Partijen wonen aldus vanaf 14 november 2014 niet meer samen. Eiseres stelt voorts dat zij behoeftig is en gerechtigd is van gedaagde te vorderen dat hij alimentatie betaalt ter voorziening in het levensonderhoud van het minderjarig kind.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter –voor zover voor de beslissing van belang- in het hierna volgende zal terug komen.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde ontkent dat de gestelde duurzame ontwrichting aan hem gelegen is, aangezien hij zowel tijdens de samenwoningsrelatie als tijdens het huwelijk tussen partijen, zich altijd alle inspanningen heeft getroost om datgene te doen wat van een verantwoorde, liefdevolle partner/echtgenoot verwacht kan/mag worden, doch veranderde op gegeven moment de houding van eiseres tegenover hem. Hiertoe voert hij aan dat eiseres het stuk terrein waarop de echtelijke woning is opgezet uit een lening waarbij gedaagde zijn moeders woning is bezwaard en waarop aflossingen worden gepleegd door gedaagde middels maandelijkse inhouding op zijn salaris, door aar ouders aan eiseres is geschonken onder het beding van uitsluiting uit de huwelijksgoederengemeenschap. Ook voert eiseres heimelijke gesprekken met haar mobiel en verstuurd zij berichtjes naar een voor gedaagde onbekende persoon. Voorts heeft een DNA-onderzoek uitgewezen dat het minderjarig kind niet zijn biologisch kind is, terwijl eiseres zelf ook een baan heeft bij Staatsolie, zodat zij niet behoeftig is. Op grond van het voorgaande dient de vordering van eiseres volgens gedaagde ingevolge artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te worden afgewezen, nu de ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan haar te wijten is geweest.

4.2 Eiseres ontkent dat de duurzame ontwrichting aan haar gelegen is onder aanbod van bewijs, omdat het volgens haar gedaagde is die reeds enige tijd de echtelijke woning heeft verlaten. Hiermee is volgens eiseres ook de schuldvraag beantwoord. Het overig door gedaagde aangevoerde is volgens eiseres niet relevant in casu. Eiseres voert verder aan dat gedaagde dient te weten welke actie hij moet ondernemen indien hij van mening is dat hij niet de biologische vader van het kind is. Tot dan rust op hem de zorgplicht.

4.3 Gedaagde persisteert bij het door hem aangevoerde bij conclusie van antwoord en beroept zich uitdrukkelijk op artikel 263 BW. Gedaagde voert aan dat de gestelde feiten en omstandigheden hem ertoe hebben genoopt om de echtelijke woning te verlaten, zodat dit niets te maken heeft met de schuldvraag. Gedaagde ontkent dat hij voor het huwelijk wist dat het minderjarig kind niet van hem was. Zulks heeft zij moedwillig voor hem verzwegen om dan in het huwelijksbootje met hem te stappen, maar niet voordat ze hem ertoe heeft gekregen de minderjarige eerst te erkennen. Gedaagde voert ten slotte aan dat hij maandelijks reeds USD 362,- van zijn salaris wordt ingehouden voor de aflossing van de schuld en dient hij ook in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

4.4 Eiseres voert hiertegen aan dat vaststaat dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, weshalve er voor partijen geen weg terug meer mogelijk is, terwijl gedaagde er niet in is geslaagd het door hem gestelde, als zou de ontwrichting in overwegende mate aan eiseres te wijten zijn geweest, aan te tonen. Het beroep op artikel 263 BW gaat derhalve volgens eiseres niet op.

4.5 De vrouw stelt zich op het standpunt dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht omdat de man de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat hij de echtelijke woning heeft verlaten door toedoen van de vrouw, omdat zij met name voor hem had verzwegen dat het minderjarig kind niet van hem was. De kantonrechter overweegt dat uit de comparitie van partijen is gebleken dat partijen vanaf 2009 samenwoonden en dat het kind geboren is op 11 december 2012, terwijl partijen zijn gehuwd op 09 mei 2013. Tevens is komen vast te staan dat de man de echtelijke woning heeft verlaten op of omstreeks 14 november 2014, terwijl de man de vaderschapstest heeft laten uitvoeren op 30 juni 2014. Naar het oordeel van de kantonrechter is op grond van het bovenstaande komen vast te staan dat de man de echtelijke woning heeft verlaten nadat hij bekend was geworden met het feit dat hij niet de verwekker van het minderjarig kind was, waardoor naar het oordeel van de kantonrechter is komen vast te staan dat de spanningen tussen partijen zijn ontstaan als gevolg van handelingen van de vrouw, weshalve de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in overwegende mate te wijten is geweest aan de vrouw.

4.6 Nu de vrouw na gehouden comparitie van partijen blijft persisteren dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet in overwegende mate aan haar te wijten is geweest, omdat de man vanaf het begin c.q. vóór het huwelijk tussen partijen, wist dat het minderjarig kind niet van hem was althans niet door hem verwekt was en hij ook op de hoogte was van de relatie van de vrouw met de verwekker van het minderjarig kind, zal zij conform bewijsaanbod worden toegelaten tot tegenbewijs, door alle middelen rechtens, zoals geformuleerd in de beslissing.

4.7 Hangende de bewijsopdracht zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5. De beslissing
De Kantonrechter:

5.1 Laat gedaagde toe tot bewijs, door alle middelen rechtens meer in het bijzonder door getuigenverhoor, van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet in overwegende mate aan haar te wijten is geweest, omdat de man vanaf het begin c.q. vóór het huwelijk tussen partijen, wist dat het minderjarig kind niet van hem was althans niet door hem verwekt was en hij ook op de hoogte was van de relatie van de vrouw met de verwekker van het minderjarig kind.

5.2 Bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden op maandag 13 juni 2016, om 11.00 uur des voormiddags in de enquêtezaal in het gebouw van de griffie der kantongerechten aan de Grote Combéweg no. 2 te Paramaribo.

5.3 Bepaalt dat indien de te horen getuigen de Nederlandse taal niet machtig zijn, partijen er zorg voor dienen te dragen dat een beëdigde tolk ter enquête aanwezig is om hen bij te staan voor de vertolking van al hetgeen ter enquête wordt verklaard in een voor hun verstaanbare taal.

5.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, ter terechtzitting te Paramaribo van maandag 23 mei 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. O.S. Apai.