SRU-K1-2017-17

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-172569
  • Uitspraakdatum 05 oktober 2017
  • Publicatiedatum 25 juli 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    De rechtsvraag dient te worden beantwoord of de dienstbetrekking tussen partijen al dan niet van rechtswege is beëindigd. Artikel 1615 e lid 1 BW bepaalt onder meer dat de dienstbetrekking van rechtswege eindigt wanneer de tijd is verstreken bij overeenkomst bepaald. In lid 2 is bepaald onder welke omstandigheden voorafgaande opzegging nodig is. Partijen hebben de arbeidsovereenkomst tweemaal uitdrukkelijk verlengd voor bepaalde tijd en wel voor het laatst voor de duur van 12 maanden gedurende de periode 14 april 2016 tot en met 13 april 2017. Met inachtneming van artikel 1615 e lid 1 betekent dit dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst eindigt na het verstrijken van de tijd waarvoor de overeenkomst is aangegaan, tenzij één van de situaties in lid 2 van hetzelfde artikel aan de orde is.

    Bij conclusie van repliek heeft eiseres gevorderd haar eis te wijzigen door enkele alinea’s toe te voegen aan haar verzoek. Naar het oordeel van de Kantonrechter is dit verzoek in strijd met artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (BRv). Evenwel zal de Kantonrechter om proceseconomische redenen het verzoek van eiseres toestaan, nu gedaagde niet in haar verweer wordt geschaad.
    (Art. 1615e lid 1 en 2 BW, art. 109 BRv.)

    SJB dec. 2018 no. 3

Uitspraak

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 172569
5 oktober 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

Rosebel Gold Mines N.V.,
wonende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hiernavolgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  •  Het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 12 juni 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.  De feiten
2.1 Partijen hebben op 14 april 2015 een arbeidsovereenkomst gesloten met elkaar voor de duur van 6 maanden en dus eindigende op 13 oktober 2015.

2.2 Partijen hebben voormelde overeenkomst schriftelijk voortgezet en verlengd met ingang van 14 oktober 2015 voor de duur van 6 maanden en eindigende op 13 april 2016.

2.3 Partijen hebben voormelde overeenkomst wederom schriftelijk voortgezet en verlengd voor de duur van 12 maanden gedurende de periode van 14 april 2016 tot en met 13 april 2017.

2.4 Gedaagde heeft eiseres in maart 2017 medegedeeld dat de tussen partijen bestaande overeenkomst niet zal worden voortgezet en dat het dienstverband tussen partijen op 13 april 2017 eindigt.

3.  De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagde om eiseres maandelijks haar loon met alle bijbehorende emolumenten uit te betalen inclusief de verhoging ex artikel 1614q BW en de wettelijke rente, vanaf 14 april 2017 totdat de dienstbetrekking tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

3.2 Eiseres stelt dat de dienstbetrekking tussen partijen eenzijdig is beëindigd door gedaagde en dus niet ingevolge de wet. Gedaagde heeft geen ontslagvergunning om de dienstbetrekking te beëindigen en evenmin een gerechtvaardigde reden daarvoor. Daarnaast heeft gedaagde ook geen reden aan eiseres opgegeven voor het ontslag.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt voor zover nodig terug op dat verweer in de beoordeling.

4.  De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 In het onderhavige geval dient de rechtsvraag te worden beantwoord of de dienstbetrekking tussen partijen al dan niet van rechtsweg is beëindigd.
Om deze vraag te beantwoorden zal eerst worden nagegaan op welke wijze de wetgever dit onderwerp heeft geregeld. Daarnaast dient in acht te worden genomen de feiten en omstandigheden die in casu aan de orde zijn.
Artikel 1615e van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt het volgende:
“1. De dienstbetrekking eindigt van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken, bij overeenkomst of reglement of bij wettelijk voorschrift, of bij gebreke daarvan, door het gebruik bepaald.
2.  Voorafgaande opzegging is in dit geval alleen nodig:
1˚. indien zulks bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement is bedongen;
2˚. indien volgens wettelijk voorschrift of volgens gebruik, ook bij vooraf bepaalde duur opzegging behoort plaats te hebben, en partijen daarvan niet, waar zulks geoorloofd is, bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement zijn afgeweken.
3˚. indien de dienstbetrekking ingevolge artikel 1615f geacht wordt voor een bepaalde tijd te zijn voortgezet”.

4.2.1 Artikel 1615e lid 1 bepaalt onder meer dat de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, wanneer de tijd is verstreken bij overeenkomst bepaald. In lid 2 van hetzelfde artikel is bepaald onder welke omstandigheden voorafgaande opzegging nodig is. In het onderhavige geval hebben partijen de arbeidsovereenkomst tweemaal uitdrukkelijk verlengd voor bepaalde tijd, en wel voor het laatst voor de duur van 12 maanden gedurende de periode van 14 april 2016 tot en met 13 april 2017.
Met inachtneming van artikel 1615e lid 1 BW betekent dit dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt na het verstrijken van de tijd waarvoor de overeenkomst is aangegaan, tenzij één van de situaties in lid 2 van hetzelfde artikel aan de orde is.
Gesteld en evenmin is gebleken dat van het laatste sprake is, zodat aannemelijk is dat de litigieuze arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 13 april 2017.

4.3 Eiseres beroept zich op jurisprudentie van de Hoge Raad en Surinaamse Rechtspraak ter verdediging van haar standpunt. Eiseres legt hierbij hierover een vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 13 augustus 2015 bekend onder AR no. 15-2707.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de feiten in het hiervoor genoemd vonnis niet identiek aan de feiten in de onderhavige zaak. Voormeld vonnis heeft betrekking op een arbeidsovereenkomst die stilzwijgend is verlengd, terwijl in de onderhavige zaak er sprake is van een uitdrukkelijke voortzetting van de arbeidsovereenkomst.
Het beroep van eiseres op voormeld vonnis faalt derhalve. De kantonrechter gaat voorbij aan het beroep van eiseres op jurisprudentie van de Hoge Raad en literatuur, nu zij heeft nagelaten om de door haar genoemde documenten over te leggen.

4.4 Eiseres heeft bij conclusie van repliek gevorderd haar eis te wijzigen, in dier voege dat haar wordt toegestaan om enkele alinea’s toe te voegen aan haar verzoek.
Naar het oordeel van de kantonrechter is dit verzoek in strijd met artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv). Immers, het verzoek van eiseres heeft tot gevolg dat het onderwerp van eis wordt veranderd hetgeen niet is toegestaan in artikel 109 BRv. Evenwel zal de kantonrechter om proceseconomische redenen het verzoek van eiseres toestaan, nu gedaagde niet in haar verweer wordt geschaad.

4.5 Eiseres doet een beroep op artikel 8 lid 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst. In dit artikel is zover van belang het volgende opgenomen:
“……4. Werknemers die een dienstbetrekking voor bepaalde tijd hebben, verkrijgen na twee (2) jaar onafgebroken dienstverband, een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd….”.
De kantonrechter begrijpt deze bepaling zo dat indien eiseres “langer” dan twee jaar (onafgebroken) in dienst was van gedaagde, zij een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd zou verkrijgen.
Tussen partijen staat rechtens vast dat de arbeidsovereenkomst tussen hen is aangevangen op 14 april 2015 en, na twee keren uitdrukkelijk te zijn verlengd, beëindigd is op 13 april 2017.
Op 13 april 2017 was eiseres dus twee jaar onafgebroken in dienst van gedaagde. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter komt eiseres pas een beroep toe op de hiervoor genoemde bepaling (artikel 8 lid 4) van de collectieve arbeidsovereenkomst indien gedaagde besloten had de arbeidsovereenkomst met haar voort te zetten. Immers, pas dan zou zij “langer” dan twee jaar in dienst zijn van gedaagde.
Nu dit niet het geval is faalt het beroep van eiseres op voormelde bepaling.

4.6 De door eiseres gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd een en ander zoals hiervoor overwogen.

4.7 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.8 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen.

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Eerste Kanton van donderdag 5 oktober 2017 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. A.Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin  w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

w.g. A. Charan