SRU-K1-2017-21

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-094497
  • Uitspraakdatum 10 januari 2017
  • Publicatiedatum 12 september 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Onrechtmatige daad. Eiser doet het verzoek tot betaling van materiele – en immateriële schade omdat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de materiele schade toe. De vordering van immateriële schade wordt niet toewijsbaar geacht omdat naar oordeel van de kantonrechter deze niet voldoende is gemotiveerd.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 09-4497
10 januari 2017

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

Texaco Caribbean Incorporated, thans geheten
Chevron Caribbean Incorporated, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: thans mr. H.R. Lim A Po, Jr.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

a) het verzoekschrift dat op 15 oktober 2009 met producties ter griffie der kantongerechten is ingediend;
b) de mondelinge conclusie van eis;
c) de conclusie van antwoord;
d) de conclusie van repliek, met producties;
e) de conclusie van dupliek;
f) het bij rolbeschikking gelasten van een comparitie van partijen;
g) het proces-verbaal van de op 20 januari 2014 gehouden comparitie van partijen;
h) de conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens eiser;
i) de conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens gedaagde.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bij vervroeging nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser heeft in een schrijven d.d. 22 januari 2001 aan de Directeur van Texaco te kennen gegeven dat hij al jaren erg veel last heeft van verwerkte smeerolie afkomstig van het Texaco Service Station aan de [weg], dat toentertijd werd beheerd door dealer [naam]. In dit schrijven is tevens vermeld waar de last uit bestaat:

  • verwerkte olie kwam via het riool naar boven en is op het gehele erf terecht gekomen;
  • uit het washok, de badkamers en de toilettenafvoer kwam een sterke olie stank, alsook olie;
  • het erf is verzadigd geraakt waardoor er niets meer groeit en de bestaande beplanting is verdord;
  • de verflaag van de omrastering is door de olie op een bepaalde hoogte weggevreten.

Eiser heeft in dit schrijven verklaard dat de herstelkosten US$ 16.093,18 bedragen.

2.2 Eiser heeft bij schrijven d.d. 26 maart 2001 gericht aan de Directeur van Texaco wederom aandacht gevraagd voor de onderhavige kwestie.

2.3 Bij schrijven d.d. 30 maart 2001 heeft de vice president van Texaco Caribbean Inc. eiser doen weten dat het management van Texaco bereid is tot het betalen van het door hem gevorderd bedrag ad US$ 16.095,00 mits alle leden van het gezin een zogeheten “release” ondertekenen. Eiser is bij dit schrijven ook meegedeeld dat mr. F. Kruisland, juridisch adviseur van het bedrijf, is geïnstrueerd om de “release” te concipiëren en daarover in contact te treden met eiser.

2.4 Mr. F. Kruisland heeft een schrijven d.d. 19 april 2001 gericht aan eiser bij welk schrijven hij eiser een Nederlandse versie van een vaststellingsovereenkomst en schikking heeft doen toekomen met het verzoek die te ondertekenen. In dit schrijven is aan eiser meegedeeld dat de voor hem bestemde cheque voor het in de overeenkomst vermeld bedrag te zijner beschikking is op het kantoor van mr. Kruisland.

2.5 De procesgemachtigde van eiser heeft een schrijven d.d. 2 oktober 2001 gericht aan mr. F. Kruisland, advocaat, in welk schrijven er melding van is gemaakt dat eiser bereid is het door de Texaco aangeboden bedrag ad US$ 16.095,00 voor de materiële schade te ontvangen.
In voornoemd schrijven is er melding van gemaakt dat middels voornoemd bedrag de schade die eiser lijdt als gevolg van de wateroverlast met daarin vermengd de olie die door gedaagde gedurende zekere tijd in de riolering is geloosd, niet is teniet gedaan.
In dit schrijven is tevens verklaard dat zijns inziens ten aanzien van de kwantificering van de vergoeding van de immateriële schade geleden door eiser en zijn gezin overeenstemming moet worden bereikt.

2.6 In een taxatierapport d.d. 1 september 2009, opgesteld door A. Ajodhia, beëdigd makelaar-taxateur, is verklaard dat de vrijwillige verkoopwaarde van het pand inclusief perceelland op in voormeld taxatierapport aangegeven gronden, is gesteld op US$ 567.050.
Tevens is door hem verklaard dat, gelet op de negatieve consequenties die veroorzaakt is door een ondergrondse olielekkage van een pompstation, kan worden gesteld dat er een waardevermindering ontstaat die ongeveer 30% bedraagt over de economische waarde bij de momentopname, derhalve bedragend US$ 170.115.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. voor recht te verklaren dat gedaagde zich jegens eiser onrechtmatig heeft gedragen;
B. gedaagde te veroordelen tot betaling van:

  • US$ 16.095,00, zijnde de reeds vastgestelde kosten ter beperking van de geleden schade;
  • US$ 170.115,00 zijnde de geleden materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, te rekenen van de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening;
  • US$ 3.000.000,00 zijnde de geleden immateriële schade, althans een door de kantonrechter te bepalen redelijk bedrag;
  • US$ 5.000,00 voor iedere dag of keer dat gedaagde weigeren mocht aan het veroordeelde onder B gevorderde te voldoen.

C. eiser te gunnen te mogen procederen volgens het certificaat van onvermogen B.v.R. [nummer 1].

3.2 Eiser heeft, zakelijk weergegeven, het navolgende aan de vordering ten grondslag gelegd.
Eiser heeft gesteld dat gedaagde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld doordat brandstof en olieproducten afkomstig van gedaagde, althans van een onder het beheer van gedaagde zijnd service station, de grond van eiser heeft vervuild en verontreinigd.
Eiser heeft als gevolg van de onrechtmatige daad van gedaagde schade geleden. Gedaagde is gehouden de schade te vergoeden, aldus eiser.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter komt, indien nodig, in de beoordeling terug op het verweer.

4. De beoordeling

4.1 Eiser heeft als productie bij zijn verzoekschrift gevoegd een certificaat van onvermogen [nummer 1] afkomstig van het Hoofd van het Bureau Rechtszorg van het Ministerie van Justitie en Politie. Hem zal derhalve toestemming worden verleend kosteloos te procederen.

4.2.1 Gedaagde heeft allereerst aangevoerd dat het exploot van oproeping nietig is, aangezien zij niet te Paramaribo is gevestigd.

4.2.2 Overwogen wordt dat, ook indien het exploot nietig zou zijn, het beroep daarop ingevolge artikel 93 van het Burgerlijk Wetboek zal worden verworpen, aangezien gedaagde ter terechtzitting is verschenen en er derhalve naar dezerzijds oordeel geen onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de identiteit van gedaagde. Gedaagde heeft daarnaast, ter terechtzitting verschenen zijnde, de gelegenheid gekregen zich ten aanzien van de vordering te verweren, zodat zij niet in haar verdediging is geschaad.

4.3.1 Gedaagde heeft in de conclusie van antwoord als verweer aangevoerd dat eiser in het inleidend rekest niet heeft vermeld waar het door hem bedoeld servicestation is gesitueerd, zodat gedaagde in haar verdediging ernstig is geschaad.

4.3.2 De kantonrechter gaat aan dit verweer van gedaagde voorbij. Uit de tussen eiser en gedaagde gevoerde correspondentie alsook uit het door gedaagde aan eiser aangeboden vaststellingsovereenkomst – welke stukken bij het inleidend verzoekschrift als productie zijn overgelegd – blijkt immers dat het betreft het service station gelegen aan de [weg] [nummer 2].

4.4.1 Gedaagde heeft verder als verweer aangevoerd dat zij het betreffend service station sedert 1 februari 1994 heeft verhuurd en in exploitatie gegeven aan [naam] die conform de met hem gesloten huur- en exploitatieovereenkomst verantwoordelijk en aansprakelijk is voor alle gedragingen ten opzichte van en ten aanzien van derden, welke in of vanuit dat service station zouden hebben plaatsgehad. Aangevoerd is dat gedaagde niet aansprakelijk is.

4.4.2 Allereerst wordt geconstateerd wordt dat, gelijk onder de feiten is vermeld, gedaagde zich bereid heeft verklaard de kosten voor herstel aan eiser te vergoeden. Daarnaast wordt geconstateerd dat de eiser heeft gesteld dat de door hem ondervonden last een periode van bijkans dertig jaar bestrijkt, welke periode langer is dan die waarin gedaagde een overeenkomst zou hebben met genoemde exploitant.
Daarnaast wordt geconstateerd dat gedaagde ter comparitie heeft verklaard dat de schade aan de buurtgenoten in onderling overleg is vergoed. Zulks leidt tot de conclusie dat het onder deze omstandigheden onrechtmatig is de door eiser geleden schade niet te vergoeden. Immers, eiser maakt er in zijn schrijven d.d. 22 januari 2001 melding van dat meerdere kolkenzuigers vol olie uit het rioleringssysteem zijn getrokken, alsook dat de aan hem toebehorende grond verzadigd is met olie dan wel olieproducten.
Gedaagde heeft het door eiser gestelde ontkend en betwist, doch heeft dit zonder enige motivering gedaan, zodat daaraan wordt voorbij gegaan.
Overwogen wordt tevens dat bekend moge worden verondersteld dat voor het doen verzadigen van de grond vereist is dat een grote hoeveelheid van de vloeistof in de grond terecht is gekomen. Nu het service station van gedaagde zich in de zeer nabij omgeving van de woning van eiser bevindt, en het een feit is van algemene bekendheid dat service stations grote hoeveelheden olie en olieproducten opslaan, meestal ondergronds, concludeert de kantonrechter dat de olie(producten) die op het terrein van eiser zijn terechtgekomen afkomstig zijn van het aan gedaagde toebehorend service station.
Naar dezerzijds oordeel is gedaagde dan ook gehouden de door eiser geleden schade te vergoeden.

4.5 Gedaagde heeft de door eiser gestelde materiële schade niet gemotiveerd betwist, zodat het ten aanzien daarvan gevorderd bedrag ad US$ 16.095,00 zal worden toegewezen.

4.6.1 Gedaagde heeft ten aanzien van de door eiser gestelde waardedaling van het pand inclusief perceel aangevoerd dat het door eiser overgelegd deskundigenrapport totaal ondeugdelijk is vanwege het feit dat de opsteller daarvan als makelaar in onroerend goed niet de minste notie heeft van vruchtbaarheid van de grond, een bodemstructuur, grondverzakking, brandrisico, benzinegeuren en de aard van rioleringen; de opsteller heeft zulks evenwel gebruikt als parameters voor de verstrekking van de waardedaling.

4.6.2 Overwogen word dat het een feit van algemene bekendheid is dat de aanwezigheid van olie en olieproducten een verhoogd brandrisico met zich meebrengt, alsook dat de aanwezigheid van grote hoeveelheden vloeistof in de grond een invloed heeft op de structuur van de bodem en een gevaar in zich draagt voor het ontstaan van verzakkingen in de grond. Het behoeft geen betoog dat zulks de waarde van het onroerend goed doet dalen. Nu de opsteller van het rapport deze factoren heeft meegenomen in de bepaling van de waardevermindering van het aan eiser toebehorend goed, is zulks naar dezerzijds oordeel terecht geschiedt. Het door de taxateur vastgestelde percentage wordt redelijk geacht, zodat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van US$ 170.115,00.
Ten aanzien van de over dit bedrag gevorderde wettelijke rente wordt overwogen dat de wettelijke rente een vergoeding is van de schade ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom. Nu gedaagde eerst bij de uitspraak van dit vonnis het gevorderd bedrag verschuldigd wordt, is van een vertraging in de betaling vooralsnog geen sprake, zodat de gevorderde wettelijke rente niet toewijsbaar wordt geacht.

4.7 De kantonrechter constateert dat eiser de vordering aan immateriële schade heeft gemotiveerd door te stellen dat hij door de geur van de olie(producten) levensvreugde heeft gederfd en de gezondheid van de gezinsleden nadelig is beïnvloed.
Naar dezerzijds oordeel is zulks onvoldoende om het aan immateriële schade gevorderd bedrag te kunnen dragen, zodat dit deel van de vordering niet toewijsbaar wordt geacht.

4.8 Gelet op het onder 4.5 en 4.6 overwogene zal gedaagde worden veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag ad US$ 186.210,00 (US$ 16.095,00 + US$ 170.115,00). Ten aanzien van de gevorderde dwangsom wordt overwogen dat zulks gelet op artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet toewijsbaar is nu de veroordeling betreft de betaling van een geldsom.

4.9 Gedaagde zal, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Staat eiser toe kosteloos te procederen.

5.2 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de totaalsom ad US$ 186.210,00 (eenhonderd zesentachtigduizend tweehonderd en tien Noord-Amerikaanse dollar).

5.3 Verklaart het onder 5.2 van dit vonnis bepaalde uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 135.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Jensen en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 10 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.