SRU-K1-2019-26

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-193863
  • Uitspraakdatum 12 december 2019
  • Publicatiedatum 18 december 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Eisers vorderen verbod van toepassing van de wijziging van de Kiesregeling. Zij stellen dat deze in strijd is met het AVRM, het BUPO-verdrag en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het verweer van gedaagde dat dat de kantonrechter niet kan toetsen aan de in deze zaak betreden wetswijzigingen slaagt. De vordering wordt afgewezen.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-3863
12 december 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

A. DE POLITIEKE VERENIGING PARTIJ VOOR RECHT EN ONTWIKKELING, afgekort PRO,
B. DE POLITIEKE VERENIGING SETI SRANAN POLITIEKE PARTIJ, afgekort SSPP,
C. DE POLITIEKE VERENIGING STREI!,
D. DE POLITIEKE VERENIGING ALTERNATIEF 2020,
allen gevestigd te Paramaribo,
eisers,
gemachtigden: mr. J.M. Nibte, mr. G.R. Sewcharan en mr. A.C.A. Karg, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 15 oktober 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met de producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 17 oktober 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 De Kiesregeling van 1987 zoals zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1987 no. 70, S.B. 1987 no. 71, S.B. 1987 no. 83, S.B. 1987 no. 84, S.B. 2005 no. 6, bepaalt in artikel 7 onder de kop “POLITIEKE ORGANISATIES”:
“Voor de toepassing van deze wet wordt als politieke organisatie mede beschouwd een kombinatie van politieke organisaties, welke met het oog op deelname aan algemene, vrije en geheime verkiezingen is gevormd, mits deze kombinatie bestaat uit politieke organisaties die voldoen aan de in het ”Decreet Politieke Organisaties” gestelde vereisten en niet van deelneming aan verkiezingen zijn uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van bedoeld decreet.”

2.2 Na wetswijziging bij S.B. 2019 no. 55 wordt artikel 7 van de Kiesregeling als volgt gelezen:
“Voor de toepassing van deze wet wordt als politieke organisatie beschouwd een organisatie welke voldoet aan de in het ”Decreet Politieke Organisaties” gestelde vereisten en niet van deelneming aan verkiezingen is uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van het eerder genoemde decreet.”

2.3 Onder hoofdstuk VII, “De registratie van politieke organisaties en de wijze van kandidaatstelling voor de verkiezing van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen”, zijn bij S.B. 2019 no. 54 in artikel 31 wijzigingen aangebracht, onder meer de toevoeging van drie nieuwe leden 5, 6 en 7 als volgt:

5. Aan de registratie als bedoeld in lid 4 is een waarborgsom verbonden. Bij staatsbesluit wordt de hoogte van de waarborgsom vastgesteld.

6. De betaalde waarborgsom als bedoeld in lid 5 wordt gerestitueerd binnen dertig dagen:
a. nadat de uitslag van de verkiezingen bindend is verklaard, en
b. indien de politieke organisatie tenminste één zetel in één van de volksvertegenwoordigende organen heeft behaald of het totaal aantal door de politieke organisatie behaalde stemmen op kandidaten voor De Nationale Assemblée gelijk is of meer bedraagt dan 1% van het totaal aantal kiesgerechtigden.

7. De hoogte van de waarborgsom is gelijk aan 1% van het aantal kiesgerechtigden vermenigvuldigd met SRD 25, -.

2.4 In artikel 61 van de Grondwet (hierna Gw), S.B. 1992 no. 38 is bepaald dat:

1. De Nationale Assemblée bestaat uit 51 leden die per district op grond van algemene, vrije en geheime verkiezingen krachtens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging bij grootste gemiddelde en voorkeursstemmen worden gekozen.
2. Personen, die zich in een district kandidaat hebben gesteld ter verkiezing tot afgevaardigde naar De Nationale Assemblée moeten in het desbetreffende district wonen en hun hoofd- of, werkelijk verblijf aldaar hebben en wel gedurende twee jaren voorafgaand aan de verkiezingen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde verbiedt om artikel I sub B en sub D van de wet nadere wijziging Kiesregeling te hanteren of toe te passen bij uitvoering van alle rechtshandelingen en feitelijke gedragingen die betrekking hebben op de algemene, vrije en geheime verkiezingen van leden van volksvertegenwoordigende lichamen in het kalenderjaar 2020, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan;

II. de werking van artikel I sub B en sub D van de wet nadere wijziging Kiesregeling opschort, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan;

III. alle organen van gedaagde die bij de verkiezingen betrokken zijn in ieder geval de President van de Republiek Suriname, het Centraal Hoofdstembureau, de Hoofdstembureaus in alle districten en het Onafhankelijk Kiesbureau veroordeelt om het te wijzen vonnis te gehengen en gedogen;

IV. e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000.000, – voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met deze beslissingen handelt en voorts met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eisers leggen kort gezegd aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde door de aanname, publicatie en toekomstige toepassing van de Wet van 23 mei 2019, houdende wijziging van het Decreet Politieke Organisaties (S.B. 1987 no. 61), S.B. 2019 no 54 en de Wet van 23 mei 2019, houdende nadere wijziging van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2010 no. 29), S.B. 2019 no. 55 in strijd handelt met de artikelen 1 lid 1, 8 lid 2, 52, 53 en 60 Gw, artikel 23 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens, AVRM, artikel 25 van het Verdrag Burger- en Politieke Rechten en fundamentele beginselen specifiek de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eisers beroepen zich op artikel 60 jo artikel 83 lid 3 Gw en stellen dat niet aan het vereiste van twee-derde meerderheid is voldaan voor het geldend kunnen verklaren van de besluiten tot wijziging van genoemde wetten. Ook zijn de wijzigingen in werking getreden zonder overgangsbepaling, wat een inbreuk is op de door gedaagde in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur, in deze ten aanzien van nieuwe politieke partijen, onder wie eisers. De aangebrachte wijzigingen hebben hen voorts de mogelijkheid ontnomen om door middel van politieke combinaties aan de verkiezingen deel te nemen. Introductie van de waarborgsom daarbij is niet alleen ongrondwettig en in strijd met geldende opvattingen over het partijlidmaatschap, maar ontbeert ook de nodige corresponderende bepalingen ter uitvoering van de betreffende wijzigingen in de Kiesregeling.

3.3 Gedaagde voert verweer en concludeert – samengevat – tot afwijzing van de gevraagde voorziening, omdat artikel 80 Gw, S.B. 1992 no. 38, de inhoudelijke toetsing van formele wetten aan de Grondwet door de rechter uitsluit. Dit toetsingsverbod wordt in het onderhavig geschil niet beperkt door de werking van artikel 137 Gw, omdat de in de Kiesregeling aangebrachte wijzigingen niet in strijd zijn met een of meer grondrechten als genoemd in hoofdstuk V van de Grondwet. Gedaagde onderbouwt zijn standpunt dat artikel 106 Gw geen toepassing vindt onder meer met het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1961, NJ 1963, 248, waarin kort gezegd is bepaald dat uitleg van wetten uitsluitend aan de wetgever toekomt en aan de beoordeling van de rechter is onttrokken. Geen verschil wordt gemaakt tussen de vraag of de inhoud van de wet in overeenstemming is met de wet en de vraag of bij de totstandkoming van de wet de voorgeschreven procedure in acht is genomen. In de gewijzigde Kiesregeling is volgens gedaagde de herdefinitie van het begrip politieke organisatie bepaald, wat geen verband houdt met het kiesrecht noch een beperking daarvan behelst. Op die grond kon voor de wijzigingen bij gewone meerderheid beslist worden. De introductie van de waarborgsom brengt geen hogere beperking dan de 1% regeling met zich voor wat het passief kiesrecht betreft. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat thans juist een meer toegankelijke deelname aan verkiezingen te behalen is. De waarborgsom wordt na de verkiezingen gerestitueerd indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zullen eisers worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kantonrechter overweegt allereerst dat het door gedaagde bij dupliek gevoerd formeel verweer geen doel treft, omdat uit het verzoekschrift (onder 1.) voldoende blijkt dat eisers zich deugdelijk als politieke organisaties hebben gesteld. De conclusie van dupliek is bedoeld om te reageren op hetgeen bij repliek door eisers naar voren is gebracht en niet om een nieuw verweer naar voren te brengen, tenzij sprake is van zodanige feiten en/of omstandigheden die een redelijke verklaring kunnen vormen voor het pas bij dupliek naar voren gebrachte nieuw verweer. Gedaagde stelt dat verificatie van de politieke organisaties – eisers – niet is gebleken. Dat eisers rechtspersoonlijkheid bezittende politieke organisaties zijn volgens het Decreet Politieke Organisaties wordt door gedaagde daarom ontkend en geconcludeerd wordt tot niet ontvankelijkheid van eisers.
Als gedaagde dit verweer bij antwoord had gevoerd, waren eisers in de gelegenheid geweest daarop bij repliek in te gaan zodat het debat daarover tussen partijen was gevoerd in re- en dupliek. De wijze van procederen door zijn nieuw verweer niet reeds bij antwoord naar voren te brengen is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook in strijd met eisen van een goede procesorde. Aan dit nieuw verweer wordt daarom voorbij gegaan.

4.3 De Kiesregeling is een wet in formele zin. Buiten twijfel staat dat het materiële toetsingsrecht, d.i. het onderzoek of de inhoud van de wet verenigbaar is met de Grondwet, aan de kantonrechter niet toekomt. In artikel 12 van de Wet Algemene Bepalingen der Wetgeving van Suriname (G.B. 1868 no. 14), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij G.B. 1893 no. 35, G.B. 1914 no. 32, G.B. 1918 no. 28, S.B. 1975 no. 1¬71, is bepaald dat de rechter volgens de wettelijke regelingen moet recht-spreken; hij mag in geen geval haar innerlijke waarde of billijkheid beoordelen.
Voorts behelst het formele toetsingsrecht het onderzoek of een regeling die het uiterlijk van een wet draagt is tot stand gekomen met inachtneming van de procedure door de Grondwet voorgeschreven. In artikel 60 Gw is neergelegd dat alles wat verder het kiesrecht betreft, de instelling van een onafhankelijk kiesbureau en zijn bevoegdheden, de indeling van Suriname in kiesdistricten, de verdeling van de zetels van De Nationale Assemblée per kiesdistrict en de methoden, volgens welke de regeling van de zeteltoewijzing plaatsvindt, worden geregeld bij wet. Deze wet dient met 2/3 meerderheid te worden aangenomen. Eisers stelling in dit verband is dat op grond van artikel 60 Gw de wijziging van de Kiesregeling door middel van een ongrondwettige procedure tot stand gekomen is. Het partijdebat concentreert zich daarbij op vragen over juridische semantiek en syntactische grammatica die de uitleg van het artikel bepalen dan wel zouden moeten bepalen. Beantwoording van deze vraag vergt evenwel formele toetsing. Artikel 80 lid 2 Gw ontneemt aan de kantonrechter de bevoegdheid tot formele toetsing, zoals ook door gedaagde in zijn verweer aangevoerd. Ten aanzien van de inhoud van formele wetten – in casu de aangebrachte wijzigingen in de Kiesregeling en het decreet Politieke Organisaties – geldt om die reden een toetsingsverbod aan de kantonrechter. Uitgangspunt voor uitleg van en aanknopingspunten voor toetsingsbevoegdheid dan wel toetsingsverbod vinden hun oorsprong in de context van de wetsgeschiedenis, zie arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1961, NJ 1963, 248 als volgt:

“dat blijkens de geschiedenis van zijn totstandkoming het tweede lid van het tegenwoordige artikel 131 van de Grondwet bedoelt uit te drukken dat, zoals het voorlopig verslag van de 2e Kamer dit destijds omschreef, ‘zolang de wetgeving niet tussen beide treedt, de geldigheid der wetten boven alle bedenking verheven moet zijn en dus ook geen andere macht in den Staat de bevoegdheid heeft om een bestaande wet op grond van vermeende strijdigheid met de Grondwet of iets dergelijks aan te randen’;
dat hieruit volgt dat de grondwetgever het oordeel over de vraag, met welke bepalingen van de Grondwet bij het tot stand brengen der wetten moet worden rekening gehouden en hoe die bepalingen moeten worden uitgelegd en toegepast, uitsluitend heeft willen doen toekomen aan den wetgever zelf en dus aan de beoordeling door den rechter heeft willen onttrekken;
dat daarbij geen reden bestaat verschil te maken tussen de vraag of de inhoud ener wet in overeenstemming is met de Grondwet, en die of bij de totstandkoming der wet de door de Grondwet voor de wetsvorming voorgeschreven procedure in acht is genomen, daar het antwoord op beide vragen afhankelijk is van de beoordeling van de wijze waarop bij den wetgevenden arbeid de bepalingen van de Grondwet zijn uitgelegd en toegepast door de organen, aan welke de wetgevende macht door den grondwetgever is toevertrouwd;”

In zijn arrest van 14 april 1989, NJ 1989, 469 handhaaft de Hoge Raad deze uitleg:

“Verweerders hebben niet met zoveel woorden betoogd dat, gezien de geschetste gang van zaken, de wijze van totstandkoming van de wet als ongrondwettig moet worden bestempeld. Ook al zou dit de strekking van hun betoog zijn, dan zou de rechter daaraan geen consequenties kunnen verbinden. In het Nederlandse staatsbestel staat het volgen van de grondwettige procedure bij de totstandbrenging van een wet in formele zin niet ter beoordeling van de rechter. (…) Het verbod van beoordeling van de innerlijke waarde van een wet geldt voor de wet in materiele zin. De rechter mag een lagere wet toetsen op eventuele strijd met hogere (geschreven en soms ongeschreven) rechtsregels, maar ook bij lagere wetten mag hij niet treden in de innerlijke waarde daarvan (…).”

4.4 Uit de Memorie van Toelichting, S.B. 1992 no. 38, houdende wijziging van de Grondwet van de Republiek Suriname, blijkt dat de uitleg van de Hoge Raad in het hiervoor aangehaald arrest aansluit bij de bedoeling van de Surinaamse wetgever. Dit komt tot uitdrukking in de toelichting ten aanzien van de instelling van het Constitutioneel Hof:

“Binnen het staatsrechtelijk bestel dat in de Grondwet is neergelegd, kunnen de werkzaamheden van het Constitutioneel Hof niet van wetgevende aard zijn, daar wetgeving een gezamenlijke politieke activiteit van Assemblée en Regering is (…) maar anderzijds evenmin van rechtsprekende aard, daar deze justitiële activiteit voorbehouden is aan de Rechterlijke Macht”
(…)
“ Derhalve zal het Constitutioneel Hof (…) dat wel de bevoegdheid moet hebben om bij geconstateerde strijdigheid met de Grondwet, de wet of bepalingen daarvan onverbindend te verklaren, het aan de Wetgever overlatend om de gewraakte wet of bepaling te wijzigen of in te trekken, en aan de rechter overlatend om in concrete gevallen recht te spreken. Het één en ander is in het onderhavige ontwerp (artikel 144, nieuw) in deze zin geregeld (…). Het Constitutioneel Hof als Juridisch toetsingsorgaan zal zich in de eerste plaats met de ”(abstracte) normtoetsing” dienen bezig te houden: het toetsen van de inhoud van wetten of gedeelten daarvan op verenigbaarheid met bepalingen van de Grondwet of van geldende verdragen en overeenkomsten met volkenrechtelijke organisaties (artikel 144 lid 2 sub a). Vermits deze ”materiële toetsing” in strijd is met de bepaling, dat de wetten onschendbaar zijn (artikel 80 lid 2), is een omissie in de Grondwet weggemaakt en is dit artikel dienovereenkomstig aangepast (…). De constitutionele toetsingsbevoegdheid houdt geen “formele toetsing” in: niet nagegaan mag worden, of ten aanzien van totstandkoming van de wet de daarvoor geldende procedure-voorschriften zijn nageleefd, aangezien deze bevoegdheid alleen aan de Assemblée is voorbehouden.”

4.5 Het verweer van gedaagde slaagt. Op grond van voorgaande overwegingen wordt niet aan toetsing van de totstandkoming noch van de innerlijke waarde en billijkheid van de in deze zaak bestreden wetswijzigingen zoals hiervoor onder 2.1 tot en met 2.3 aangehaald toegekomen.

4.6 De vordering keert zich voorts tegen toepassing van de gewijzigde wetten op eisers. Door het van kracht worden van de gewijzigde wetten per 23 mei 2019, hebben eisers – zo stellen zij – als nieuwe politieke organisaties anders dan uit artikel 61 lid 2 Gw voortvloeit niet een termijn van twee jaren ter beschikking om aan de voorwaarden tot kandidaatstelling te voldoen. Volgens eisers klemt dit temeer, omdat in de bestreden wetswijzigingen niet in overgangsbepalingen is voorzien. Gedaagde voert in dit verband als verweer dat in het verleden vaker, en korter voor de verkiezingen, ingrijpende wijzigingen van de Kiesregeling hebben plaatsgevonden zonder gekwalificeerde meerderheid. Voor zover gedaagde hiermee heeft bedoeld feiten en omstandigheden van eenzelfde strekking als hiervoor overwogen te benoemen, heeft dit verweer door zijn eerder ingenomen standpunt over de toetsingsonbevoegdheid van de kantonrechter thans geen plaats, nu ook ten aanzien van dit verweer heeft te gelden dat aan de kantonrechter daartoe de toetsingsbevoegdheid ontbreekt. Het verweer van gedaagde wordt daarom verworpen.

4.7 Eisers beroepen zich op artikel 8 lid 2 van hoofdstuk V Gw waarin onder meer is neergelegd dat niemand op grond van zijn politieke overtuiging en economische positie gediscrimineerd mag worden. Voor zover eisers zich gediscrimineerd duiden door de introductie van de wetswijzigingen als hiervoor overwogen, is het nodig de belangen van eisers tegenover de belangen van overige deelnemers aan de verkiezingen af te wegen. Eisers onderscheiden zich in hun stellingen zodanig ten opzichte van laatstgenoemden dat deze, anders dan eisers, door de geïntroduceerde waarborgsom niet belemmerd worden in hun deelname aan de verkiezingen, omdat zich onder hen kapitaalkrachtige organisaties zouden bevinden. Deze ongelijkheid wordt volgens eisers verder vergroot door het zogenoemde combinatieverbod, d.i. het wegvallen van de mogelijkheid een combinatie van politieke partijen aan te gaan vóór deelname aan de verkiezingen, wat eisers juist de mogelijkheid zou bieden het nadeel van de waarborgsom te mitigeren. Bedoelde stellingen van eisers zijn erop gericht, zo begrijpt de kantonrechter, dat zij toepassing van de wetswijzigingen daarom strijdig oordeelt met artikel 8 lid 2 Gw en de toepassing voor het onderhavig geval ongeoorloofd verklaart.

4.8 Een specifieke interpretatie van het begrip ‘politieke overtuiging’, ruimer dan het lidmaatschap van een politieke partij, vakvereniging of andere identiteitsgebonden organisaties, is niet voorhanden. Wel oordeelde het Europees Hof in ASLEF/ Redfearn dat vrijheid van vereniging nauw aansluit bij de vrijheid van overtuiging. Eerder (Young/ James and Webster) stelde het Hof reeds dat artikel 11 EVRM (vrijheid van vergadering en vereniging) ondanks zijn autonome rol en specifieke toepassingssfeer beoordeling vindt in het licht van de artikelen 9 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst) en 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). Deze drie artikelen delen de doelstelling de persoonlijke overtuiging te beschermen. Eisers hebben naast hun stellingen over de ontoereikende financiële middelen van nieuwe politieke organisaties en het mitigeren van de effecten van de waarborgsom geen specifiek standpunt ingenomen dat betrekking heeft op de eigen politieke overtuiging. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat eisers’ stellingen zich niet primair richten tegen discriminatie op grond van politieke overtuiging. Voor zover eisers met hun stellingen discriminatie op grond van economische positie hebben beoogd gaat de kantonrechter hieraan voorbij nu zij hebben nagelaten in rechte die concrete feiten aan te voeren die een dergelijk onderscheid aannemelijk maken.

4.9 Tussen partijen is onweersproken dat de registratie door de politieke organisaties voor deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2020, ex artikel 31 Kiesregeling, uiterlijk op 21 maart 2020 moet hebben plaatsgevonden en de kandidaatstelling voor volksvertegenwoordigende lichamen op uiterlijk 09 april 2020. Eisers stellen dat sprake is van een inbreuk op het gelijkheids-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel jegens hen en zij bovendien als gevolg van de van kracht zijnde wetswijzigingen over een significant kortere termijn beschikken voor het treffen van de nodige voorbereidingen naar de verkiezingen toe.

4.10 Het is vaste rechtspraak dat het de kantonrechter niet alleen niet is toegestaan wetten in formele zin aan de Grondwet te toetsen, ook toetsing van een formele wet aan algemene rechtsbeginselen valt buiten de bevoegdheid van de kantonrechter. Het redelijkheidscriterium kan in gevallen uitkomst bieden, evenwel zal daarbij de innerlijke waarde of billijkheid van de wet geen beoordeling mogen vinden. De kantonrechter merkt nog op dat in het geval van toepassing van het redelijkheidscriterium terughoudendheid geboden is. Aan die beoordeling komt de kantonrechter evenwel niet toe. Overwogen wordt dat de aangebrachte wijzigingen van artikel I sub B en D van de wet nadere wijziging Kiesregeling van toepassing zijn op elke politieke organisatie die zich zal registreren voor deelname aan de verkiezingen in mei 2020. De stelling van eisers als nieuwkomers, dat zij over een kortere tijd aan voorbereiding beschikken dan andere politieke organisaties treft geen doel. Ook in het geval van toewijzing van eisers’ vorderingen is en blijft het vereiste ex artikel 61 lid 2 Gw immers onverkort op alle deelnemende politieke organisaties van toepassing. Deze grondwettelijke bepaling staat los van de gewijzigde artikelen in de Kiesregeling en het decreet Politieke Organisaties en is reeds vanaf het jaar 2018 effectief voor degenen die zich kandidaat zullen stellen voor de verkiezingen in het jaar 2020. Nota bene hebben eisers het petitum zodanig ingericht dat bij een eventuele toewijzing van hun vorderingen, rechten en belangen van derden hierin betrokken zullen zijn, nu uit de formulering voortvloeit dat het verbod op toepassing en opschorting van de wetswijzigingen ook voor de niet in deze zaak betrokken politieke organisaties rechtsgevolgen zal hebben, terwijl laatstgenoemden geen verweer ter verdediging van hun belangen hebben kunnen voeren in de onderhavige zaak.

4.11 De slotsom luidt dan ook dat het gevorderde zal worden afgewezen. De overige standpunten van partijen hoeven geen bespreking meer, omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.12 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, op donderdag 12 december 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.