SRU-K1-2019-27

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-175473
  • Uitspraakdatum 07 oktober 2019
  • Publicatiedatum 14 juli 2020
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Geen sprake van kennelijk onredelijk ontslag. In casu heeft eiser niet kunnen aantonen dat de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor hem in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het verlenen c.q. handhaven van het ontslag.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 17-5473
07 oktober 2019

Vonnis in de zaak van:
[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gevolmachtigde: mr. M.R. Roethof,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP INTEGRA PORT SERVICES N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N.R.J. Ilahibaks, advocaat,

1.Het verloop van het proces
1.1.Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • Het inleidend verzoekschrift dat op 18 december 2017 bij de Griffie der Kantongerechten is;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. Uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten
2.1.Eiser is als ‘Assistant Foreman’ in dienst van gedaagde en verkrijgt toestemming om vacantieverlof op te nemen, alsook twee weken verlof buiten bezwaar en wel in de periode 11 juli 2017 tot en met 15 augustus 2017. Eiser diende zijn werkzaamheden bij gedaagde op 16 augustus 2017 aan te vangen.

2.2.Bij schrijven d.d. 17 augustus 2017 bericht gedaagde eiser:

Op woensdag 16 augustus 2017 zou u uw werkzaamheden hervatten na een periode van genoten verlof vanaf dinsdag 11 juli 2017 t/m dinsdag 15 augustus 2017. Conform de werkprocedure met betrekking tot de inroostering probeert de Labor Planner u telefonisch te bereiken, doch zonder resultaat. U blijkt onbereikbaar te zijn.U wordt bij deze opgeroepen zich persoonlijk aan te melden op het hoofdkantoor op vrijdag 18 augustus 2017 om 08.00 uur ter verantwoording van uw afwezigheid c.q. hervatting van uw werkzaamheden.
Dit schrijven is per exploit no. 1402 d.d. 17 augustus 2017 van S.W. Niekoop LL.B., deurwaarder bij het Hof van Justitie, aan [naam], huisgenote en partner van eiser, betekend.

2.3.Bij schrijven d.d. 21 augustus 2017 is eiser door gedaagde wegens dringende reden ontslagen. In voormeld schrijven is onder meer opgenomen: “Aan onze schriftelijke oproep d.d. 17 augustus 2017 om u aan te melden op 18 augustus 2017 heeft u geen gehoor gegeven. Aangezien u vanaf woensdag 16 augustus 2017 niet bereikbaar bent en geen enkel bericht van verhindering heeft doorgestuurd, zijn wij genoodzaakt om u op heden, maandag 21 augustus 2017, met onmiddellijke ingang te moeten ontslaan wegens dringende reden”.
Dit schrijven is per exploit no. 1419 d.d. 21 augustus 2017 van S.W. Niekoop LL.B., deurwaarder bij het Hof van Justitie, aan [naam], huisgenote en partner van eiser, betekend.

2.4.Het besluit van gedaagde – ontslag wegens dringende reden van eiser – is per schrijven d.d. 21 augustus 2017 gemeld aan de waarnemend Inspecteur Generaal van de Dienst Arbeidsinspectie van het ministerie van Arbeid.

2.5.Bij beschikking [nummer] d.d. 31 augustus 2017 heeft de Dienst Arbeidsinspectie van het ministerie van Arbeid, besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen het ontslag wegens dringende reden van eiser.

2.6.Bij schrijven d.d. 13 oktober 2017 heeft eiser gedaagde medegedeeld bezwaren te hebben tegen het aan hem verleende ontslag wegens dringende reden en dat hij zich gereed houdt om de bedongen arbeid te verrichten.

3.De vordering, de grondslag en het verweer
3.1.Eiser vordert zakelijk weergegeven om gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat het ontslag van eiser op 21 augustus 2017 door gedaagde kennelijk onredelijk is geschied;
  2. gedaagde te veroordelen om binnen drie dagen na het vonnis, overeenkomstig artikel 1615t B.W., de dienstbetrekking met eiser te herstellen;
  3. subsidiair gedaagde ingevolge artikel 1615s B.W. te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding, naar billijkheid vast te stellen, vermeerderd met de wettelijke rente;
  4. gedaagde te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de eventuele tenuitvoerlegging van het gevorderde, verschuldigd zal worden;
  5. de veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2.Eiser is van oordeel dat het aan hem verleende ontslag, binnen vijf dagen, op onredelijke gronden is geschied nu hij wegens overmacht niet in staat was zijn werkzaamheden te hervatten. Eiser ontkent met klem onwettig van zijn werk afwezig te zijn geweest.

3.3.Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling
4.1.Eiser is van oordeel dat het aan hem verleende ontslag wegens dringende reden per 21 augustus 2017, kennelijk onredelijk is geweest. In het verzoekschrift verwijst eiser naar artikel 1615s B.W. lid 2 onder sub a en sub b. Artikel 1615s lid 2 onder sub a en sub b luidt:
Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:

  1. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden;
  2. wanneer, mede in aanmerking genomen het aantal jaren dat de dienstbetrekking heeft geduurd, alsmede de voor de werknemer getroffen voorzieningen, de gevolgen der beëindiging voor de werknemer in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij beëindiging”.

De kantonrechter maakt uit de brieven van gedaagde aan eiser gedateerd 17 augustus 2017 en 21 augustus 2017 op, dat gedaagde als redenen voor het ontslag, onwettige afwezigheid c.q. onwettig verzuim van eiser, aanvoert.

4.2.Met betrekking tot de aanvang van zijn werkzaamheden c.q. de datum van zijn indiensttreding, is de kantonrechter van oordeel dat eiser onvoldoende is ingegaan op de gemotiveerde betwisting van gedaagde, weshalve niet is komen vast te staan dat eiser vanaf 2006 bij gedaagde werkzaam is.

4.3.De kantonrechter maakt uit de door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op dat eiser betoogt dat de gevolgen van zijn ontslag in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij de beëindiging. Aan de kantonrechter wordt gevraagd een belangenafweging te verrichten, met enerzijds de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor eiser en aan de andere kant het belang van gedaagde bij de beëindiging van de dienstbetrekking.

4.4.In het kader van het afwegen van de gevolgen van het ontslag voor eiser en het belang van gedaagde bij het verleende ontslag, constateert de kantonrechter het volgende. Eiser heeft zich na expiratie van zijn vacantieverlof, zonder enige kennisgeving, niet aangemeld op 16 augustus 2017 voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Het schrijven gedateerd 17 augustus 2017 aan eiser om zich op 18 augustus 2017 persoonlijk op de werkplek aan te melden, is door zijn huisgenote en partner in ontvangst genomen. Er is geen contact opgenomen met de werkgever. Op 21 augustus 2017 is eiser door gedaagde wegens dringende reden ontslagen. Dit besluit is onverwijld op het woonadres van eiser betekend en aan zijn huisgenote en partner overhandigd. Ook nu blijkt niet dat eiser directe en/of concrete stappen heeft ondernomen naar de werkgever toe. Uit de beschikking d.d. 31 augustus 2017 [nummer] van het ministerie van Arbeid, maakt de kantonrechter op dat eiser door de dienst Arbeidsinspectie is opgeroepen om terzake het ontslag wegens dringende reden gehoord te worden.Eiser is zonder enige kennisgeving niet verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen. Toen eiser gedaagde op 13 oktober 2017 informeerde dat hij protest aantekent tegen zijn ontslag en bereid is de bedongen arbeid te verrichten, was de alsdan 2 maanden vacante functie van eiser, bereids ingevuld door gedaagde.De kantonrechter acht het niet onbegrijpelijk dat gedaagde in het belang van de voortgang van de werkzaamheden binnen haar bedrijf, de vacante functie van eiser heeft moeten invullen. Eiser stelt zelf dat hij in de functie van voorman werkzaam was bij gedaagde onder andere bij het laden en lossen van zeeschepen, het handhaven van orde en het zorgen voor de veiligheid van stuwadoors en andere personen die onder zijn leiding werkzaam waren. Het komt de kantonrechter dan ook voor dat de werkgever er alle belang bij had om deze functie, voor een vlotte voortgang van de hierboven genoemde werkzaamheden binnen haar bedrijf, op korte termijn te doen invullen.

4.5.In haar conclusie van dupliek stelt gedaagde dat zij eiser wegens dringende reden heeft ontslagen vanwege het onwettig verzuim en niet omdat hij als verdachte zou zijn aangemerkt en aangehouden in Nederland. Gedaagde stelt dat pas nadat eiser was ontslagen zij – gedaagde – door de partner van eiser geïnformeerd is geworden dat hij in aanraking is gekomen met de justitiële autoriteiten in Nederland en is aangehouden. De kantonrechter neemt aan dat er geen specifieke voorzieningen zijn getroffen door gedaagde als werkgever, ten behoeve van eiser als werknemer.

4.6.Gedaagde betoogt dat zij op grond van het onwettig verzuim van eiser gerechtigd was tot ontslag over te gaan en dat zij aan alle wettelijke vereisten heeft voldaan. De kantonrechter merkt op dat het voldoen aan alle wettelijke vereisten bij het beëindigen van een dienstbetrekking, niet afdoet dat bedoelde beëindiging ingevolge artikel 1615s toch kennelijk onredelijk kan worden geoordeeld door de kantonrechter. De kantonrechter zou tot dit oordeel kunnen komen indien de gevolgen van het ontslag voor eiser in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij het ontslag.De kantonrechter merkt op dat eiser de gevolgen van het ontslag d.d. 21 augustus 2017 niet als zodanig naar voren heeft gebracht waardoor de kantonrechter niet in de gelegenheid is om na te gaan of deze gevolgen in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij het beëindigen van de dienstbetrekking.

4.7.Eiser is op 15 augustus 2017 op de luchthaven Schiphol in Nederland aangehouden vanwege het feit dat hij € 20.000,– in contanten in zijn bezit had en dit bedrag het land wenste uit te voeren naar Suriname, naar wordt aangenomen zonder de vereiste uitvoerdocumenten.Eiser heeft aangegeven dat dit bedrag hem rechtmatig toekomt vanwege de verkoop van goud c.q. gouden sieraden. Gelet op deze bijverdiensten van eiser concludeert de kantonrechter dat de gevolgen van het verleende ontslag voor eiser, naar het oordeel van de kantonrechter, niet van een dusdanige aard zijn c.q. zullen zijn geweest, dat geconcludeerd moet worden dat de gevolgen van het ontslag zoals door eiser gesteld, in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het verlenen c.q. handhaven van het ontslag. Eiser heeft blijkbaar de mogelijkheid terug te vallen op royale inkomsten die zijn andere werkzaamheden hem opleveren.

4.8.De kantonrechter concludeert uit al het voorgaande dat eiser niet heeft kunnen aantonen dat de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor hem in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het verlenen c.q. handhaven van het ontslag. De kantonrechter oordeelt derhalve dat er geen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag zijdens gedaagde, weshalve de vordering van eiser zal worden afgewezen.

4.9.De kantonrechter ziet af van het bespreken van andere stellingen en weren van partijen, nu deze als niet relevant worden geoordeeld.

5.De beslissing
De kantonrechter:
5.1. wijst af het door eiser gevorderde.

5.2. veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde, die tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge, LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 07 oktober 2019, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier.