SRU-K1-2019-3

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-191087
  • Uitspraakdatum 22 maart 2019
  • Publicatiedatum 19 mei 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Relaties SRU-K1-2019-17 | SRU-HvJ-2020-37
  • Inhoudsindicatie

    Kort geding. De Surinaamse Orde van Advocaten en de voorzitter van de Verkiezingscommissie hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat over de kandidaatstelling van gedaagde sub C is beslist en of dit de kandidaatstelling voor functie van Raadslid of Deken is geweest. Voor nader feitelijk onderzoek is in kort geding geen plaats. Vordering tot o.a. schorsing kandidaatstelling wordt om die reden afgewezen.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-1087
22 maart 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B],
C. [eiseres sub C],
D. [eiseres sub D],
E. [eiseres sub E],
F. [eiser sub F],
allen in hun hoedanigheid van advocaat en lid van de Surinaamse Orde van Advocaten (SOvA),
en kandidaat voor de verkiezingen van de Raad van Bestuur SOvA,
domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat 13 – 13A te Paramaribo,
ten kantore van Sewcharan Advocaten,
eisers in conventie en gedaagden in reconventie,
hierna genoemd [eisers],
eiser sub A in conventie en gedaagde sub A in reconventie procederend in persoon;
gemachtigde voor eisers sub B tot en met sub F in conventie en gedaagden in reconventie: mr. B.A.H. Pick, advocaat,

tegen

A. DE SURINAAMSE ORDE VAN ADVOCATEN,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Gongrijpstraat 193 te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna genoemd SOvA,
B. [gedaagde sub B],
in zijn hoedanigheid van advocaat, voorzitter van de Verkiezingscommissie ter verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de SOvA,
kantoorhoudend aan de Watermolenstraat 37 boven te Paramaribo,
gedaagde,
C. [gedaagde sub C],
in haar hoedanigheid van advocaat, lid van de SOvA en kandidaat voor de functie van Deken,
wonende aan de Gongrijpstraat 193 te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna genoemd [gedaagde sub C],
gemachtigden voor SOvA: mr. Ch. Algoe en mr. M.D. Lau-Kersenberg, advocaten;
gedaagde sub B procederend in persoon;
gemachtigde voor [gedaagde sub C]: mr. I.A. Nazir; tevens procederend in persoon.

In conventie en in reconventie
1.         Het verloop van het proces
1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 20 maart 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 maart 2019;
– de mondelinge conclusies van antwoord, repliek en dupliek;
– de aantekeningen van de griffier ter zake het mondeling afpleiten.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.         De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie
2.1       [eisers] vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. gelast dat het besluit van de Verkiezingscommissie ter verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de SOvA, zoals thans bekend is gemaakt op 18 maart 2019, inhoudende de goedkeuring van de kandidaatstelling van [gedaagde sub C] voor de functie van Deken van de SOvA bij de verkiezingen d.d. zaterdag 23 maart 2019 wordt geschorst of opgeschort totdat over de rechtsgeldigheid daarvan in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist;
II. gedaagden in conventie gelast dit vonnis te gehengen en gedogen;
III. gedaagden in conventie veroordeelt in de proceskosten.

2.2       [eisers] leggen – zakelijk weergegeven – aan hun vordering ten grondslag dat de kandidaatstelling van [gedaagde sub C] en beslissing van de verkiezingscommissie om haar als lid verkiesbaar te doen stellen in strijd is met het Verkiezingsreglement, hierna VR, en daarom niet rechtsgeldig is. Gedaagde sub B in conventie heeft in strijd met het VR en buiten de verkiezingscommissie om, [gedaagde sub C] toegelaten zich naderhand, na de uiterste datum van 08 maart 2019 als kandidaat voor de functie van Deken verkiesbaar te stellen.

In reconventie
2.3       SOvA vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– [eiser sub A] gelast geldige documenten over te leggen afgegeven door de Ambassade van Nederland te Paramaribo waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van het Nederlanderschap onder verbeurte van een dwangsom van € 5000, – per dag;
– toestemming aan SOvA verleent om de SOvA verkiezing van 23 maart 2019 uit te stellen dan wel op te schorten totdat de bodemrechter heeft beslist over de grieven van eisers in kort geding;
– gedaagden in reconventie veroordeelt om het vonnis te gehengen en gedogen.

2.4       SOvA legt – zakelijk weergegeven – aan haar vordering ten grondslag dat [eiser sub A] op een presentielijst van december 2011 een ID-nummer heeft vermeld wat een registratienummer van een Nederlands rijbewijs is. Dit wijst volgens SOvA erop dat [eiser sub A] Nederlander is. Voorts voert SOvA aan dat nu reeds drie zaken bij de kort geding rechter zijn aangebracht en de organisatie niet in staat is om de gerezen problemen binnenshuis op te lossen, waardoor de gang naar de bodemrechter nodig is.

2.5       [gedaagde sub C] vordert bij eiswijziging, de kantonrechter begrijpt – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eisers]:
– verbiedt om haar negatief te bespreken of in de media of op lezingen en vergaderingen naar haar te verwijzen;
– veroordeelt om een schriftelijke verontschuldiging aan haar te doen toekomen voor het valselijk beschuldigen van haar, [gedaagde sub C], onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000, – per dag.

2.6       [gedaagde sub C] legt aan haar vordering ten grondslag, de kantonrechter begrijpt – zakelijk weergegeven – dat eiseres zich beledigd voelt, omdat [eisers] haar in de onderhavige zaak niet hebben geduid zoals gebruikelijk  in haar hoedanigheid van professional. Die duiding had “Mr. [gedaagde sub C]” moeten zijn en zij voelt zich hierdoor als vrouw gediscrimineerd. Ook verwijt zij [eisers] dat zij zich in het geding bedienen van roddelberichten.

2.7       Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.         De beoordeling
In conventie
3.1       Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

3.2       De standpunten van partijen in conventie en in reconventie lenen zich naar het oordeel van de rechter voor gezamenlijke bespreking vanwege de verwevenheid.

3.3       SOvA en gedaagde sub B in conventie hebben naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op 13 maart 2019 over de kandidaatstelling van [gedaagde sub C] is beslist en of dit de kandidaatstelling voor functie van Raadslid of Deken is geweest. De kantonrechter neemt in overweging dat juist in het geval van [gedaagde sub C] het voor de hand heeft gelegen dat SOvA en de verkiezingscommissie het van belang zouden achten dat zij een duidelijk standpunt innamen over de kandidaatstelling van [gedaagde sub C], zij het als Raadslid of als Deken. Reden hiervoor is dat de echtgenoot van [gedaagde sub C] ook gekandideerd is voor de functie van Deken. Artikel 39 lid 9 Advocatenwet, waarborgt dat onder anderen echtgenoten niet samen in het Tuchtcollege zitting hebben. Hoewel deze bepaling niet mede geldt voor de RvB van de SOvA, zou juist deze, overigens niet overbodige, afweging antwoord hebben kunnen geven op de vraag of in het geval van [gedaagde sub C] sprake is geweest van een kandidaatstelling in eerste en in tweede instantie, zoals [eisers] hebben gesteld, en waarom zulks is gebeurd. De kantonrechter acht het van belang hierbij op te merken dat elke advocaat in zijn of haar optreden mede betrokken is bij het openbaar belang. Van de aan de advocaat toegekende positie zal hij of zij op de juiste wijze gebruik dienen te maken, in het bijzonder omdat die een maatschappelijke opdracht vertegenwoordigt.

Bij de hiervoor overwogen omstandigheden kan niet beoordeeld worden of op basis van de feiten en omstandigheden en zonder nadere bewijslevering de vorderingen die bij wijze van voorziening zijn verzocht in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing in kort geding gerechtvaardigd is. De conclusie is dat de onderhavige zaak in ieder geval ongeschikt is nu in kort geding de noodzakelijke feitelijke opheldering niet kan worden verkregen. Met andere woorden: voor nader feitelijk onderzoek is in het kort geding geen plaats. Het gevorderde moet om die reden worden afgewezen.

3.4       [eisers] zullen in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie
3.5       De kantonrechter overweegt dat de grondslag van de vordering van de SOvA ontoereikend en onvoldoende is gesteld. Een enkele presentielijst die ruim zeven jaar geleden (december 2011) door een derde is ingevuld, is als grondslag voor het gevorderde ondeugdelijk.
De vordering zal worden afgewezen.

3.6       [eisers] hebben als verweer gevoerd dat zij [gedaagde sub C] in het verzoekschrift hebben geduid volgens de regels voor vermelding van namen van procespartijen. Daarbij hebben zij ter zitting aan [gedaagde sub C] verontschuldigingen aangeboden voor mogelijk ongerief dat die duiding bij haar heeft veroorzaakt. De kantonrechter oordeelt dat [eisers] zich er terecht op beroepen dat zij op grond van de regels van het procesrecht partijen in het verzoekschrift hebben geduid. De kantonrechter overweegt ook dat de rechter volgens de wettelijke regelingen moet recht­spreken en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid daarvan mag beoordelen. Verder heeft [gedaagde sub C] geen feiten en omstandigheden gesteld, specifiek van vergaderingen en lezingen bij welke gelegenheden [eisers] haar negatief zouden hebben besproken of beledigd. De kantonrechter komt aan een beoordeling dan ook niet toe. Het gevorderde zal als ongegrond, niet onderbouwd worden afgewezen.

3.7     Eisers in reconventie zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.         De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
In conventie
4.1       Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.2       Veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagden in conventie tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
4.3       Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.4       Veroordeelt SOvA en [gedaagde sub C] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eisers] tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 22 maart 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.