SRU-K1-2020-34

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer A.R. No. 20-1500
  • Uitspraakdatum 01 oktober 2020
  • Publicatiedatum 14 oktober 2020
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Kort Geding – De werkgever is verplicht het loon door te betalen als er sprake is van eigen schuld of een toevallige verhindering die aan zijn kant geldt.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1500

01 oktober 2020

Vonnis in kort geding

in de zaak:

  1. [naam 1], wonende aan [straat 1], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  2. [naam 2], wonende aan [straat 2], [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  3. [naam 3], wonende in het [plaats 1]in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  4. [naam 4], wonende aan [straat 3], [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  5. [naam 5], wonende in [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  6. [naam 6], wonende aan [straat 4], [plaats 1 ]in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  7. [naam 7], wonende te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  8. [naam 8], wonende aan [straat 5] [no. 1], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  9. [naam 9], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  10. [naam 10], wonende aan [straat 6] [no. 2], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  11. [naam 11], wonende aan [straat 1], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  12. [naam 12], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  13. [naam 13], wonende te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  14. [naam 14], wonende te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  15. [naam 15], wonende aan [straat 7] [no. 3], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  16. [naam 16], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Pararmaribo,
  17. [naam 17], wonende aan de Macousistraat te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  18. [ naam 18], wonende aan [straat 7] [no. 3], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Pararmaribo,
  19. [naam 19], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  20. [naam 20], wonende aan [straat 8], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  21. [naam 21], wonende te [plaats 1]in [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  22. [naam 22], wonende te [plaats 3] in [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,

eisers in conventie,
gedaagden in reconventie,
gemachtigde: mr. E.A. Dennen, advocaat,

tegen

[bedrijfsnaam], rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende aan de [straat 8] [no. 4] te [district 2],

gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat.

  1. Het verloop van het proces:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 25 juni 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 02 juli 2020;
  • de conclusie van antwoord en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek en van antwoord in reconventie;
  • de akte van gedaagde in conventie met het verzoek aan de kantonrechter om een comparitie van partijen te gelasten ter beproeving van een schikking, waarvan op het doorlopend procesverbaal de beschikking van de kantonrechter is gesteld;
  • het proces-verbaal van de op 07 augustus 2020 gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie van eisers in conventie/gedaagden in reconventie na gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie van gedaagde in conventie/eiseres in reconventie na gehouden comparitie van partijen.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1. Eisers in conventie zijn op arbeidsovereenkomst in dienst van gedaagde.

2.2. Eisers in conventie hebben op 24 maart 2020 aan gedaagde mede gedeeld de bedongen arbeid niet te zullen verrichten, zolang gedaagde geen zorg draagt voor adequate beschuttingsmiddelen (N95 stofmaskers) ter bescherming van hun gezondheid.

2.3. Gedaagde in conventie heeft eisers bij brief van 29 april 2020 medegedeeld dat hun arbeidsovereenkomst niet gecontinueerd zal worden en aan hen is een afvloeiingsregelingaangeboden.

2.4. [werknemers organisatie], die eisers in conventie vertegenwoordigd bij gedaagde wanneer het betreft het aangaan van collectieve arbeidsvoorwaarden, heeft bij brief van 30 april 2020 gedaagde gevraagd of zij voor overleg met haar kan worden uitgenodigd om afspraken te maken over de verbetering van de positie van de onderneming, waaronder doch niet beperkt tot occupational safety and health.

2.5. Het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie heeft bij brief van 29 april 2020 kenmerk [Arb.No.] met als onderwerp beoordeling stofmasker gedaagde in conventie mede gedeeld dat de door haar aan haar werknemers verstrekte mondkapjes ongeschikt zijn om de werknemerste beschermen tegen de gezondheidsrisico’s die zij lopen door het werken in een werkomgevingwaar zij worden bloot gesteld aan houtstof.

2.6. Bij brief van 06 mei 2020 hebben eiseres in conventie gedaagde mede gedeeld dat zij bereid zijn hun werkzaamheden te verrichten onder veilige en aanvaardbare arbeidsomstandigheden.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie

3.1. Eisers vorderen, voorzover uitvoerbaar bij voorraad:

a) Gedaagde te veroordelen om eisers tot het werk toe te laten bij gebreke waarvan zij een dwangsom van SRD 5.000, – (vijfduizend Surinaamse dollar) verbeuren voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
b) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen het loon over de maand mei 2020 en daarmee doorgaan totdat de dienstbetrekking met hen rechtsgeldig zal zijn geëindigd.
c) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen een verhoging vanwege te late betaling van het loon op grond van artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek.
d) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen de advocaat en deurwaarderskosten van SRD 3.756, – (drieduizend zevenhonderd zes en vijftig Surinaamse dollar) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, vanaf 25 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.
e) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen de in de toekomst te maken deurwaarders kosten van SRD 1.100, – (een duizend een honderd Surinaamse dollar) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, vanaf 25 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.
f) Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat hun dienstbetrekking voortduurt en dat zij nog aanspraak maken op doorbetaling van het loon.

3.3. Gedaagde heeft verweer gevoerd, op dit verweer komt de kantonrechter terug in de beoordeling voorzover van belang voor de beslissing van deze zaak.

In reconventie

3.4. Eiseres vordert, voorzover uitvoerbaar bij voorraad:

a) Opschorting c.q. schorsing van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst totdat deze op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.
b) Gedaagden te veroordelen om het in deze te wijzen vonnis te dulden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor elke dag of keer dat zij geen gevolg geven aan het in deze te wijzen vonnis.
c) Gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.5. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat zij vanwege tegenvallende bedrijfsresultaten niet meer in staat is de dienstbetrekking met gedaagden voort te zetten.

3.6. Gedaagden hebben verweer gevoerd, op dit verweer komt de kantonrechter terug in de beoordeling voorzover van belang voor de beslissing van deze zaak.

  1. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1. Eisers in conventie stellen dat gedaagde in conventie hun loon vanaf mei 2020 niet heeft uitbetaald ondanks dat zij gedaagde daartoe herhaaldelijk hebben aangesproken. Gedaagde in conventie heeft verweer gevoerd welk verweer erop neerkomt dat eisers in conventie hun loon is opgebouwd uit een basisloon, een onregelmatigheidstoeslag en een toeslag voor representatie en/of voor meer en verantwoordelijk werk. Gedaagde inconventie stelt dat eisers in conventie geen arbeid verrichten waardoor zij geen aanspraak maken op de toelagen. Voorts stelt gedaagde dat zij geen loon aan eisers verschuldigd is omdat zij niet is aangemaand en gesommeerd om het achterstallig loon over de maand mei 2020 en de daarop volgende maanden uit te betalen.

Eisers in conventie hebben, via hun vakvereniging, aan gedaagde kenbaar gemaakt dat zij in staat en bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten, mits zij de beschikking krijgen over de juiste beschuttingsmiddelen ter bescherming van hun gezondheid. Voorts hebben eisers in conventie aan gedaagde in conventie aangeboden om tijdelijk aangepast werk te verrichten. Eisers in conventie stellen dat gedaagde in conventie aan hen heeft gevraagd om hun zakdoek als stofmasker te gebruiken en deze nat te houden om zich te beschermen tegen de houtstof dat vrijkomt bij de verwerking van de boomstammen. Eisers in conventie kregen vervolgens zelfgemaakte stofmaskers gemaakt van jeans stof in plaats van N95 stofmaskers. De door gedaagde in conventie vervaardigde stofmaskers zijn ter beoordeling voorgelegd aan het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie, welke stofmaskers door het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie zijn afgekeurd, omdat deze maskers geen adequate bescherming bieden aan eisers tegen het inademen van fijne stofdeeltjes vanwege het feit dat destofmaskers niet voorzien zijn van een filter. Het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie concludeert derhalve dat het gebruik van de door gedaagde in conventie vervaardigde stofmaskers wordt afgeraden omdat de zichtbare en onzichtbare (fijn) houtstof schade aan de gezondheid en welzijn van eisers kan bezorgen die de in de omgeving van de houtzaagmachines werkzaam zijn. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde in conventie haar verplichting om een veilige werkomgeving instant te houden niet is nagekomen door geen adequate beschuttingsmiddelen aan eisers in conventie ter beschikking te stellen om hun werk te verrichten in een omgeving waar fijn stof vrijkomt. Op grond van artikel 1614x van het Burgerlijk Wetboek is gedaagde in conventie verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen, waarin of waarmee zij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede omtrent het verrichten van de arbeid zodanige regelingen te treffen en aanwijzingen te geven, dat eisers in conventie tegen gevaar voor hun gezondheid en welzijn zover zijn beschermd, als redelijkerwijs in verband met het werken met of in de nabijheid van een houtzaagmachine, gevorderd kan worden. Voorts heeft gedaagde in conventie op grond van artikel 20 van het Besluit Stofbestrijding S.B. 1981 no. 71 de verplichting maatregelen te treffen ter bescherming van eisers in conventie die werkzaam zijn in een omgeving, waarin ziektevormende dan wel inert of hinderlijke stof aanwezig is. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van gedaagde in conventie dat vanwege de COVID-19 situatie N95 stofmaskers niet te verkrijgen zijn. Gelet op de aard van het door gedaagde in conventie uitgeoefend bedrijf, zou gedaagde in conventie vanwege het feit dat stofmaskers steeds beschikbaar moeten zijn voor haar werknemers in het bedrijf, deze steeds in voldoende hoeveelheid voorradig moeten hebben.

Op grond van artikel 1614d van het Burgerlijk Wetboek verliezen eisers in conventie hun aanspraak op het loon niet, indien zij bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten, doch gedaagde in conventie daarvan geen gebruik heeft gemaakt door eigen schuld of zelfs ten gevolge van haar persoonlijk betreffende toevallige verhindering. Het niet verrichten van de bedongen arbeid door eisers in conventie is een direct gevolg van het feit dat gedaagde in conventie haar verplichting tot het instant houden van een veilige werkomgeving niet is nagekomen. Het niet verrichten van de bedongen arbeid door eisers in conventie is aan de schuld van gedaagde in conventie gelegen, doordat zij er niet voor heeft gezorgd dat de stofmaskers in voldoende mate beschikbaar zijn ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en welzijn van haar werknemers. Gedaagde in conventie is daarom verplicht het loon aan eisers in conventie door te betalen.

4.2. Gedaagde in conventie stelt dat het loon van eisers in conventie is opgebouwd uit een basisloon, een onregelmatigheidstoeslag en een toeslag voor representatie en of meer en verantwoordelijk werk en dat eisers in conventie omdat zij niet werken geen aanspraak maken op hun loon en hun toeslagen. Eisers in conventie stellen dat de door gedaagde aangehaalde toeslagen een vast onderdeel zijn van het aan eisers in conventie verschuldigd loon gelet op het feit dat in de arbeidsovereenkomst noch op de loonstrook van eisers in conventie een nadere specificatie is gegeven waaruit opgemaakt kan worden dat deze toeslagen geen vast onderdeel vormen van het loon. De kantonrechter is van oordeel dat nu er in de arbeidsovereenkomst noch op de loonstrook van eiseres in conventie een nadere specificatie is gegeven voor de toeslagen, de toeslagen een vast onderdeel vormen van het loon. Gedaagde in conventie is derhalve het basisloon en de toeslagen verschuldigd aan eisers in conventie. De vordering tot betaling van een verhoging wegens te late betaling van het loon zal worden toegewezen. De kantonrechter stelt de verhoging op 10% van het te vorderen loon voor elke loonuitbetaling waarbij gedaagde in conventie heeft verzuimd om het loon uiterlijk op de laatste dag van de maand uit te betalen.

4.3. De vordering van eisers in conventie tot veroordeling van gedaagde in conventie om hen onmiddellijk te werk te stellen zal worden afgewezen. Gedaagde in conventie heeft op grond van de met eisers in conventie gesloten arbeidsovereenkomst het recht om de werkkracht van eisers in conventie te gebruiken in haar onderneming. Gedaagde in conventie is in het algemeen niet verplicht eisers in conventie te werk te stellen, wel blijft de verplichting voor gedaagde in conventie bestaan om het loon aan eisers in conventie door te betalen, als zij bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten maar gedaagde in conventie geen gebruik daarvan heeft gemaakt door eigen schuld of ten gevolgen van een aan haar toekomende toevallige verhindering. De gedaagde in conventie is slechts verplicht eisers in conventie te werk te stellen, indien het inkomen en de carrière van eisers in conventie afhankelijk is van het verrichten van arbeid. Niet gesteld nog gebleken is dat het inkomen en de carrière van eisers in conventie afhankelijk is van het verrichten van arbeid.

4.4. De vordering van eisers in conventie tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen, nu blijkt dat gedaagde in conventie als gevolg van het feit dat zij haar verplichting tot het op tijd betalen van het loon aan eisers in conventie niet is nagekomen, eisers in conventie gedwongen waren rechtskundige bijstand in te roepen om hun rechten geldend te maken. Gedaagde in conventie zal daarom worden veroordeeld in de kosten voor rechtsbijstand. De vordering tot veroordeling van gedaagde om aan eisers te betalen de in de toekomst te maken deurwaarderskosten zal worden afgewezen. In een eventuele kosten veroordeling ligt naar het oordeel van de kantonrechter ook besloten de kosten die nog gemaakt moeten worden ter uitvoering van het vonnis. De kantonrechter stelt slechts vast de kosten tot aan de uitspraak van het vonnis.

4.5. De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen. Gedaagde in conventie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de eisers in conventie.

4.6. De vordering van eiseres in reconventie tot opschorting van de arbeidsovereenkomst met gedaagden in reconventie zal worden afgewezen. De arbeidsovereenkomsten van gedaagden in reconventie kunnen in de uitvoering daarvan worden geschorst door overmacht ontstane gebeurtenissen van tijdelijk aard. De arbeidsovereenkomst van gedaagden kan ook worden geschorst wanneer gedaagden weigeren passende arbeid te verrichten. Niet gesteld noch gebleken is dat er sprake is van door overmacht ontstane gebeurtenissen van tijdelijke aard noch dat er sprake is van weigering van gedaagden om passende arbeid te verrichten.

4.7. De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen. Eiseres in reconventie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de gedaagden in reconventie.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

In conventie

5.1. veroordeelt gedaagde om aan eisers bij wege van voorschot te betalen het loon vanaf mei 2020 tot aan de dag van de rechtsgeldige beëindiging van de dienstbetrekking met eisers, vermeerderd met een verhoging van wege te late betaling van 10% over het te vorderen loon voor elke loonuitbetaling waarbij gedaagde het loon niet heeft betaald op uiterlijk de laatste dag van de maand waarover het loon moest worden uitbetaald.

5.2. veroordeelt gedaagde om aan eisers te betalen SRD 3.756, – (drieduizend zevenhonderd zes en vijftig Surinaamse dollar).

5.3. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van eisers en tot op heden begroot op SRD 700, – (zevenhonderd Surinaamse dollar).

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.6. wijst af het gevorderde.

5.7. veroordeelt eiseres in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de gedaagden

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op 01 oktober 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.