SRU-K1-2020-47

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-203045
  • Uitspraakdatum 14 oktober 2020
  • Publicatiedatum 15 april 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Gedaagde wordt verboden de voorgenomen crematie van [erflater] voort te zetten. Indien gedaagde hieraan geen gevolg geeft, zal eiser gerechtigd zijn de crematie zelf geen voortgang te laten vinden, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3045
14 oktober 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende in [land] en domicilie kiezende aan [adres] te [district],
eiser,
gemachtigde:mr. A.M. Linger, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres 2] te [district],
gedaagde,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen: 

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op13 oktober 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 13 oktober 2020;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende hetgeen partijen over weer ter comparitie van partijen d.d. 13 oktober 2020 hebben aangevoerd. 

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagde is op [datum 1] gehuwd met [erflater].
Laatst genoemde is op [datum 2] naar de afdeling Spoedeisende Hulp van het Academisch Ziekenhuis (afgekort SEH) door gedaagde binnengebracht, waarbij zij het leven heeft gelaten.

2.2 Eiser is de zoon van [erflater] (de overledene). 
Eiser heeft in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1100 nietigverklaring van het huwelijk tussen gedaagde en de overledene gevorderd.

2.3 Namens eiser heeft zijn gemachtigde op [datum 3] per mail aan SEH informatie opgevraagd omtrent de doodsoorzaak van de overledene en het verzoek gedaan voor het plegen van een obductie op het lijk van de overledene. In de mail is ter zake het volgende verwoord:
(…)
Mijn cliënt, woonachtig in [land], heeft op [datum 2] het bericht gehad dat zijn moeder is overleden. Dezelfde dag sprak hij nog met een tante van hem die naast zijn moeder woont en hij en zijn tante hebben zijn moeder horen schreeuwen.
De doodsoorzaak van zijn moeder is voor alsnog niet bekend.
Kunt u mij informatie doen toekomen met betrekking tot de vastgesteld dood van mevrouw [erflater] bij de Spoed Eisende Hulp? En kunt u het naartoe leiden dat er obductie op het lijk plaatsvindt, zodat de daadwerkelijke doodsoorzaak wordt vastgesteld?

2.4 Op [datum 3] heeft de gemachtigde van eiser per mail de volgende informatie van SEH ontvangen:
Mevr.[erflater], werd op [datum 2] omstreeks 16.06 u dood binnengebracht op de SEH, door haar echtgenoot en buurvrouw.
Het verhaal was dat mevr. aan het eten was en plotseling wegraakte. Ze klaagde eerder niet van pijn op de borst of andere klachten. Voor binnenkomst op de SEH zou ze al 30 min niet reageren; geen reden voor ons dus om te starten met reanimatie.
Bij het lichamelijk onderzoek: cyanotische (blauwige) verkleuring van het lichaam (ontstaat bij zuurstoftekort). Over de rest van het lichaam geen letsels waargenomen.

Gezien het bovenstaande, had de dienstdoende SEH arts geen reden om te denken aan 
een misdrijf, en heeft daarom ook de politie niet ingeschakeld.
Als blijkt dat er nu een ander verhaal verteld wordt, is de SEH in deze niet de instantie om (achteraf) een obductie aan te vragen, de familie zou daarvan werk moeten maken. Alleen bij tekenen van misdrijf wordt de politie ingeschakeld, het lijk wordt in beslag genomen en obductie wordt aangevraagd.

De uiteindelijke doodsoorzaak kunnen we slechts vermoeden o.b.v. de informatie die we krijgen van omstanders.

In dit geval is door de dienstdoende SEH arts als vermoedelijke doodsoorzaak aangegeven: Respiratie insufficiëntie bij mogelijk Longembolie

2.5 Op 12 oktober 2020 heeft gedaagde aan eiser en de overige familie medegedeeld dat de crematie van de overledene op woensdag 14 oktober 2020 om half 3 namiddag zal plaatsvinden. De begrafenisonderneming die belast is met het verzorgen van de crematie is [naam begravenisonderneming].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
I) gedaagde verbiedt de voorgenomen crematie van de overledene op [datum 4] voort te zetten, met bepaling dat indien gedaagde hiertoe in gebreke mocht blijven eiser gerechtigd zal zijn de crematie zelf geen voortgang te laten vinden, desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van gedaagde;
II) gedaagde verbiedt om handelingen te verrichten met betrekking tot de crematie dan wel begrafenis van de overledene, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,-, voor iedere keer dat gedaagde hiermee in strijd handelt.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad pleegt. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende: 

  • hij, eiser, is aansprakelijk voor de begrafenis of crematie van de overledene en niet gedaagde;
  • gedaagde heeft zonder overleg met de naaste bloedverwanten van de overledene de crematie bepaald, terwijl eiser ingevolge artikel 13 van de Begrafeniswet 1959 als naaste bloedverwant aansprakelijk is voor de crematie van de overledene. 

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, zodat eiser is ontvangen in het kort geding.

4.2 Ter comparitie van partijen is aan het licht gekomen dat de overledene leed aan de ziekte van Alzheimer en het gedaagde is geweest die zich over haar ontfermde gedurende het huwelijk tot de dag van haar overlijden. 

Tevens is aan het licht gekomen dat sedert het huwelijk van de overledene met gedaagde er continu een slechte verstandhouding tussen partijen en tussen de familie van de overledene en gedaagde is geweest, welke slechte verstandhouding naar de kantonrechter begrijpt tijdens bezoekjes van eiser aan huis bij de overledene uitmondde in vechtpartijen tussen eiser en gedaagde waarbij de politie vaak aan te pas moest komen. Volgens inschatting van de kantonrechter heeft de slechte en verstoorde verstandhouding met gedaagde er kennelijk naar toe geleid dat eiser en diens familie weinig of geen contact met de overledene hadden. Dit, terwijl de familie in dezelfde buurt van de overledene woont.
Op de dag van het overlijden van de overledene op [datum 2] hoorde eiser tijdens een telefonisch gesprek met zijn tante die naast de overledene woont op de achtergrond de overledene, zijnde zijn moeder, schreeuwen tijdens welk telefonisch gesprek zijn tante hem mededeelde dat het er vaak zo aan toegaat. Naar de kantonrechter het begrijpt doet het bovenstaande bij eiser het vermoeden rijzen dat de overledene middels een door gedaagde gepleegd misdrijf is overleden en hij, eiser om die reden een obductie op het lijk wenst opdat de juiste doodsoorzaak van de overledene door de patholoog anatoom kan worden vastgesteld.
Ofschoon er naar het oordeel van de kantonrechter uit het verslag van SEH – zoals weergegeven onder 2.4 – weinig concrete aanwijzingen zijn af te leiden dat de overledene aan een misdrijf is komen te overlijden, acht de kantonrechter het raadzaam dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld om een obductie op het lijk van de overledene door de patholoog anatoom te doen plegen. Dit acht de kantonrechter raadzaam opdat voor eens en voor altijd een eind kan worden gemaakt aan de gedachte die bij eiser leeft dat zijn moeder, de overledene, aan een door gedaagde gepleegd misdrijf is komen te overlijden, partijen en de familie van de overledene daardoor het rouwproces beter zouden kunnen doorlopen en de crematie van de overledene op een vredige wijze kan plaatsvinden.

4.3 De kantonrechter begrijpt het verdriet waarin gedaagde thans verkeert welke hij op zijn eigen manier dient te verwerken en dat hij reeds alle kosten heeft betaald voor de crematie, doch vormt dit geen obstakel om de crematie te verschuiven totdat de obductie heeft plaatsgevonden. Simpelweg, omdat eiser als naaste bloedverwant van de overledene ingevolge artikel 13 lid 1 van de Begrafeniswet 1959 (G.B. 1959 no. 117) aansprakelijk is voor de crematie en dus ook aansprakelijk is voor alle kosten die daaruit voortvloeien. Blijkens dit artikel zijn naaste bloedverwanten aansprakelijk voor het doen plaatsvinden van de crematie of begrafenis en is nergens nergelegd dat niet-anderen (echtgenoot/echtgenote of aangetrouwde familieleden) hiervoor aansprakelijk zijn. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de door eiser gevorderde voorziening zal worden toegewezen, doch met dien verstande dat: 

  • eiser opdraait voor alle kosten van de te plegen obductie en crematie;
  • gedaagde na de obductie de gelegenheid wordt geboden om de crematie bij te wonen of afscheid te nemen van het lijk van de overledene. Dit, omdat het – vanwege de slechte verstandhouding tussen partijen – gedaagde is geweest die tijdens het huwelijk de zware taak op zich had om de overledene die aan Alzheimer leed tot diens overlijden te verzorgen. Aan wie de slechte en verstoorde verstandhouding te wijten is geweest laat de kantonrechter in het midden. 

4.4 Bij het nemen van de beslissing in de onderhavige zaak heeft de kantonrechter ook in overweging genomen dat: 

  •  volgens het verslag van SEH de familie het verzoek tot obductie mag doen;
  • eiser volgens zijn stelling reeds een gesprek met de patholoog anatoom heeft gehad en de obductie mogelijk op [datum 5] kan plaatsvinden en eiser voor alle kosten ter zake zal opdraaien;
  • de mogelijkheid bestaat dat de crematie niet op een vredige wijze zal plaatsvinden. Dit, vanwege de verstoorde verstandhouding tussen partijen en tussen gedaagde en de familie van de overledene en de gedachte die bij eiser leeft dat de overledene wegens een misdrijf is omgekomen. 

4.5 Daar gedaagde gehuwd was geweest met de overledene en de overledene de moeder van eiser is geweest, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren, zoals hierna in de beslissing vermeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Verbiedt gedaagde de voorgenomen crematie van [erflater], op woensdag [datum 4] voort te zetten, met bepaling dat indien gedaagde hieraan geen gevolg geeft eiser gerechtigd zal zijn de crematie zelf geen voortgang te laten vinden, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

5.2 Verbiedt gedaagde om handelingen te verrichten met betrekking tot de crematie dan wel begrafenis van [erflater], onder verbeurte van een dwangsom van SRD 2.000,- voor iedere keer dat gedaagde dit verbod overtreedt.

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Bepaalt dat eiser de obductie op het lijk van [erflater] mag doen plaatsvinden en belast wordt met alle te verrichten handelingen in dat kader en in verband met de crematie, met dien verstande dat: 

  • eiser opdraait voor alle kosten ter zake obductie en crematie, inclusief de kosten die gedaagde reeds heeft gemaakt in het kader van de crematie die op heden 14 oktober 2020 zou plaatsvinden;
  • gedaagde tijdig door eiser of een familielid in kennis zal worden gesteld wanneer de crematie zal plaatsvinden;
  • gedaagde in de gelegenheid zal worden gesteld om op de dag van de crematie op een vredige wijze afscheid van de overledene te nemen. 

5.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op woensdag 
14 oktober 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton,mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.