SRU-K1-2020-61

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-193554
  • Uitspraakdatum 19 november 2020
  • Publicatiedatum 06 april 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Eisers vorderen stopzetting van de executie van een vonnis en geven aan dat de werking een noodtoestand zal doen ontstaan.

    Het Hof oordeelt dat de werking van het vonnis dient te worden opgeschort.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON 
A.R. No. 19-3554 
19 november 2020 

Vonnis in kort geding in de zaak van: 

A. STICHTING MEGHANATH, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres] in het [district], 
B. [eiser B],
wonende aan de [adres] in het [district] , 
eisers, 
hierna te noemen respectievelijk de Stichting en [eiser B], 
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat, 

tegen 

[gedaagde], 
wonende aan de [adres 2]  in het [district], 
gedaagde,  
hierna te noemen: [gedaagde], 
procederend in persoon. 

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen: 

  • het inleidend verzoekschrift dat op 12 september 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties; 
  •  de conclusie van eis d.d. 13 september 2019; 
  • de conclusie van antwoord, met producties; 
  • de conclusie van repliek, met producties; 
  • de conclusie van dupliek; 
  • de rolbeschikking d.d. 12 maart 2020, waarbij een comparitie van partijen is gelast; 
  •  het door de griffier opgemaakte proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 30 juli 2020; 
  • de rolbeschikking d.d. 06 augustus 2020; 
  • de conclusie tot overleggen bescheiden d.d. 20 augustus 2020.  

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden. 

2. De feiten
2.1 [gedaagde] is advocaat van beroep. [gedaagde] heeft gedurende de periode 2010 tot 2013 in zijn hoedanigheid als advocaat juridische bijstand aan de Stichting en [eiser B] verleend tot verkrijging van het recht van grond huur op een perceelland. 
In dat licht heeft [gedaagde] in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 10-0844 en in de bodemzaak bekend onder A.R. No. 12-3653 een vordering tegen de Staat Suriname ingesteld opdat de Stichting en [eiser B] het recht van grondhuur konden verkrijgen. 

Het betreft het recht van grondhuur op: “het perceelland, groot 3,32ha, gelegen in het [district] , aan de [weg], uitmakende de samenvoeging van het perceelland groot 1,56 ha, zijnde het resterend gedeelte van het perceelland groot 1,76 ha, bekend als [weg] [nummer 1] , thans bekend als [weg] [nummer 2], nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de Landmeter in Suriname R.C. Black Bsc d.d. 10 december 2012 met de letters ABCDEF”, hierna aangeduid als het perceelland.  

2.2 Bij ministeriele beschikking d.d. 23 oktober 2013 LAD [nummer 3] heeft de Stichting het recht van grondhuur op het perceelland toegewezen gekregen. [gedaagde] heeft de ministeriele beschikking op 21 februari 2014 voor de Stichting doen overschrijven in het daartoe bestemde register ten kantore van het Management Instituut Glis, omdat de beschikking op 22 februari 2014 zou komen te vervallen.  

2.3 [gedaagde] heeft een zaak tegen de Stichting en [eiser B] ingediend in respectievelijk kort geding bekend onder A.R. No. 15-1129 en in bodemprocedure bekend onder A.R. No. 14-3348, vanwege een vordering die hij meent te hebben op de Stichting en [eiser B] bestaande uit het honorarium voor de door hem aan de Stichting en [eiser B] verleende juridische bijstand. 

2.4 De kantonrechter heeft op 06 augustus 2018 in de bodemzaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 14-3348 vonnis gewezen, bij welk vonnis de vordering van [gedaagde] is afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter, voor zover voor de onderhavige beslissing van belang, het volgende in het vonnis overwogen: 
“ (…) 
3.2 Meghanath en [eiser B] (lees [eiser B]) hebben aangevoerd dat zij met [gedaagde] zijn overeengekomen dat zijn diensten – onder meer in de kort geding zaak bekend onder het A.R. no. 10-0844 – daarin zouden bestaan dat het recht van grondhuur op het perceelland aan de [weg] aan Meghanath werd toegewezen tegen een honorarium van SRD 16.000,-. 
Dat een bedrag ad SRD 5.500 voor separate behandeling van zaken is bedongen hebben Meghanath en [eiser B] betwist. Ter onderbouwing van hun verweer hebben zij een kwitantie in het geding gebracht waaruit blijkt dat op 13 september 2012 [eiser B] ten behoeve van Meghanath een bedrag van  
€ 1.000,- aan [gedaagde] heeft betaald voor  – als op de kwitantie vermeld – “bodemprocedure + geldvordering c/a de staat m.n. R.O.G.B. (afgifte grondh. Beschikking)”. Ook staat de tekst “saldo SRD 11.500,-“ vermeld. 
Verder is als verweer gevoerd dat de zaak met het A.R. no. 10-0844 ook de afgifte van de grondhuurbeschikking betreft en [gedaagde] daarom niet nog eens het bedrag van SRD 5.500,- aan honorarium daarvoor kan vorderen. 
Volgens Meghanath en [eiser B] geldt hetzelfde voor de gevorderde dwangsommen, en wel dat die begrepen zijn in het honorarium van  
SRD 16.000,-, zoals daarnaar is verwezen op de kwitantie met “geldvordering ca de Staat.”.  
De gevorderde kosten zijn eveneens betwist onder aanvoering dat het juist [gedaagde] is die heeft geweigerd de stukken af te geven indien hij niet eerst een bedrag ad SRD 17.000,- zou ontvangen. 
De opvorderbaarheid van het honorarium in de zaak met het A.R. no. 12-3653 hebben Meghanath en [eiser B] eveneens betwist op grond dat de werkzaamheden van [gedaagde] in die zaak nog niet zijn afgerond. 

3.3 Tijdens de comparitie van partijen op 04 november 2016 hebben partijen verklaard de zaak in der minne te willen schikken. 

3.4 Bij akte van 05 juni 2017 heeft [gedaagde] zich vervolgens uitgelaten over de schikking die partijen hebben bereikt, onder meer als volgt: “Verzoeker in conventie, gedaagde in reconventie heeft met betrekking tot de schikking een bedrag van SRD 15.000,- (…) ontvangen van gedaagde in conventie, tevens verzoeker in reconventie, waardoor bij deze kwijting aan hem is gegeven voor het betaalde bedrag.” 
Verder laat [gedaagde] zich over de gelegde beslagen als volgt uit: “Verzoeker in conventie, gedaagde in reconventie geeft verder aan dat alle beslagen van de gedaagde in conventie tevens verzoeker in reconventie reeds zijn opgeheven zowel bij de handelsbanken en op het in rekeste genoemd perceelland.”. 
Ten aanzien van de grondpapieren geeft [gedaagde] aan: “Voorts heeft verzoeker in conventie tevens gedaagde in reconventie de originele grondpapieren aan de gedaagde in reconventie tevens verzoeker in reconventie afgegeven. (…) De vordering in reconventie staat derhalve gereed voor afwijzing.” 

3.5 [gedaagde] is evenwel van mening, zo blijkt voorts uit voornoemde akte, dat door de weigerachtige houding van Meghanath en [eiser B] om hem, [gedaagde], te betalen, laatstgenoemde ernstig is benadeeld. De benadeling vloeit volgens [gedaagde] voort uit de ontwaarding van de Surinaamse Dollar met circa 100% ten opzichte van de bedoelde periode van betaling. 
[gedaagde] stelt daarom bij akte uitlating dat de gevorderde som van SRD 22.425,- moet worden verminderd met het bedrag van SRD 15.000,-. 

3.6 Bij akte van 21 juni 2017 met als bijlage een kopie van de kwitantie van betaling van het bedrag van SRD 15.000,- d.d. 21 november 2016, hebben Meghanath en [eiser B] de kantonrechter om een comparitie van partijen verzocht. 
[gedaagde] is niet verschenen bij het gesprek in Raadkamer, dat daarop door de kantonrechter is gelast bij rolbeschikking van 04 december 2017. 
De gemachtigde van Meghanath en [eiser B] heeft op 24 januari 2018 in Raadkamer de opheffing van de gelegde beslagen bevestigd en voorts verklaard dat er geen belang meer is bij de vordering in reconventie.  
Ten aanzien van de door [gedaagde] gevorderde verrekening van het bedrag van SRD 15.000,- met de vordering van SRD22.425,-, heeft de gemachtigde zich aan het oordeel van de kantonrechter gerefereerd.  

3.7 De standpunten van [gedaagde] in dit verband zijn niet met elkaar te rijmen. De kantonrechter begrijpt de positie die [gedaagde] thans inneemt als een waarbij hij enerzijds bevestigt dat hij het bedrag van SRD 15.000,- heeft ontvangen, maar anderzijds stelt dat zulks voor hem niet het rechtsgevolg van volledige betaling sorteert. Meghanath en [eiser B] zijn van mening – bij akte van 21 juni 2017 – dat [gedaagde] door deze positie in te nemen al dan niet opzettelijk een verkeerd beeld van de feiten tracht voor te houden. 

3.8 Uit het door partijen aangevoerde blijken de verbintenissen die zij over en weer krachtens de schikking op zich hebben genomen, te weten betaling van het bedrag ad SRD 15.000,- aan [gedaagde] en opheffing van de gelegde beslagen door [gedaagde]. Onweersproken staat thans in rechte vast dat partijen deze verbintenissen geheel zijn nagekomen. De vraag over de wilsvorming van [gedaagde] in het schikkingsproces, zal bij de thans vaststaande feiten en omstandigheden in zijn nadeel worden uitgelegd, nu daarover niet anders is gesteld of gebleken. Daarbij overweegt de kantonrechter tevens mee dat de verklaring die Meghanath en [eiser B] in Raadkamer over de schikking hebben gegeven overeenstemd met de akte uitlating schikking van [gedaagde] zoals hiervoor onder 3.4 is aangehaald. 

3.9 Het voorgaande brengt met zich dat de vordering in conventie zal worden afgewezen.” 

Het hiervoor vermeld vonnis is reeds in gezag van gewijsde gegaan. 

2.5  De kantonrechter heeft op 03 januari 2019 in de kort gedingzaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 15-1229 vonnis gewezen (hierna aangeduid als het kort gedingvonnis), krachtens welk vonnis de vordering van [gedaagde] deels is toegewezen. Met name zijn de Stichting en [eiser B] veroordeeld tot betaling van het bedrag ad SRD 17.000,- aan [gedaagde], vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 17 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en tot betaling van de kosten van het geding tot aan de uitspraak begroot op SRD 344,–  Daartoe heeft de kantonrechter, voor zover voor de onderhavige beslissing van belang, het volgende in het vonnis overwogen: 

(…) 
4.2 De kantonrechter begrijpt dat de vordering is opgesplitst in drie delen te weten, de vordering met betrekking tot: 

  •  kosten juridische bijstand 
  • kosten ad SRD 2.500,- en 
  • buitengerechtelijke kosten 

4.3 Kosten Juridische Bijstand ad SRD 17.000,- (SRD 5.500,- + SRD 11.500,-) 
(…) 
Met het voorgaande heeft eiser naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van de kortgedingzaak nog een openstaande rekening moet bestaan van SRD 5.500,- die gedaagden aan eiser moeten voldoen. 
Derhalve dienen gedaagden het bedrag van SRD 5.500,- aan eiser te voldoen. 
(…) Dus is het aannemelijk dat gedaagden ook het saldobedrag van  SRD 11.500,- aan eiser moeten betalen. 
Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat gedaagden moeten worden veroordeeld om aan eiser te betalen SRD 17.000,- (dit is SRD 11.500,- + SRED 5.500,-). 
(…) 
4.5 Buitengerechtelijke kosten ad SRD 2.925,- 
(…)  
De kantonrechter is van oordeel dat eiser zelf advocaat beroep is waardoor er niet zondermeer buitengerechtelijke kosten in rekening kunnen worden gebracht bij cliënten, althans gewezen cliënten (gedaagden) anders dan wanneer hij dit uitdrukkelijk was overeengekomen. 
Nu het daartoe strekkend onderdeel van het gevorderde een wettelijke of contractuele grondslag ontbeert, zal dat onderdeel van het gevorderde worden geweigerd.” 

2.6 De kantonrechter heeft het kort gedingvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [gedaagde] heeft het kort gedingvonnis op 20 augustus 2019 door een deurwaarder aan de Stichting en [eiser B] doen betekenen bij exploit no. 594 en no. 595. 

2.7  Blijkens het exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D. Chocolaad, d.d. 03 september 2019, no. 619 heeft [gedaagde] executoriaal beslag doen leggen op het perceelland dat ten name van de Stichting staat.  

2.8 De Stichting en [eiser B] hebben op 06 september 2019 hoger beroep tegen het kort gedingvonnis aangetekend. 

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 De Stichting en [eiser B] vorderen – na wijziging van eis – dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,: 

a)de werking van het vonnis d.d. 03 januari 2019, ter Griffie der Kantongerechten bekend onder A.R. No. 15-1229 schorst, althans opschort totdat in appel over dit vonnis zal zijn beslist; 
b)[gedaagde]verbiedt om de verdere executie van het litigieuze vonnis voort te zetten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 000,- per dag, voor iedere dag of keer dat [gedaagde] in gebreke mocht blijven of nalaten uitvoering te geven aan dit nog te wijzen vonnis; 
c) het door[gedaagde]middels het deurwaardersexploot d.d. 03 september 2019, No. 619, afkomstig van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, Derrick Jan Chocolaad, gelegd executoriaal beslag op het recht van grondhuur opheft en doorhaalt in de daartoe bestemde registers van M.I. Glis; 
d)[gedaagde] veroordeelt om bijwege van voorschot aan de Stichting en [eiser B] te betalen het bedrag ad USD 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de dag der algehele voldoening; 
e)[gedaagde]veroordeelt in de kosten van het geding.  

3.2 De Stichting en [eiser B] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergond van de feiten vermeld onder 2, het volgende: 

  •  de tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis zal een noodtoestand aan hun zijde doen ontstaan; 
  •  het gelegde executoriaal beslag is onrechtmatig, omdat zij niets meer verschuldigd zijn aan [gedaagde]. De zaak bekend onder A.R. No. 15-129 stond sedert 11 augustus 2016 voor vonnis en hebben partijen nadien op 21 november 2016 een schikking getroffen, bij welke schikking de Stichting en [eiser B] tegen finale kwijting van de zaken bekend onder A.R. No. 14-3348 en  
    A.R. No. 15-1229 aan [gedaagde] SRD 15.000,- hebben betaald; 
  • als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] lijden zij schade ad SRD 10.800,-, bestaande uit kosten voor juridische bijstand ad SRD 10.000,- en 8% omzetbelasting, zodat [gedaagde] gehouden is deze schade aan de Stichting en [eiser B] te voldoen. 

3.3 [gedaagde] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.  

4.De beoordeling

Spoedeisend belang 
4.1 Het door de Stichting en [eiser B] gestelde spoedeisend belang, dat niet voldoende gemotiveerd door [gedaagde] is weersproken, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk. Om die reden worden de Stichting en [eiser B] in het kort geding ontvangen. 

Wijziging van eis 
4.2 Bij conclusie van repliek vorderen de Stichting en [eiser B] wijziging van eis, inhoudende dat onder a van het petitum wordt gelezen “03 januari 2019” instede van “03 juli 2019”.  Daar het een wijziging van een kennelijke schrijffout betreft en [gedaagde] hierdoor niet in zijn verweer is geschaad, zal de wijziging worden toegestaan zoals dat reeds is verwerkt onder 3.1 in dit vonnis.  

Het tardief zijn met hoger beroep 

4.3 [gedaagde] werpt op dat de Stichting en [eiser B] laat zijn met het instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep tegen het kort gedingvonnis en dat zij in hoger beroep niet ontvankelijk zullen worden verklaard in het hoger beroep. [gedaagde] concludeert op grond hiervan tot weigering van het gevorderde.  
De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer, omdat slechts het Hof de bevoegdheid heeft om te oordelen of de Stichting en [eiser B] al dan niet binnen de bij wet gestelde termijn het rechtsmiddel van hoger beroep hebben aangewend en om daaraan gevolgen te verbinden. Een rechter van eerste aanleg is daartoe niet bevoegd. 
Wat relevant is in de onderhavige zaak, is dat het hoger beroep is aangetekend en de aanzegging voor het hoger beroep reeds heeft plaatsgevonden opdat kan worden beoordeeld of de door de Stichting en [eiser B] gestelde feiten grond opleveren tot opschorting van de werking van het kort gedingvonnis. 

Niet-ontvankelijkheidsverweer 
4.4 [gedaagde] werpt op dat [eiser B] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering jegens [gedaagde], omdat het perceelland waarop het executoriaal beslag is gelegd in eigendom toebehoort aan de Stichting.  
In reactie hierop stelt [eiser B] dat het kort gedingvonnis ook aan hem is betekend en dat hij blijkens het vonnis ook is veroordeeld tot betaling, zodat hij wel belang heeft bij de onderhavige vordering. 
De kantonrechter verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde]. Zoals De Stichting en [eiser B] terechtstellen is het kort gedingvonnis ook aan [eiser B] betekend, dus is de kans groot dat [gedaagde] – gezien zijn proceshouding – ook het vonnis jegens [eiser B] zal ten uitvoer te leggen. 

Gezag van gewijsde 
4.5 [gedaagde] voert aan dat hij het volste recht heeft om het kort gedingvonnis te executeren, omdat het sedert maart 2019 al in gezag van gewijsde is gegaan.  
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat [gedaagde] uit van een onjuist standpunt. Zoals reeds hiervoor onder 4.3 in dit vonnis is overwogen, heeft slechts het Hof van Justitie de bevoegdheid om te oordelen over het hoger beroep. Bovendien heeft een kort gedingvonnis kracht van gewijsde en geen gezag van gewijsde. Het verweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.  

Misbruik van bevoegdheid 
4.6 [gedaagde] weerspreekt dat hij misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid. In dat licht stelt hij dat de Stichting en [eiser B] hem in totaal SRD 17.000,- aan honorarium verschuldigd zijn voor de juridische bijstand die hij hen heeft verleend in de zaken bekend onder A.R. No. 10-0844 en A.R. No. 12-3653 en dat ter zake het honorarium nimmer een schikking tussen partijen is geweest. Ter staving van zijn standpunt beroept [gedaagde] zich op een schrijven van  04 september 2016, dat hij als productie ten processe heeft overgelegd. Het betreft een schrijven van hemzelf gericht aan de toenmalige gemachtigde van de Stichting en [eiser B].  

Nadat hij vanwege het achterwege blijven van de betaling van het honorarium door de Stichting en [eiser B] conservatoir beslag op het perceelland had gelegd werd [gedaagde], aldus zijn verdere betoog, door de toenmalige gemachtigde van de Stichting en [eiser B] benaderd om gedeeltelijk te schikken. In dat kader is er een gedeeltelijke schikking getroffen, inhoudende dat de gemaakte proceskosten ad. SRD 15.000,- voor het indienen van de zaken met A.R. No. 15-1229 en A.R. No. 14-3348 betaald moesten worden aan [gedaagde]. Ter staving hiervan beroept hij zich op een fotokopie van een kwitantie welke is getekend door de toenmalige gemachtigde van de Stichting en [eiser B], welke is gedateerd 21 november 2016. Over de betaling van het honorarium ad SRD 17.000,- hebben partijen geen schikking getroffen en zouden de hiervoor vermelde rechtszaken normaal voortgang vinden. De Stichting en [eiser B] hebben tot op heden het honorarium niet aan hem voldaan.  

De Stichting en [eiser B] daarentegen blijven volharden in hun stelling dat [gedaagde] misbruik maakt van executiebevoegdheid, omdat ter zake dit onderwerp er een schikking was bereikt en dit pas aan het licht is gekomen nadat het vonnis in kort geding is gewezen.  

4.7 De kantonrechter leidt uit de inhoud van de productie die [gedaagde] bij conclusie van antwoord heeft overgelegd, zijnde de productie die hij kwalificeert als een kwitantie van betaling, af dat het geen kwitantie van betaling betreft maar een omschrijving van de kosten die de Stichting en [eiser B] aan [gedaagde] verschuldigd zijn welke [gedaagde] aan de toenmalige gemachtigde heeft opgestuurd. Dit leidt de kantonrechter af uit de zinsnede bovenaan de productie “Ontvangen van mr.[gedaagde], adv. d.d. 21 nov. 2015”, op welk stuk de toenmalige advocaat heeft getekend voor ontvangst, met vermelding van de datum van ontvangst, terwijl de productie die de Stichting en [eiser B] bij inleidend verzoekschrift ten processe hebben overgelegd, wel een kwitantie van betaling betreft die door [gedaagde] zelf is getekend en is gedateerd 21 november 2016. Op de bedoelde kwitantie, die door [gedaagde] is getekend, staat het volgende vermeld: “finale afwikkeling inz [gedaagde] ca St Meganaht/[eiser B] AR 14.3348 en AR 15.1229”. Hieruit leidt de kantonrechter ondubbelzinnig af dat het bedrag van SRD 15.000,- heeft gediend ter finale afwikkeling van het tussen partijen bestaande geschil over de vordering die [gedaagde] op de Stichting en [eiser B] meende te hebben. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat [gedaagde] wel misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid. Het bovenstaande wordt versterkt met het gegeven dat [gedaagde] ermee bekend was dat in bodemprocedure de vordering in de hoofdzaak vanwege de schikking was afgewezen, hetgeen hij heeft verzwegen in de kort gedingzaak die zich toen al in staat van wijzen bevond. Zou de kantonrechter in kort geding van de schikking en het bodemvonnis op de hoogte zijn geweest of gebracht, dan zou hij/zij naar alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op grond van de afstemmingsregel die in de jurisprudentie is ontwikkeld het kort gedingvonnis hebben afgestemd op het bodemvonnis oftewel het vonnis in de hoofdzaak. De afstemmingsregel houdt in dat de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, zijn vonnis moet afstemmen op de beslissingen in de hoofdzaak in het vonnis in de bodemzaak. Ter zake verwijst de kantonrechter naar het arrest van HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015. 

Nu dat van de schikking als een feit kan worden aangemerkt dat na het kort gedingvonnis aan het licht is gekomen en de tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis een noodtoestand aan de zijde van de Stichting en [eiser B]  zal doen ontstaan, dient het gevorderde onder a te worden toegewezen. Hieruit vloeit ook voort dat de gevorderde voorzieningen onder b en c dienen te worden toegewezen. De medegevorderde dwangsom die gekoppeld is aan de gevorderde voorziening onder c, zal eenmalig worden vastgesteld op het bedrag zoals hierna in de beslissing vermeld. 

Advocaat kosten 
4.8 [gedaagde] weerspreekt het bedrag ad SRD 10.500,- aan de Stichting en [eiser B] verschuldigd te zijn, omdat zij dat niet hebben bedongen.  
De kantonrechter kan geen chocola maken van dit verweer van [gedaagde]. De grondslag van de advocaatkosten is misbruik van executiebevoegdheid, zijnde een onrechtmatige daad. Als gevolg hiervan hebben de Stichting en [eiser B] schade geleden. Vaststaat en zichtbaar is, dat de Stichting en [eiser B] zich hebben moeten doen bijstaan door een advocaat waaraan kosten verbonden zijn, zodat [gedaagde] aansprakelijk is voor deze schade. [gedaagde] heeft de hoogte van de advocaatkosten als schadepost niet weersproken, zodat het gevorderde onder d zal worden toegewezen doch met uitzondering van de omzetbelasting. Dit, omdat er geen bewijs is dat de omzetbelasting is afgedragen aan de Inspecteur der Belastingen. 

Proceskosten 
4.9 Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 300,-.  

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding: 
5.1 Staat toe de gevorderde wijziging van eis. 

5.2 Schort op de werking van het kort gedingvonnis dat tussen partijen is gewezen en uitgesproken op 03 januari 2019, in de zaak bekend onder A.R. No. 15-1229. 

5.3 Verbiedt [gedaagde] om over te gaan tot de verdere tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis bekend onder A.R. No. 15-1229 tussen partijen gewezen en uitgesproken op 03 januari 2019, onder verbeurte van een eenmalige dwangsom ad SRD 5.000.000,- (Vijf Miljoen Surinaamse Dollar). 

5.4 Heft op het door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D. Chocolaad, bij exploot d.d. 03 september 2019 no. 619 gelegde executoriaal beslag op het in het exploot omschreven perceelland en gelast de doorhaling van de overschrijving van dit beslag in het daartoe bestemde register van het Management Instituut GLIS.  

5.5 Veroordeelt [gedaagde] om bij wege van voorschot aan de Stichting en [eiser B] te betalen het bedrag ad SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar), zijnde advocaatkosten oftewel een deel van de door hun geleden schade. 

5.6 Verklaart hetgeen onder 5.2 tot en met 5.5 is beslist uitvoerbaar bij voorraad. 

5.7 Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en [eiser B] zijn gevallen en tot aan de dag van de uitspraak zijn begroot op  SRD 350,- (Driehonderd en Vijftig Surinaamse Dollar). 

5.8 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd. 

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton,  mr. S.M.M.Chu,en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag  19 november 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S. J.S. Bradley, in tegenwoordigheid van de griffier.