SRU-K1-2021-11

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-211987
  • Uitspraakdatum 17 juli 2021
  • Publicatiedatum 26 juli 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, is bevoegd te vorderen zich daarin te mogen voegen of tussen te komen. Het toestaan van de voeging kan tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zal leiden, hetgeen in strijd is met de beginselen van een goede procesorde.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1987

17 juli 2021

 Vonnis in kort geding in het incident van:

STICHTING STAATSZIEKENFONDS,

gevestigd en kantoorhoudende aan de F. Derbystraat no. 107-111 te Paramaribo,

eiseres in het incident,

hierna te noemen: SZF,

gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

 

 in de zaak van:

 A. DE STICHTING REGIONAAL ZIEKENHUIS WANICA,

gevestigd aan de Vredenburg Serie B in het district Wanica,

Eiseresin de hoofdzaak, tevens gedaagde in het incident,

hierna te noemen: RZW,

gemachtigde:mr. A.C.A. Karg, advocaat

B. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,

gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 64 te Paramaribo,

eiser in de hoofdzaak, tevens gedaagde in het incident,

hierna te noemen: de Staat,

gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat

 

tegen

 

[gedaagde],

wonende aan de [adres] in [district],

gedaagde in de hoofdzaak, tevens gedaagde in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigden: mr. A.E. Debipersad en mr. T. Jhakry, beiden advocaat.

  1. Het verloop van het proces

            In de hoofdzaak in conventie en reconventie en in het incident

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 06 juli 2021op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d.09 juli 2021;
  • de incidentele eis tot voeging d.d. 12 juli 2021 tot voeging van SZF in de hoofdzaak;
  • de conclusie van antwoord in conventie in de hoofdzaak, tevens eis in reconventie in de hoofdzaak d.d. 15 juli 2021;
  •  de conclusie van antwoord in het incident aan de zijde van RZW en de Staat d.d. 15 juli 2021;
  • de conclusie van antwoord in het incident aan de zijde van [gedaagde]
    d.d. 15 juli 2021.

1.2       De uitspraak van het vonnis in het incident is bepaald op heden.

  1. De feiten voor zover van belang voor het incident en de hoofdzaak in conventie en reconventie

2.1       Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 22 april 2021, in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 20-1182, hierna aangeduid als het vonnis, is RZW veroordeeld tot betaling van loon ad SRD 30.000,- per maand aan [gedaagde] over de periode 19 november 2019 tot en met oktober 2020.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De procespartijen in de hiervoor vermelde zaak zijn geweest,[gedaagde] als de eisende partij en RZW als de gedaagde partij.

2.2       Op 19 mei 2021 heeft [gedaagde] het vonnis aan RZW doen betekenen.
RZW heeft hoger beroep aangewend tegen het vonnis.       

2.3       Blijkens exploot van:
a) de deurwaarder bij het Hof van Justitie, S.S. Saheblal, d.d. 24 juni 2021, no. 108A-21, heeft [gedaagde] op vermelde datum executoriaal derdenbeslag doen leggen op alle gelden, geldswaarden en/of goederen onder de Finabank N.V. ten laste van RZW;

b) de deurwaarder bij het Hof van Justitie, P.S. Olensky, d.d. 28 juni 2021, no. 502-21, heeft [gedaagde] executoriaal beslag doen leggen op de hierna volgende roerende goederen:

1)een wit gelakte pick up van het merk Hunday kentekenno. [nummer];

2) Hunday 15 personen bus, kentekenno. [nummer], witgelakt;

3) een Mitsubishi Rosa 30 personen, kentekenno. [nummer];

4) een Kia Rio personenauto roodgelakt, kentekenno.[nummer];

5) een rechthoekige houten vergaderburo (bruin).

2.4       De executoriale verkoop van de hiervoor onder 2.3 vermelde in executoriaal beslag genomen roerende goederen zal op 21 juli 2021 om 11.00 uur des voormiddag plaatsvinden.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in de hoofdzaak

            In conventie en reconventie

3.1       In conventie vordert RZWdat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

Primair:

           I) gelast de opheffing van het gelegd executoriaal derdenbeslag;

          II) gelast de opheffinghet gelegd executoriaal beslag op de roerende goederen;

Subsidiair:

           I) gelast de schorsing, dan wel opschorting van het gelegd executoriaal derden beslag;

          II) gelast de schorsing, dan wel opschorting het gelegd executoriaal beslag op de roerende goederen;

Zowel primair als subsidiair:

         III) [gedaagde] verbiedt handelingen gericht op de executie, dan wel uitwinning van de executoriale beslagen, althans het vonnis van de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton  d.d. 22 april 2021 met A.R. No. 20-1182;

         IV) [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2       In conventie leggen RZW en de Staat verkort en zakelijk weergegeven, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan het gevorderde ten grondslag:

– het vonnis berust op een klaarblijkelijke feitelijke en juridische misslag;

– een redelijk te respecteren belang tot ten uitvoerlegging van het vonnis aan de zijde van [gedaagde] ontbreekt, omdat RZW bereid is deelbetalingen aan [gedaagde] te plegen, [gedaagde] dubbele inkomsten geniet vanwege zijn dienstbetrekking met SZF en hij inkomsten geniet uit werkzaamheden als arts;

– de inbeslag genomen goederen bestemd zijn voor de openbare dienst, zodat  dit beslag in strijd is met het verbod gesteld in artikel 312a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

– het gelegd executoriaal derdenbeslag is nietig, omdat [gedaagde] het beslag in strijd met het bepaalde in artikel 344 Rv niet tijdig aan RZW heeft doen betekenen.

3.3       In conventie heeft [gedaagde] verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug. 

3.4       In reconventie vordert [gedaagde] dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, RZW veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van US$ 4.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 9 juli 2021 tot en met de dag der algehele voldoening daarvan.

3.5       In reconventie legt [gedaagde] aan het gevorderde ten grondslag dat RZW misbruik maakt van procesrecht, en wel in die zin dat RZW ervoor heeft gekozen om [gedaagde] op te zadelen met een rechtsproces, terwijl zij haar vordering in coventie baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op de stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben. 

  1. De vordering en de grondslag in het incident

            In het incident vordert SZF dat de kantonrechter in kort geding haar toestaat om zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van RZW.

SZF ondersteunt RZW in diens stelling dat het vonnis zowel juridisch als feitelijk onjuist is en stelt daartoe het hierna volgende:

– tussen haar en [gedaagde] heeft vanaf 05 februari 2018 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaan;

– SZF heeft [gedaagde] met ingang van 19 november 2019 aan RZW uitgeleend;

– ondanks [gedaagde] aan RZW was uitgeleend, heeft hij gedurende november 2019 tot en met oktober 2020 normaal salaris van SZF ontvangen. Dit is de periode waarover hij betaling van salaris van RZW heeft gevorderd en waartoe RZW tot betaling van het salaris bij vonnis is veroordeeld;

– indien [gedaagde] daadwerkelijk aanspraak maakt op door RZW te betalen loon, dan maakt SZF aanspraak op restitutie van het totaal door haar aan [gedaagde] betaalde bedrag van SRD 333.514,-; SZF is in het verlengde hiervan door subrogatie gerechtigd dit bedrag van RZW te vorderen en heeft er voldoende belang bij zich te voegen aan de zijde van RZW.

  1. De beoordeling in het incident tot voeging

5.1       RZW en de Staat referen zich ten aanzien van het incident, aan het oordeel van de kantonrechter. [gedaagde] daarentegen heeft bezwaar tegen het incident tot voeging. Het bezwaar van [gedaagde] bestaat daarin, dat toewijzing hiervan tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zal leiden en het de executie onnodig gecompliceerd zal maken, hetgeen in strijd is met de goede procesorde. Voorts voert [gedaagde] aan dat SZF niet gesteld heeft welke nadelige gevolgen de voortzetting van de aangekondigde executie en handhaving van de gelegde beslagen voor haar te weeg zullen brengen, zodat het incidenteel verzoek tot voeging niet toewijsbaar is.

5.2       De kantonrechter is het hierna volgende van oordeel. Ingevolge artikel 214 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, bevoegd te vorderen zich daarin te mogen voegen of tussen te komen.

Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij, die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert (in dit verband wordt verwezen naar HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787)

5.3       De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van SZF dat zij het aan [gedaagde] uitbetaalde salaris over de periode waartoe RZW tot betaling is veroordeeld, onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald en dit bedrag dus van RZW heeft te vorderen. Deze stelling van SZF is niet te volgen, omdat een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling als een zelfstandige vordering jegens [gedaagde] dient te worden aangemerkt en niet als subrogatie. Bovendien geschiedt subrogatie (inde plaatsstelling in de rechten van de schuldeiser ten behoeve van een derde persoon, die deze betaalt) blijkens het bepaalde in artikel 1421 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek bij overeenkomst of uit kracht van de wet.

Voorts valt geenszins uit de door SZF gestelde feiten en omstandigheden af te leiden welke rechtstreekse nadelige gevolgen een toewijzing of afwijzing van de vordering van RZW in de onderhavige zaak, dan wel welke nadelige gevolgen de voortzetting van de aangekondigde executie en handhaving van de gelegde beslagen voor haar (SZF) te weeg zullen brengen. Om die reden zal de vordering in het incident tot voeging worden afgewezen. In dat licht neemt de kantonrechter ook in overweging dat de zaak tussen RZW en [gedaagde] zich reeds in de executoriale fase bevindt en het toestaan van de voeging in dit stadium tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zal leiden, hetgeen zoals [gedaagde] terecht aanvoert, in strijd met de beginselen van een goede procesorde wordt geacht. Dit, temeer daar de veiling van de in executoriaal beslag genomen roerende goederen van RZW op 21 juli 2021 zal plaatsvinden. 

In de hoofdzaak

5.4       Nu de vordering in het incident tot voeging niet zal worden toegestaan, zal vanwege het bijzonder spoedeisend karakter in de hoofdzaak het concluderen stoppen bij conclusie tot uitlating over de producties die in conventie zijn overgelegd en antwoord in reconventie. Mitsdien zal RZW in de gelegenheid worden gesteld om op zondag 18 juli 2021 om 09.00 uur per mailte concluderen voor uitlating productie in conventie en antwoord in reconventie, zonder uitstel. Ditzelfde geldt ook voor de Staat die op zondag 18 juli 2021 om 09.00 uur per mail dient te concluderen voor uitlating producties in conventie, zonder uitstel.

5.5       Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden. 

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:  

In het incident

6.1       Staat niet toe de incidentele vordering tot voeging.

In de hoofdzaak in conventie en reconventie

6.2       Stelt RZW in de gelegenheid om op zondag 18 juli 2021 uiterlijk 09.00 uur per mail te concluderen voor uitlating producties in conventie en antwoord in reconventie, zonder uitstel.

6.3       Stelt de Staat in de gelegenheid om op zondag 18 juli 2021 uiterlijk 09.00 uur per mail te concluderen voor uitlating producties, zonder uitstel.

6.4       Bepaalt dat eindvonnis in de hoofdzaak zal worden gewezen op maandag 19 juli 2021 om 10.00 uur.

6.5       Houdt iedere verdere beslissing in conventie en reconventie aan.

 

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op zaterdag 17 juli 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.