SRU-K1-2021-15

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-213397
  • Uitspraakdatum 30 november 2021
  • Publicatiedatum 01 december 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Gewraakte uitlatingen van gedaagde zijn hooguit sarcastisch. Hiertegenover staan verwijten van eisers waar niet van uitgesloten mag worden dat deze associaties kunnen oproepen met gebeurtenissen die hebben geleid tot misdrijven tegen de menselijkheid. Door deze verwijten is de discussie te zwaar aangezet. Sarcasme benadert bij verre na niet verwijten in de context van discriminatie, dwang en apartheid.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3397

30 november 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van: 

  1. VAN DIJK-SILOS, JENNIFER V.,
  2. MEYE, STEVE,
  3. BHAGWANDIN, PATRICK ANANDKUMAR,

allen wonend te Paramaribo,

eisers,

gemachtigden: mr. F.A.Bhagwandin-Telting en mr. N.U. van Dijk, beiden advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,meer in het bijzonder DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, de heer drs. AmarRamadhin, in persoon en q.q. in de hoedanigheid van Minister van Volksgezondheid,in rechte vertegenwoordigd  wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname,

kantoorhoudend te Paramaribo,

gedaagde,

gemachtigden voor de Staat:mr. A.I. Ramlakhan en mr. C. Lachman, beiden advocaat.

  1. Het procesverloop

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 14oktober2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis die is genomen op de zitting van 28oktober 2021;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1       Op vrijdag 20 augustus 2021 hebben eisers aan de Vice-President van de Republiek Suriname de petitie “Apartheid en Discriminatie in Suriname” aangeboden.

2.2       Volgens het Besluit Taakomschrijving Departementen 1991, voor het laatst gewijzigd bij S.B.2002, no. 16, zijn de bijzondere taken van het ministerie van Volksgezondheid onder meer de volksgezondheid in de ruimste zin en het toezicht op de behartiging van de volksgezondheid in het bijzonder, met inbegrip van de gezondheidsvoorlichting en –opvoeding en het waarborgen van de kwaliteit, beschikbaarheid en bereikbaarheid van de gezondheidszorg over het gehele land.

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1       Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagde veroordeelt:

I. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis rectificatie te doen op dezelfde wijze en via dezelfde media als de uitspraken door gedaagde zijn gedaan op 23 augustus 2021 te weten via dagbladdewest.com, TrishulBroadcasting Network (TBN) en Covid-19 Journaal. 

RECTIFICATIE 

“De door mij, drs. A. Ramadhin, Minister van Volksgezondheid, in interviews gedane uitspraken op 23 augustus 2021 ten aanzien van de aanbieders van de petitie “Apartheid en Discriminatie in Suriname”, te weten

VAN DIJK-SILOS, JENNIFER V.,

MEYE, STEVE en

BHAGWANDIN, PATRICK ANANDKUMAR

zijn onnodig grievend, lasterlijk en beledigend en door de kantonrechter in Kort Geding onrechtmatig geoordeeld jegens voornoemde personen. Ik, drs. A. Ramadhin, Minister van Volksgezondheid doe een beroep op alle media en anderen die hiervan kennis dragen onmiddellijk op te houden om genoemde interviews verder te delen, distribueren en of uit te zenden dan wel te publiceren”; 

althans dat de kantonrechter gedaagde beveelt een zodanige verklaring openbaar te maken in de eerder genoemde media met de strekking tot verbetering van de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van eisers als persoon en als respectievelijk juridisch consultant en geestelijke in de Republiek van Suriname en op de manier die de kantonrechter juist en geraden oordeelt;

II.  zich in de toekomst te onthouden van elke gedraging en of handeling die de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van eisers aantasten;

III. aan eisers elk afzonderlijk een dwangsom van SRD 100.000, – te betalen voor iedere keer of dag dat gedaagde in strijd mocht handelen met de veroordelingen onder I en II;

IV. om bij wege van voorschot de reeds geleden en nog te lijden schade te voldoen,vooralsnog begroot op de tegenwaarde in Surinaamse Dollar van USD 1,500. -;

V. in de proceskosten.

3.2       Aan hun vordering leggen eisers, kort gezegd, ten grondslag dat gedaagde via media zodanige uitspraken over hen heeft gedaan, dat sprake is van belediging, laster, smaad en aantasting van hun recht op een goede naam en eer. Gedaagde heeft eisers beledigd door hen ‘misleiders’ en ‘antivaxxers’ te noemen. In het openbaar heeft gedaagde niet ware uitlatingen over eisers gedaan met de bedoeling hen in een kwaad daglicht te plaatsen. Door zich suggestief over eisers uit te spreken heeft gedaagde onrechtmatig jegens hen gehandeld. Dat gedaagde een gebeuren, waarvoor eiser sub 2 reeds zijn verontschuldiging heeft aangeboden, in herinnering brengt, schaadt de reputatie van eiser sub 2. Gedaagde heeft als gezaghebbende beleidsmaker invloed op het vormen van oordelen over personen en onderwerpen door de samenleving. Eisers lijden naast financiële schade ook imago- en emotionele schade. Op een aanmaning tot rectificatie heeft gedaagde niet gereageerd.

3.3       Gedaagde voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, wordt teruggekomen.

  1. De beoordeling

4.1       Gelet op de aard van de vorderingen, hebben eisers een voldoende spoedeisend belang om in hun vorderingen in het kort gedingte worden ontvangen.

4.2       Als meest verstrekkend verweer voert gedaagde aan dat eisers hem niet in gebreke hebben gesteld en concludeert tot niet ontvankelijkheid van eisers in hun vordering. Hiertegenover stellen eisers een van hen afkomstig schrijven met als onderwerp ‘aanmaning en ingebrekestelling’ van 13 september 2021 betekend op dezelfde dag. Gedaagde voert daartegenaan dat de ingebrekestelling slechts is gericht tot de minister van Volksgezondheid, terwijl in deze zaak de Staat Suriname als gedaagde is opgeroepen.

4.3       Voldoende aannemelijk is dat de aanmanings- en ingebrekestellingsbrief waarnaar eisers verwijzen, volgens het overgelegde deurwaardersexploot No. 21-392, productie 6 bij verzoekschrift, is betekend aan ‘De Minister van Volksgezondheid, drs. AmarRamadin’. Dit leidt tot de vaststelling dat niet de Staat in gebreke is gesteld, maar de minister van Volksgezondheid, drs. AmarRamadin.

4.4       Vast staat voorts dat eisers op 20 oktober 2021 de Staat Suriname zoals hiervoor in de kop van dit vonnis als gedaagde partij is geduid, hebben opgeroepen bij deurwaardersexploot No. 21-454, om op donderdag 28 oktober 2021 ter zitting te verschijnen.

4.5       De wijze van duiding van de gedaagde partij in het verzoekschrift en in het exploot No. 21-454 leidt ertoe dat de specifiek genoemde minister en de persoon Amar Ramadin niet als afzonderlijke procespartijen in dit geding zijn gedaagd en om die reden geen status van procespartij kunnen hebben. Immers, het betreft in deze respectievelijk een bestuursorgaan en een natuurlijke persoon die in rechte niet door de Procureur-Generaal vertegenwoordigd worden. De duiding is onjuist. Dit klemt te meer nu eisers in randnummer 6 van hun verzoekschrift juist stellen dat zij [citaat]: zijn geconfronteerd met uitspraken gedaan door gedaagde, de Minister van Volksgezondheid, die gekwalificeerd kunnen worden als belediging, laster, smaad en aantasting van hun recht op eer en goede naam (…) Gedaagde heeft eisers in de in het 6esustenu genoemde media beledigd, gekrenkt, door hen misleiders en antivaxxers te noemen (…)” [einde citaat]. Ook in hun stellingen na randnummer 6 geven eisers er geen blijk van dat zij een ander voor ogen hebben gehad dan de minister van Volksgezondheid. Eisers verwijzen in randnummer 14 – ter onderbouwing van de ingebrekestelling van gedaagde – naar productie 6, het exploot van betekening aan de minister van Volksgezondheid.Voor zover eisers als uitgangspunt wilden hanteren dat het bestuursorgaan als procespartij mag optreden is zulks niet onjuist, zie ook Hoever-Venoaks en Damen, 2003, hoofdstuk 2. Evenwel is in de onderhavige zaak geen sprake van een bestuursorgaan dat is gedaagd als procespartij. Voorts maakt het bij repliek overgelegd oproepexploot No. 21-461 van maandag 25 oktober 2021, waarin staat dat “Amar Ramadhin” is opgeroepen om op donderdag 28 oktober 2021 op de terechtzitting te verschijnen, de duiding evenminjuist, nu eisers daaromtrent niet de daartoe vereiste proceshandelingen hebben verricht, nog voor zij ter zitting van eis concludeerden in de onderhavige zaak. Het zou in strijd met de goede procesorde zijn om zonder dat sprake is geweest van die voorafgaande proceshandelingen ter zitting, AmarRamadhin als procespartij aan te merken. Bij de gegeven omstandigheden kan de oproep aan Amar Ramadhin om ter terechtzitting te verschijnen slechts begrepen worden als een oproep aan hem als derde. Nu eisers hierover slechts hebben gesteld dat AmarRamadhin bij de eerste behandeling van de zaak ter terechtzitting aanwezig was, kan zulks hen in het licht van voorgaande overwegingen niet baten. De kantonrechter weegt in dit verband mee dat blijkens de conclusie van antwoord en het gevoerd verweer, de gemachtigden zich op het standpunt hebben gesteld dat zij zich voor de enkele gedaagde, de Staat,hebben gesteld, wat zij bij conclusie van dupliek uitdrukkelijk hebben herhaald.

4.6       Eisers zijn niet ontvankelijk voor zover zij hun vorderingen tegen de minister van Volksgezondheid en de persoon AmarRamadin gericht hebben.Suriname, de Staat Suriname, is rechtspersoon en kan in een rechtsgeding als eiser of gedaagde betrokken zijn blijkens art 95 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv, en wordt in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, art 146 lid 2 Gw. Voor zover eisers tegen de Staat Suriname (het ministerie van Volksgezondheid) gevorderd hebben, worden zij in hun vordering ontvangen.

4.7       De achtergrond van het geschil is gelegen in het spanningsveld dat ontstaat tussen sociale en klassieke grondrechten, specifiek dewijze waarop inhoud wordt gegeven aan het algemeen belang in het kader van de Covid-19 pandemie. In de onderhavige zaak heeft dit geleid tot openbare reacties die eisers als kwetsend en beledigend hebben ervaren. De gewraakte uitlatingen zijn overgelegd door middel van een usb sticken quotes (respectievelijk producties 2en 5 bij verzoekschrift).

4.8       Gedaagde weerspreekt dat de uitspraken op de usb stick beledigend zijn. De uitspraken zijn informatief en bedoeld als waarschuwingin verband met de toename van besmettingen met het Corinavirus, in het algemeen belang.De kantonrechter zal volgens de regel bepaald in HR 10 maart 2017, NJ 2017, 147 de beoordeling van productie 2 beperken tot de quotes zoals weergegeven in productie 5 bij verzoekschrift en wel de citaten bij minuut 8:06 en 11:23. De toegepaste regel luidt dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (…). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.

            In de quote van minuut 8:06 hebben eisers onderstreept [citaat]: “Vanwege de beschikbaarheid van vaccins zouden we veel meer mensen kunnen vaccineren, als de anti vax beweging minder fel was gegaan (…) Ik wil alleen hiermee aangeven het is goed dat mensen hun mening geven het is goed dat we de petitie indienen maar de petitie zie je duidelijk dat het gericht is tegen een ministerie of een minister wat ik natuurlijk ook jammer vind (…) het is een gezondheidscrisis dus het is de minister van volksgezondheid die oplossingen moet aandragen samen met de regering ondersteund door de regering maar mijn vraag is naar de mensen toe wilt u verontrust blijven, of wilt u ook onderdeel zijn van die oplossing of wilt u het probleem groter maken?” [einde citaat] en in de quote van minuut 11:23 [citaat]: “We kunnen ook zeggen misschien is het goed dat die groep verontruste burgers een keer besluiten om apart te gaan wonen geïsoleerd van de wereld, want waarschijnlijk lijkt dat de bedoeling geweest te zijn.” [einde citaat].

Eisers hebben voor het overige geen andere concrete passages geselecteerd uit het vastgelegde materiaal op de usb stick die hebben te gelden als feitelijke onderbouwing van hun stelling dat sprake is van belediging, laster, smaad en aantasting van hun recht op eer en goede naam.           

4.9       Voorts beperkt de kantonrechter de beoordeling van uitlatingen gedaan in het Covid-19 Journaal van 23 augustus 2021 tot de benadrukte delen:

            [citaat]:

            “Laten we goed kijken naar mensen die petities indienen.”

            “Minstens één van de indieners van de petitie die leugens heeft verkondigd, misleidende informatie heeft gegeven aan de samenleving waar een jongeman zou zijn neergevallen in een supermarkt als gevolg van een covidprikje om dan daarna terug te komen, toen die grond warm (…) begon te worden, om daarna terug te komen dat het een (…) vergissing was.”

            “(…) hoeveel vertrouwen moet ik dan hebben in zo iemand; dus laten we goed kijken naar de mensen die petities indienen.” 

            “Vandaag is de full approval van Pfizer gegeven zal er dan een argument gezocht worden door die verontruste burgers, laten we eerlijk kijken naar de zaak en laten we goed kijken naar de zaak ik wil graag weten van deze groep die zich zo zorgen maakt over de situatie wat is uw antwoord op deze petitie.” 

            “Met welk gevoel gaan deze verontruste burgers slapen als ze elke dag en de hele dag mensen zitten te demotiveren om te vaccineren om dan te weten dat diezelfde personen die zich niet laten vaccineren het gros van het deel vormt van welke opgenomen wordt in het ziekenhuis met een COVID infectie. Laten we goed kijken naar onze inborst en laten we goed kijken naar deze situatie.” 

            Ik zeg het nogmaals, ik vraag alleen aan de verontruste burgers wat is uw oplossing en met welk gevoel gaat u slapen met welke voldoening gaat u slapen als u op een dag mensen hebt gemotiveerd om niet te vaccineren en om daarna te weten dat 97% van de mensen die wordt opgenomen niet gevaccineerd waren. Is dat uw doel? Wilt u dat hebben voor de samenleving? Kunt u dat gevoel opbrengen die verantwoordelijkheid opbrengen om verantwoordelijk te zijn voor een vierde golf in Suriname.”

            [einde citaat].

4.10     Gedaagde voert – kort gezegd – aan dat de minister vrij zijn mening uit in een poging de samenleving bewust te maken van de juiste keuze door zich te laten vaccineren. Daarin gaat geen intentie tot beledigen schuil. De minister is open over zijn dagelijkse ervaringen omwille van het bewustmaken van de samenleving. Daarin weegt mee dat hijzelf medicus is. De mening van de minister is dat het aanbieden van de petitie een demotiverende uitwerking heeft op mensen om zich te laten vaccineren. Hij kiest voor het stellen van de retorisch de vraagKunt u dat gevoel opbrengen die verantwoordelijkheid opbrengen om verantwoordelijk te zijn voor een vierde golf in Suriname, wanneer hij de petitie bespreekt, maar die keuze is niet beledigend. Gedaagde ziet niet in waarom verwijzing naar verkeerde informatie die verstrekt is, beledigend is.

4.11     Uit de overgelegde producties waarin uitspraken van de minister zijn aangehaald die hiervoor zijn geciteerd, blijkt niet van het gebruik van het woord ‘wappies’ om eisers te duiden, zodat zulks niet aannemelijk is gemaakt. Voorts blijkt uit de productie 4 bij verzoekschrift dat het woord ‘viruswappie’ niet staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie, zodat niet aannemelijk wordt dat de duiding van scheldwoord door kennelijk nl.wiktionary.org, juist is. Nu het woord ‘antivaxxers’ een begrip uit de actuele pandemie is, komt het de kantonrechter voor dat de connotatie daarvan nog in ontwikkeling is wat een oordeel in deze prematuur maakt.

4.12     De kantonrechter overweegt ten overvloede, dat de gewraakte uitlatingen door de minister van Volksgezondheid hooguit sarcastisch van toon zijn. Gedaagde noemt dit de politieke reactie. Hiertegenover staan verwijten van eisers, waar niet van uitgesloten mag worden dat deze associaties kunnen oproepen met gebeurtenissen in de wereld die hebben geleid tot misdrijven tegen de menselijkheid.Door deze verwijten is naar het oordeel van de kantonrechter de discussie te zwaar aangezet. Sarcasme benadert bij verre na niet verwijten in een context van discriminatie,dwang en apartheid.Het komt de kantonrechter dan ook voor dat in het algemeen belang het nodig is dat partijen binnen korte tijd met elkaar in gesprek raken en de discussie aangaan over de tegenbeweging, dat is het aanbieden van de petitie versus de verantwoordelijkheid voor en bewaking van het algemeen belang, dat is noodzakelijke behandeling in het belang van de openbare orde.

4.13     Nu de gewraakte uitlatingen alle gedaan zijn door de minister van Volksgezondheid en eisers in hun vorderingen tegen de minister niet ontvankelijk zijn, en voorts uit het voorgaande niet aannemelijk is geworden dat sprake is van belediging, laster, smaad en aantasting van recht op eer en goede naam, zullende vorderingen tegen gedaagde worden afgewezen.

4.14     Aan een beoordeling van de overige stellingen en weren van partijen wordt op grond van het voorgaande niet toegekomen, nu zulks niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.15     Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

            De beslissing

            De kantonrechter in kort geding 

5.1       Verklaart eisers niet ontvankelijk in hun vorderingen tegen de minister van Volksgezondheid en Amar Ramadhin.                                                                                                           

5.2       Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.3       Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag 30 november 2021 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.