SRU-K1-2021-6

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-211824
  • Uitspraakdatum 28 juni 2021
  • Publicatiedatum 29 juni 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een onrechtmatige voorlopige hechtenis van eiser. Onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1824

28 juni 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

 [eiser],

wonend in [district],

eiser,

gemachtigde: mr. C. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,

gedaagde,

gemachtigden: mr. D. Bhagwandien en mr. R. Sitaram, wnd. Substituut Officieren van Justitie.

  1. Het procesverloop

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  •  het inleidend verzoekschrift dat met producties op 23 juni 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 juni 2021;
  • de conclusie van antwoord met producties d.d. 24 juni 2021;
  • de mondelinge uitlating producties zijdens eiser;
  • de gehouden comparitie van partijen.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast.

2.1       Eiser is op 13 mei 2021 aangehouden en in verzekering gesteld en ingesloten in het cellenhuis verbonden aan het Politiestation te Leiding 9, voor het overtreden van de artikelen 188, 188 jo 67; 278 leden 1 en 2; 278 leden 1 en 2 jo 72; 278 leden 1 en 2 jo 73; 278 leden 1 en 2 jo 67; 278 leden 1 en 2 jo 72 jo 67; 278 leden 1 en 2 jo 73 jo 67; 386; 386 JO 72; 386 jo 70 jo 73; 386 jo 70 jo 67; 386 jo 70 jo 72 jo 67; 386 jo 70 jo 73 jo 67 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht; overtreding van de artikelen 2 en 3 van de Wet Tegengaan Smokkelen, artikelen 44 en 45 van de Wet Bosbeheer en artikelen 1 en 7 van de Houtuitvoerwet; artikelen 4 en 7 van de Wet Uitvoerrecht op Hout jo artikel 1 lid 1 sub 20, 24, 25 en 26 en artikelen 2, 3, en 4 van de Wet Economische Delicten.

2.2       Op 17 mei 2021 heeft het Openbaar Ministerie een bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling met dertig dagen uitgevaardigd ingaande 20 mei 2021. Overweging is dat de omstandigheden die tot het uitvaardigen van voormeld bevel hebben geleid nog steeds bestaan en daarmee de dringende noodzakelijkheid tot verlenging daarvan.

2.3       De Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten heeft bij beschikking inzake bewaring van 16 juni 2021 de bewaring van eiser bevolen voor de tijd van dertig dagen ingaande 19 juni 2021.

2.4       Op 22 juni 2021 heeft eiser geweigerd voor ontvangst te tekenen van de beschikking inzake bewaring ingaande 19 juni 2021 afkomstig van de rechter-commissaris.

2.5       In artikel 55 van het Wetboek van Strafvordering, Sv, is als volgt bepaald:

  1. De rechter-commissaris kan, zolang het onderzoek der zaak op de terechtzit­ting in eerste aanleg nog niet is aange­vangen, op de vordering van de vervolgings­ambtenaar een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen.
  2. Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is dat voor het verlenen van zodanig bevel geen termen aanwezig zijn, wijst hij de vordering af.
  3. In het andere geval hoort hij, tenzij het voorafgaand verhoor van de verdachte niet kan worden afgewacht, alvorens te beslissen, deze omtrent de vordering van de vervolgingsamb­tenaar en kan hij te dien einde, zonodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten.
  4. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. Artikel 16, laatste lid, is van toepassing.

 

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1       Eiser vordert – kort gezegd – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagde veroordeelt:

  1. om hem binnen een uur na vonnis dan wel binnen een in goede justitie te bepalen termijn lijfelijk in vrijheid te stellen;
  2. hem bij wege van dwangsom het bedrag van SRD 100.000, – te betalen voor elk uur dat gedaagde in strijd handelt met het gevorderde onder 1.

Voorts is veroordeling van gedaagde in de proceskosten gevorderd.

3.2       Eiser legt – kort gezegd – aan zijn vordering ten grondslag dat hij onrechtmatig is ingesloten en het Openbaar Ministerie, hierna het OM, aldus onrechtmatig jegens hem handelt. Het OM heeft niet tijdig op de door de wet voorgeschreven wijze een bevel van bewaring aan eiser betekend. De rechter-commissaris heeft op 16 juni een vordering tot bewaring van eiser in behandeling genomen, waarop de gemachtigde van eiser heeft gereageerd. Eiser heeft hierna niets meer vernomen. Een verzoek ex artikel 61 Sv tot opheffing van de voorlopige hechtenis kan eiser niet tot het Hof richten, omdat in zijn geval geen sprake is van een rechtmatige bewaring. Het Openbaar Ministerie handelt in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Het uitblijven van het bevel doet sprake zijn van detournement de pouvoir zijdens het OM.

3.3       Gedaagde voert verweer. Naast de feiten als hiervoor in randnummers 2.1 tot en met 2.3 vermeld voert gedaagde aan dat de rechter-commissaris door de thans heersende Covid-19 pandemie eiser noch in persoon noch telefonisch heeft gehoord. De wettelijke grondslag van de voorlopige hechtenis van eiser ligt besloten in het bevel van bewaring bij beschikking van de rechter-commissaris. De bewaring van eiser is volgens de beschikking ingegaan op 19 juni 2021 en de beschikking is, door overmacht ontstaan aan de zijde van het OM, op 22 juni 2021 aan eiser uitgereikt.

  1. De beoordeling

4.1       De spoedeisendheid blijkt uit de aard van de vordering, zodat eiser zal worden ontvangen in het kort geding.

4.2      Het partijdebat ter zitting resulteert in een drietal vragen die in dit geding beantwoord moeten worden. Kort gezegd luiden de vragen 1. Is sprake van innerlijke tegenstrijdigheid in de beschikking van de rechter-commissaris?, 2. Leidt het moment van uitreiking van het bewaringsbevel tot een onrechtmatige voorlopige hechtenis van eiser? en 3. Is sprake van overmacht zijdens het OM door de zich voordoende logistieke problemen?.

4.2.1   Volgens eiser is de beschikking van de rechter-commissaris innerlijk tegenstrijdig, nu de zesde overweging van die beschikking, “Overwegende, dat geen termen aanwezig geacht worden tot het uitvaardigen van een bevel tot bewaring tegen de verdachte(n) voornoemd;” niet is doorgestreept, maar de tekst na “BESCHIKKENDE:” luidt: “Beveelt de bewaring van de verdachte(n) (…) 9. [naam 1] (…)” voornoemd voor de tijd van dertig dagen ingaande (…) 19.06.2021 (sub 7 t/m 9); (…) in een huis van bewaring in Suriname;”.

4.2.2   De kantonrechter overweegt dat onder de tekst “BESCHIKKENDE:”, de beslissing “Weigert het gevorderde bevel tot bewaring ten aanzien van de verdachte(n) voornoemd; en beveelt hun/zijn/haar onmiddellijke invrijheidstelling;” is doorgestreept. Van belang is daarbij dat ook acht wordt geslagen op de voorafgaande vierde en vijfde overweging van de rechter-commissaris en wel dat de rechter-commissaris kennis heeft genomen van de vordering tot (verlenging) bewaring en de overige door de vervolgingsambtenaar opgestuurde stukken, en dat de in de vordering genoemde feiten en omstandigheden aanleiding geven om het gevorderde bevel uit te vaardigen. Gelet op voorgaande berust de niet doorgestreepte overweging als hiervoor in randnummer 4.2.1 geciteerd op een kennelijke misslag. De kantonrechter leest de beschikking met verbetering van die misslag en wel met doorstreping van “Overwegende, dat geen termen aanwezig geacht worden tot het uitvaardigen van een bevel tot bewaring tegen de verdachte(n) voornoemd;”.

4.2.3   In de eerste overwegingen in de bewaringsbeschikking verwijst de rechter-commissaris naar de richtlijnen en maatregelen in verband met de verspreiding van het SARS-COV-2/COVID-19 virus. De kantonrechter oordeelt dat de rechter-commissaris in overeenstemming met de bekendmaking HVJ-69 van 31 mei 2021 op www.rechtspraak.sr – over aanpassingen in de strafrechtspleging en uitgevaardigd door het Hof van Justitie – heeft overwogen dat het verhoor van eiser noch fysiek noch telefonisch kan plaatsvinden. Dat het Hof in verband met de virus uitbraak als hiervoor aangehaald bekendmakingen via zijn website doet, is anders dan eiser stelt bij de Orde van Advocaten genoegzaam bekend.

4.3       Gedaagde beroept zich op artikel 68 Sv, specifiek lid 5, waarin is bepaald: “Het [bevel] wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.” Ook sluit gedaagde aan bij artikel 78 lid 5 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, WvSv, dat een eenduidige bepaling bevat. De toelichting bij het artikel in ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003 voert gedaagde mede aan ter onderbouwing van haar verweer. Die toelichting luidt: “Indien het bevel niet overeenkomstig het vijfde lid vóór of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, hoeft dit verzuim niet aan de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging in de weg te staan.” Gedaagde verwijst ook naar de daar genoemde rechtspraak, te weten HR 28 mei 1982, NJ 1982, 490 en HR 3 mei 1988, NJ 1989, 187.

4.3.1    Over de zinsnede “bij de tenuitvoerlegging”, overweegt de kantonrechter als volgt. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 1991 over het begin en einde van een bevel bewaring oordeelt hij dat het bevel ingaat op het moment van tenuitvoerlegging en de tenuitvoerlegging gaat in bij het begin van de vrijheidsbeneming dan wel bij beëindiging van de lopende vrijheidsbeneming in dezelfde zaak. De verlenging inverzekeringstelling van eiser is ex artikel 50 lid 1 Sv op 20 mei 2021 ingegaan. Dit betekent dat de verlenging inverzekeringstelling afliep op 19 juni 2021. De inbewaringstelling is op 19 juni 2021 ingegaan, zie HR 22 oktober 1991, NJ 1992, 232 en ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. De tenuitvoerlegging begint op het tijdstip waarop de termijn van de (verlenging) inverzekeringstelling afloopt, volgens ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003, artikel 64 WvSv, onder 2. ‘Ingang bewaring’.

4.3.2    Uit recentere rechtspraak blijkt eveneens dat een bevel dat niet voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, geen onrechtmatigheid van de voorlopige hechtenis tot gevolg heeft, ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. In bedoeld arrest overweegt het Hof: “De officier van justitie is belast met de tenuitvoerlegging van het bevel bewaring en tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald vangt de tenuitvoerlegging aan op het moment dat de inverzekeringstelling afloopt (ECLI:NL:HR:1991:ZC8864).” Het verweer van gedaagde snijdt hout.

4.4       Anders dan eiser meent, is in artikel 69 Sv de opheffing van een bevel tot voorlopige hechtenis geregeld wat in casu geen toepassing vindt. De kantonrechter merkt in dit verband op dat interpretatievrijheid bij dwangmiddelen het kleinst is. De rechter dient zich zeer strikt aan de bewoordingen van de wet te houden, zie G.J.M. Corstens, zesde druk, 2008.

4.5       Uit de inhoud van bijlage II blijkt niet van een aan eiser betekend bevel van bewaring, waar hij kennelijk van uitgaat, maar van een rapport opgemaakt door de inspecteur van politie, [naam 2], dat gericht is aan de Procureur-Generaal. Het rapport is een relaas van feiten die verband houden met de betekening van beschikkingen inzake bewaring van onder anderen eiser. De stelling van eiser dat het document niet voldoet aan de vereisten van artikel 415 Sv gaat dan ook niet op.

4.6       Eiser beroept zich voorts op de Grondwet, GW, hoofdstuk V, kennelijk de artikelen 10 tot en met 12. Nu eiser zijn verwijzing naar de Grondwet niet nader heeft onderbouwd, merkt de kantontonrechter slechts op als volgt. Allereerst blijkt voldoende uit de processtukken dat eiser bijstand heeft van een gemachtigde, artikel 12 lid 1. Voor zover de stelling van eiser is gericht op de artikelen 10 en 11 – specifiek de openbare behandeling van zijn klacht, geeft de behandeling van de onderhavige zaak voldoende blijk dat eiser daarin niet is beperkt, nu hij via zijn gemachtigde zijn stellingen heeft kunnen voorbrengen. Over de richtlijnen en maatregelen in verband met het SARS-COV-2/COVID-19 virus merkt de kantonrechter – voor zover van belang – op dat het Hof geen mogelijkheid heeft om anders daarover te oordelen en te handelen dan tot nog toe uit zijn bekendmakingen blijkt. In dit geval ligt het op de weg van de wetgever om hier eventueel in te voorzien.

4.7       Uit het voorgaande is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat sprake is van een onrechtmatige voorlopige hechtenis van eiser. Het OM en de rechter-commissaris hebben met in achtneming van het sterk wetsgebonden karakter van de in het strafprocesrecht bepaalde termijnen de voorlopige hechtenis van eiser respectievelijk gevorderd en bevolen. Dat brengt met zich dat voorshands oordelend onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Ook is onvoldoende aannemelijk dat sprake zou zijn van het uitblijven van het bewaringsbevel inzake eiser.

4.8       Tot slot en voor zover nog van belang merkt de kantonrechter op dat uit voorgaande overwegingen voortvloeit dat anders dan eiser heeft gesteld, een verzoek ex artikel 61 Sv voor hem openstond.

4.9       De kantonrechter komt op grond van het al voorgaande niet meer toe aan een beoordeling van de overmacht waarop gedaagde zich beroept.

4.10     Slotsom is dat het gevorderde zal worden afgewezen.

4.11     Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

            De kantonrechter in kort geding:        

5.1       Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2       Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 28 juni 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.