SRU-RC-2019-5

  • Instantie Rechter Commissaris in Strafzaken
  • Zaaknummer --
  • Uitspraakdatum 26 februari 2019
  • Publicatiedatum 29 oktober 2020
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoek tot inverzekeringstelling ex artikel 54 A SV.Verklaart verzoeker/verdachte niet- ontvankelijk in zijn verzoek tot invrijheidstelling.

Uitspraak

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling ingediend op 19 februari 2019, door
mr.F.F.P. Truideman, raadsman van verzoeker/ verdachte:[verzoeker/verdachte];

Gezien de stukken, waaronder:

  • het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verzoeker/ verdachte voornoemd op 17 januari 2019 in verzekering is gesteld op verdenking van het begaan van de misdrijven vastgelegd in de artikelen 188 van het Wetboek van Strafrecht, art. 3 lid 1a en B Sub A, B en C jo art. 11 jo art. 12 Wet Verdovende Middelen;
  • het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling d.d. 22 januari 2019 en ingaande op 24 januari 2019;
  • de beschikking van de rechter-commissaris, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, gegeven d.d. 18 februari 2019, waarbij de bewaring van de verzoeker/ verdachte voornoemd is bevolen per ingaande 23 februari 2019;
  • het proces-verbaal betreffende de behandeling van de opening van het GVO en de behandeling van de vordering inbewaringstelling d. 14 februari 2019; 

Gehoord de verzoeker/ verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Gehoord de raadsman mr. F.F.P. Truideman;

Gehoord de vervolgingsambtenaar, mr. R.Elgin;

Ontvankelijkheid van verzoeker/ verdachte:
De vervolgingsambtenaar heeft aangevoerd dat, op de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris is beslist dat de vrijheidsbeneming moet voortduren in verband met het GVO.Aangezien de rechtelijke toetsing van de vrijheidsbeneming reeds heeft plaatsgevonden moet verzoeker naar de mening van de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk worden verklaard in diens verzoek tot invrijheidstelling.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat:

  • verzoeker / verdachte thans verlengd in verzekering is gesteld;
  • de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte per ingaande 23 februari 2019 een aanvang zal hebben;
    Om die redenen staat naar de mening van de raadsman voor verzoeker/ verdachte op grond van art. 54a Sv de mogelijkheid open om in deze periode van de verlenging van de inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling te verzoeken.

Vaststaande feiten

  • op 6 februari 2019 is de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte door de vervolgingsambtenaar gevorderd;
  • op 14 februari 2019 is verzoeker/ verdachte geleid voor de rechter-commissaris in verband met de opening van het Gerechtelijk Vooronderzoek (GVO);
  • de vordering tot inbewaringstelling is vervolgens in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld;
  • verzoeker/verdachte is in het kader van de gevorderde bewaring met bijstand van zijn raadslieden Bsc. I.D. Kanhai, mrs. F.F.P. Truideman en C. Rambaros gehoord;
  • bij beschikking d.d. 18 februari 2019 is ten aanzien van verzoeker/verdachte het bevel bewaring voor de tijd van dertig dagen per ingaande 23 februari 2019 gegeven.

De beoordeling
Aan de orde is de vraag of verzoeker/verdachte onder de boven aangehaalde omstandigheden om zijn invrijheidstelling kan vragen op grond van art. 54a Sv?

  1. De wetstekst van artikel 54a lid 1 Sv luidt- voorzover van belang- : “uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter- commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in de eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling verzoeken.”Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( HvJ 29 september 2009 inz Bharos S. en HvJ 4 december 2009 inz. Koendjbiharie L.) moet de mogelijkheid voor de verdachte openstaan om ook in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 54a Sv.
  2. 54a Sv waarborgt het recht van de verdachte om gedurende de verlenging van de inverzekeringstelling eenmaal een beroep te doen op rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming. Derhalve is het begrijpelijk dat die verzochte rechtelijke toetsing alleen kan plaatsvinden voordat een rechtelijke toetsing heeft plaatsgevonden in het kader van de bewaring van en/ of het GVO tegen een verdachte.
  3. In het onderhavige is de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld en kon daarbij over de noodzaak van voorlopige hechtenis worden geoordeeld omdat, aanstonds duidelijk was dat:
  • de vrijheidsbeneming moest voortduren in verband met het GVO;
  • het ook uit oogpunt van doelmatigheid gewenst was de vordering zoveel mogelijk simultaan met de opening van het GVO te behandelen;
    Met deze aanpak is tevens voorkomen dat de verzoeker/verdachte binnen een periode van enkele dagen tweemaal voor de rechter-commissaris moest worden geleid: eerst in verband met de opening van het GVO, en vervolgens opnieuw in verband met de behandeling van de vordering inbewaringstelling.

4. De rechtelijke toetsing van verzoeker/ verdachte zijn vrijheidsbeneming in het kader van het GVO en de gevorderde bewaring hebben plaatsgevonden op 14 februari 2019. Hierna deed de verzoeker/ verdachte op 19 februari 2019 op grond van art. 54a Sv een verzoek tot rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming.
5. Blijkens de strekking en het systeem van de betrekkelijke bepaling heeft de wetgever niet de bedoeling dat de verdachte in verband met de rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming binnen de periode van de (verlengde) inverzekeringstelling tweemaal voor de rechter-commissaris kan worden geleid.

Nu, vaststaat dat de rechtelijke toetsing van verzoeker/verdachte zijn verdere vrijheidsbeneming met het oog op het GVO en de gevorderde bewaring reeds heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019, moet onderhavig verzoek beschouwd worden als één die buiten de sfeer van artikel 54a lid 1 Sv valt en daardoor niet op de wet gestoeld is; dit verzoek zal daarom ook niet- ontvankelijk verklaard moeten worden.

BESCHIKKENDE:
Verklaart verzoeker/verdachte niet- ontvankelijk in zijn verzoek tot invrijheidstelling.

Aldus gegeven te Paramaribo op 26 februari 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de Griffier mr. S.MULLER-BIEKMAN.

De Griffier,
De Rechter-Commissaris,

mr.S.MULLER-BIEKMAN 
mr. D.G.W. KARAMAT ALI