- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer GR-15176
- Uitspraakdatum 04 december 2020
- Publicatiedatum 24 maart 2021
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Volgens artikel 276 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient de griffier van het kantongerecht ingevolge de stukken op te sturen naar het Hof van Justitie voor de behandeling in hoger beroep. Artikel 208 BRv beoogt naar het oordeel van het Hof de wederpartij van de partij die nalaat (verdere) proceshandelingen te verrichten, de mogelijkheid te bieden de zaak te doen beëindigen wegens onredelijke vertraging. Volgens het Hof kan de vertraging niet worden tegengeworpen.De door de erven [naam] gevorderde verval van instantie zal daarom worden afgewezen.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15176
26 november 2020
In de zaak van
- [verzoeker],
- [verzoeker 2],
- [verzoeker 3],
- [verzoeker 4],
- [verzoeker 5],
- [verzoeker 6],
- [verzoeker 7],
- [verzoeker 8],
hierna te noemen de erven [naam],
allen wonende in [district],
verzoekers,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,
tegen
a. [verweerder],
b. [verweerder 2],
echtelieden van elkaar,
hierna te noemen [naam 2] e.a.,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in of buiten [land],
verweerders,
gemachtigde: mr. K.J. Hok-A-Hin, advocaat,
spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van het Hof gedateerd 19 januari 2018. Het Hof volhardt bij de inhoud van dat tussenvonnis.
1. Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
- het proces-verbaal van gehouden verhoor van partijen d.d. 20 april 2018;
- de conclusie houdende rectificatie c.q. wijziging van het rekest d.d. 20 april 2018;
- de antwoordpleitnota met productie d.d. 1 juni 2018;
- de repliekpleitnota met productie d.d. 6 juli 2018;
- de dupliekpleitnota met productie d.d. 3 augustus 2018;
- de conclusie tot uitlating d.d. 2 november 2018;
1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
2. De feiten
2.1 [naam 2] e.a., als eisers in conventie en gedaagden in reconventie, hebben op 30 december 1992 een vordering aanhangig gemaakt tegen de gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie:
- [gedaagde in conventie] en zijn echtgenote [eiser in reconventie] en
- [gedaagde in conventie] en zijn echtgenote [eiser in reconventie].
2.2 De kantonrechter heeft – zover van belang – bij vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder A.R. no. 92–4709 als volgt beslist:
“In het incident:
Verklaren eisers niet ontvankelijk in hun vordering tot voeging van de voorliggende zaak met de zaak AR 916317 en in hun verzoek tot rolvoeging………
In de hoofdzaak:
In conventie:
Wijzen eisers’ primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vordering af; ……..
In reconventie:
Alvorens verder te beslissen:
Gedaagden worden in de gelegenheid gesteld om op de terechtzitting van dinsdag 21 november 1995 aanvangende des v.m. te 8.30 uur, het in 6.2 vermelde bescheid over te leggen;
Laat eisers toe, bevelen hen zover nodig ambtshalve om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen te bewijzen:
“dat het perceel in 1996 door de gemachtigde van [naam 3], te weten H.L. Kuhn, aan de vader van [verweerder] is verkocht en wel voor f.6.000”;………”
2.3 De kantonrechter heeft in dezelfde zaak bij vonnis d.d. 3 maart 1998 het volgende beslist:
“In reconventie:
Ontzegt aan eisers hun vorderingen ………”
2.4 [naam 2] e.a. hebben op 30 oktober 1995 hoger beroep aangetekend.
3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 De erven [naam] vorderen om bij vonnis het aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995, bekend onder A.R. no. 92-4709 vervallen te verklaren van instantie.
3.2 De erven [naam] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de laatste rechtshandeling in de onderhavige zaak gepleegd door [naam 2] e.a. dateert van 30 maart 2013. Op geen enkele wijze is gebleken dat [naam 2] e.a. enige actie hebben ondernomen om het door hen ingestelde appel te doen behandelen. Zij, de erven [naam], hebben recht en belang dat aan deze zaak een eind komt en is het redelijk dat thans het verval van instantie zal worden uitgesproken.
3.2 [naam 2] e.a. hebben verweer gevoerd. Het Hof komt zover nodig daarop terug in de beoordeling.
4. De beoordeling
4.1[naam 2] e.a. hebben onder meer als verweer aangevoerd dat zij op 30 maart 2013 door tussenkomst van deurwaarder J.E. Febis de aanzegging en het desbetreffend proces-verbaal aan het Hof van Justitie hebben afgegeven. Volgens [naam 2] e.a. hebben zij alles gedaan wat in redelijkheid van hen te verwachten was. Het ligt niet aan hen dat het hoger beroep van de onderhavige zaak nog geen voortgang heeft gehad.
4.2 Tussen partijen staat rechtens vast dat [naam 2] e.a. hoger beroep hebben aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 17 oktober 1995 A.R. No. 92-4709; voorts dat de laatste handeling in genoemde zaak dateert van 30 maart 2013, namelijk dat [naam 2] e.a. door tussenkomst van deurwaarder J.E. Febis de aanzegging en het desbetreffend proces-verbaal aan het Hof van Justitie (lees de griffier der Kantongerechten) hebben afgegeven.
Na deze handeling aan de zijde van [naam 2] e.a., diende de griffier van het kantongerecht ingevolge artikel 276 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) de stukken op te sturen naar het Hof van Justitie voor de behandeling in hoger beroep.
4.2.1 Ingevolge artikel 208 BRv vervalt alle instantie indien de zaak binnen drie jaren niet is voortgezet. Dit artikel beoogt naar het oordeel van het Hof de wederpartij van de partij die nalaat (verdere) proceshandelingen te verrichten, de mogelijkheid te bieden de zaak te doen beëindigen wegens onredelijke vertraging.
Naar het oordeel van het Hof is niet gebleken dat [naam 2] e.a. na het aantekenen van hoger beroep hebben nagelaten verdere proceshandelingen te verrichten. Integendeel hebben zij de van hun verlangde aanzegging van het hoger beroep aan de wederpartij gedaan en was het wachten op het moment waarop de stukken door de griffier van het kantongerecht zouden worden verzonden naar het Hof van Justitie voor de behandeling in hoger beroep. Het Hof concludeert derhalve dat de “vertraging” [naam 2] e.a. niet kan worden tegengeworpen.
De door de erven [naam] gevorderde verval van instantie zal om redenen als voormeld worden afgewezen.
4.3 Gezien het tijdsverloop en de omstandigheid dat de stukken in de zaak bekend onder A.R. no. 92-4709 nog niet zijn ontvangen door het Hof, heeft het Hof ambtshalve een onderzoek ingesteld naar de reden daarvan.
Gebleken is dat de griffier der kantongerechten vanwege een omissie de stukken niet heeft verzonden naar het Hof. Deze omissie zal worden hersteld zodat het proces bij het Hof van Justitie in hoger beroep zo spoedig mogelijk kan aanvangen.
4.4 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.
4.5 De erven [naam] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.
5.De beslissing
Het Hof
5.1 Wijst af het gevorderde.
5.2 Veroordeelt de erven [naam] in de proceskosten aan de zijde van [naam 2] e.a. gevallen en tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 december 2020, in tegenwoordigheid van mr.S.C.BerensteinBSc., fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday, gemachtigde van verzoekers, terwijl verweerders noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld