SRU-HvJ-2021-47

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Art. 33 WvSr.
  • Uitspraakdatum 31 maart 2021
  • Publicatiedatum 22 januari 2023
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Naar het oordeel van het Hof is in casu het risico van recidivegevaar zijdens verzoeker – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet irrëeel gebleken en acht het Hof het niet raadzaam om verzoeker thans voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Het voorgaande is eveneens ingegeven door het feit dat niet is gebleken dat verzoeker gedurende zijn detentie heeft meegedaan aan eventuele resocialisatieprogramma’s dan wel anderszins heeft gewerkt aan verbetering van zichzelf teneinde gereed te zijn voor een probleemloze terugkeer in de samenleving. Van enige welgemeende spijtbetuiging zijdens verzoeker in de richting van het slachtoffer dan wel diens nabestaanden is het Hof niet gebleken. In stede daarvan heeft verzoeker volhard in zijn stellige ontkentenis hetgeen in de visie van het Hof de conclusie rechtvaardigt dat verzoeker geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn daad, hetgeen geen positief signaal oplevert.

Uitspraak

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma,
gemachtigde: mr. S.W. Amirkhan, advocaat.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift van februari 2021 met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 01 maart 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 03 maart 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 24 maart 2021 om 09.00 uur des voormiddags;
1.3. het proces-verbaal gedateerd 24 maart 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.4. de uitspraak is vervolgens bepaald op woensdag 31 maart 2021.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 24 mei 2000 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging namelijk gekwalificeerde doodslag.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 21 februari 2001 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel tot gevangenhouding en psychologische en psychiatrische begeleiding tijdens de detentie.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft de toenmalige advocaat van [naam] appél ingesteld op 05 maart 2001.
2.4. Het Hof heeft op 27 november 2012 het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton vernietigd en opnieuw rechtdoende [naam] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel tot gevangenhouding en psychologische en psychiatrische begeleiding tijdens de detentie .

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 24 mei 2000 reeds 20 jaren van zijn opgelegde straf heeft uitgezeten. Ingevolge het bepaalde in artikel 28a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), waarin wordt aangegeven dat een veroordeelde die tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, voorwaardelijk in vrijheid gesteld wordt, nadat de vrijheidsbeneming ten minste 20 jaren heeft geduurd, indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer heeft, tekent [naam] bezwaar aan tegen het uitblijven van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.). Immers is [naam] niet in vrijheid gesteld en gaat hij er derhalve van uit dat zijn v.i. aldus is geweigerd. Aan [naam] is nimmer enige beschikking of beslissing uitgereikt.
[naam] kan zich niet verenigen met de fictieve weigering van zijn v.i. en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. (althans zo vat het Hof de inhoud van het schrijven van de advocaat van [naam] op). [naam] geeft aan dat hij verkeerd heeft gehandeld en dat hij heel veel spijt van het gebeurde heeft. Hij heeft de overtuiging dat hij klaar is om zijn leven weer op te pakken. Ingevolge het bepaalde in artikel 28a Sr. blijkt niet dat het de bedoeling is geweest dat [naam] nimmer in vrijheid zal worden gesteld.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] niet voor v.i. in aanmerking komt en dat zij bezwaar heeft tegen gegrondverklaring van het bezwaar. Uit een ingesteld onderzoek harerzijds is gebleken dat [naam] zich gedurende zijn detentie ettelijke keren ernstig heeft misdragen. En gelet op de belangenafweging waarbij het belang van de veroordeelde tegenover de belangen van de samenleving wordt afgezet, blijkt dat de veroordeelde nog steeds een gevaar vormt voor de samenleving, hetgeen zijn v.i. in de weg staat. Voorts geeft zij ter staving van haar standpunt aan dat er ook wordt gelet op het recidivegevaar zijdens de veroordeelde als weigeringsgrond.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 27 november 2012 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel tot gevangenhouding van de veroordeelde en met bepaling dat de verdachte gedurende zijn detentie psychologisch en psychiatrisch begeleid wordt, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (v.i.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel v.i. casu quo weigering v.i.) en 31 Sr. (herroeping v.i.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking aan [naam] is uitgereikt weshalve ervan uit dient te worden gegaan dat de v.i. geacht moet worden te zijn geweigerd. Deze datum moet op of omstreeks 24 mei 2020 zijn geweest, uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling, zijnde 24 mei 2000. Derhalve treedt het bepaalde in artikel 33 lid 1 Sr. tweede volzin in werking en wordt de v.i. van [naam] geacht te zijn geweigerd (fictieve weigering). Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. diende [naam] binnen 14 dagen na 24 mei 2020 zijn bezwaarschrift tegen het uitblijven van v.i. bij het Hof in te dienen en diende aan hem ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 4 Sr. een raadsman van staatswege te worden toegevoegd. In casu heeft [naam] pas op 01 maart 2021 zijn bezwaarschrift ingediend en is er aan hem geen advocaat van staatswege toegevoegd. Conform hetgeen is aangegeven in de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht (blz. 164 laatste volzin) zal het Hof – nu het gaat om een fictieve weigering – die termijn naar redelijkheid en billijkheid interpreteren en [naam] ontvankelijk verklaren in zijn bezwaar. Immers is de Staat Suriname ook in gebreke gebleven om [naam] tijdig van een advocaat te voorzien teneinde zijn belangen betreffende v.i. te behartigen.

5.4. Beoordeling van het bezwaarschrift
5.4.1. Thans zal het Hof overgaan tot de beoordeling van het bezwaar zijdens [naam]. Vooropgesteld wordt dat ingevolge het bepaalde in artikel 28a lid 1 en lid 2 Sr. de veroordeelde tot levenslange gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid gesteld wordt, nadat de vrijheidsbeneming ten minste twintig jaren heeft geduurd en indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient. Het Hof neemt daarbij ten minste in zijn beschouwing de positie van het eventuele slachtoffer of directe nabestaanden en het gevaar dat de veroordeelde alsnog zal recidiveren. Artikel 30a Sr. geeft de uitstel- dan wel weigeringsgronden van v.i. aan. In artikel 30a lid 1 sub c Sr. is aangegeven dat een uitstel- casu quo weigeringsgrond aanwezig is indien is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf zeer ernstig heeft misdragen.
5.4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat uit het onderzoek gebleken is dat [naam] zich gedurende zijn detentie niet goed heeft gedragen en herhaalde malen in de fout is gegaan, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu het risico van recidivegevaar zijdens [naam] – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet irrëeel gebleken en acht het Hof het niet raadzaam om [naam] thans voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Het voorgaande is eveneens ingegeven door het feit dat niet is gebleken dat [naam] gedurende zijn detentie heeft meegedaan aan eventuele resocialisatieprogramma’s dan wel anderszins heeft gewerkt aan verbetering van zichzelf teneinde gereed te zijn voor een probleemloze terugkeer in de samenleving. Van enige welgemeende spijtbetuiging zijdens [naam] in de richting van het slachtoffer dan wel diens nabestaanden is het Hof niet gebleken. In stede daarvan heeft [naam] volhard in zijn stellige ontkentenis hetgeen in de visie van het Hof de conclusie rechtvaardigt dat [naam] geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn daad, hetgeen geen positief signaal oplevert.
5.4.3. Het Hof ziet wel aanleiding om ingevolge het bepaalde in artikel 28a leden 3 en 4 Sr. de situatie na vijf jaren te evalueren en vraagt bij deze aan de vervolging om het nodige te doen teneinde te bewerkstelligen dat [naam] ten laatste zes maanden voor het verloop van de betrokken periode zal worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen. Tevens vraagt het Hof aan de vervolging om [naam] in de tussenliggende periode psychologisch en psychiatrisch te laten begeleiden zoals het Hof in diens vonnis de dato 27 november 2012 heeft bepaald. Ook ziet het Hof aanleiding om aan de vervolging te vragen om het daarheen te leiden dat [naam] in de gelegenheid wordt gesteld om in de tussenliggende periode deel te nemen aan resocialisatieprogramma’s door een gedragsdeskundige zodat hij kan worden voorbereid op een eventuele terugkeer in de samenleving.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar ongegrond.

6.2. Weigert de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 28a Sr.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. F. Amirullah, fungerend-griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 31 maart 2021.

w.g. F. Amirullah w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)