- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer A-610
- Uitspraakdatum 04 mei 2007
- Publicatiedatum 21 juni 2023
- Rechtsgebied Ambtenarenrecht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof van Justitie heeft overwogen dat in artikel 79 van de Personeelswet een limitatieve opsomming is gegeven van hetgeen van het Hof als gerecht in ambtenarenzaken gevorderd kan worden. Het had op de weg van verzoeker gelegen om conform artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet, mede in achtneming van artikel 82 lid 3 van de Personeelswet, de nietigheid van de resolutie van 15 januari 2005 te vorderen. Nu hij zulks heeft nagelaten is zijn petitum niet in overeenstemming met de wet, zodat hij niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
A-610
[Verzoeker], wonende aan [adres] te [plaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat no.40, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.J.V.van Dijk-Silos, advokaat,
verzoeker,
t e g e n
DE STAAT SURINAME, met name
- Het Ministerie van Defensie en
- Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, beiden, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.T.Sewdien, advokaat,
verweerder,
De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker], zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
- Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen: De Staat Suriname, met name
- Het Ministerie van Defensie en
- Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, beiden, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no.3 te Paramaribo.
- Verzoeker is ambtenaar in de zin van de personeelswet en is voor de regeling van zijn rechtspositie de personeelswet en de terzake uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften op hem van toepassing.
- Verzoeker is blijkens resolutie d.d. 14 augustus 1995 [nummer 1] per 02 augustus 1993 benoemd tot Directeur van de Stichting Nazorg Dienstplichtigen en tevens bevorderd tot Hoofdambtenaar A 3e klasse, ingeschaald in schaal 21 genoemde functie ressorteert onder verweerder sub a. Bedoelde resolutie wordt hierbij in fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud hiervan alsmede van de overige overgelegde producties als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.
- Volgens schrijven d.d. 20 juli 1994 van de afdeling personeelszaken sectie organisatie en formatiezaken van het Ministerie van Defensie dat destijds dependance was van het Centraal Staforgaan Formatie en Efficiëntie is de funktie van verzoeker gewaardeerd in de categorie: G (G3, G2, G1) en de daarbij horende rang in Hoofd Ambtenaar A 3e /2e / 1ste klasse en werd geadviseerd verzoeker in de functioneringsschaal 22 te plaatsen.
- Bovengenoemde rang en schaal indeling is blijkens, resolutie d.d. 04 augustus 1986 no.4737 SB 1986 no.50 en resolutie van 11 december 1992 no.7889 SB 1992 no.95 gelijkgesteld aan de functie van een onderdirecteur van de departement van algemeen bestuur en de met hen gelijkgestelden. Bedoelde resoluties worden hierbij in fotokopie overgelegd.
- Alhoewel bij schrijven c.q. raadsvoorstel d.d. 25 februari 1997, kenmerk MB/DD/218 aan de Minister van Defensie het voorstel is gedaan om verzoeker conform missive 733 d.d. 30 november 1995 te rekenen vanaf 01 augustus 1996 te bevorderen naar schaal 22, heeft de toekenning van de bevordering blijkens resolutie d.d. 06 januari 2001, pas op 01 januari 2000 plaatsgehad. Verzoeker is aldus per 01 januari 2000 bevorderd tot Hoofdambtenaar A 2e klasse ingeschaald in schaal 22. Bedoelde resolutie wordt hierbij in fotokopie overgelegd met het verzoek deze als hier letterlijk aangehaald en geinsereerd te beschouwen.
- Bij resolutie d.d. 15 januari 2005 is verzoeker te rekenen vanaf 01 januari 2004 bevorderd tot Hoofdambtenaar “A” 1ste klasse, ingeschaald in schaal 23. Deze resolutie wordt hierbij in fotokopie overgelegd met het verzoek genoemde resolutie als hier letterlijk aangehaald en geinsereerd te beschouwen.
- Ingevolge artikel 4 van het Staatsbesluit van 26 augustus 1998 SB 1998 no.67 en de nota van toelichting hierop dienen de aan de onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur gelijkgestelde functies in het ambtelijke bestel op gelijke voet worden gewaardeerd teneinde een ongerechtvaardigde scheefgroei c.q. achterstelling te voorkomen.
Naderhand is besloten de toe te kennen bezoldiging van de onderdirecteuren voornoemd en de met hen – qua bezoldiging- gelijk gestelden in een aparte bezoldigingsreeks onder te brengen, zoals vervat in het Staatsbesluit van 28 mei 2004 no.77.
- Aangezien verzoeker als functionaris werkzaam binnen het Staatsbestel een rechtspositie bezit die qua bezoldiging en emolumenten gelijk gesteld is als die van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur, dient verzoeker in aanmerking te komen voor de in de bijlage van het Staatsbesluit van 26 augustus 1998 SB 1998 no.67 vastgestelde bezoldiging en emolumenten en wel te rekenen vanaf 01 januari 2000, zijnde de datum waarop verzoeker bevorderd werd tot Hoofdambtenaar 2e klasse, in geschaald in schaal 22. Thans blijkt dat bij de herwaardering van bedoelde toe te kennen onderdirecteuren bezoldiging de functie van verzoeker ten onrechte niet is meegerekend.
- Verzoeker ervaart zulks als groot onrecht en heeft meermalen aan verweerders om rekenschap gevraagd. Verweerders zijn namelijk ingevolge de in sustenu 6 en 7 genoemde resoluties belast met de uitvoering van genoemde resoluties, waaronder begrepen is het volgens de terzake geldende regelen toekennen van de bezoldiging en eventuele toelagen en het vaststellen van de bijdrage grondslag. Echter persisteren verweerders in hun weigering om de bezoldiging van verzoeker in de funktie van Directeur van de Stichting Nazorg Dienstplichtigen en ex-Militairen navenant de bezoldiging van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur te willen aanpassen en wel te rekenen vanaf 01 januari 2000, zijnde de datum waarop verzoeker naar de rang van Hoofdambtenaar A 2e klasse werd bevorderd ingeschaald in schaal 22, weshalve verweerder in strijd handelt met de in het algemeen rechtsbewust zijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van verbod van willekeur en het beginsel van detournement de pouvoir.
Het gelijkheidsbeginsel:
Dit beginsel heeft als uitgangspunt dat gelijke gevallen gelijkelijk behandeld dienen te worden. Vermits de rang en inschaling van verzoeker, gelijk gesteld is aan dat van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur, dient de bezoldiging van verzoeker en de daarbij behorende emolumenten dienovereenkomstig aangepast te worden en wel te rekenen vanaf 01 januari 2000, omtrent de reden van het uitblijven van deze aanpassing tast verzoeker in het duister, aangezien deze nooit aan hem zijn kenbaar gemaakt, laatstaan draagkrachtig te zijn gemotiveerd.
Bovendien zijn in de ambtenarij gevallen bekend waarbij andere ambtenaren met een gelijke rechtspositie als verzoeker gelijkgesteld zijn aan de salariëring van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur te weten onder andere het hoofd Cebuma, het hoofd Thesaurie inspectie en de directeur van het militair hospitaal, hoofd Comptabiliteit van het Ministerie van Financien. Zonder enige motivering weigeren verweerders verzoeker gelijk te stellen waardoor verzoeker ernstig benadeeld wordt hetgeen thans des te meer klemt nu verzoeker binnen korte tijd met pensioen zal gaan weshalve verzoeker een zeer dringend belang heeft bij onderhavige vordering.
Verbod van willekeur:
Verweerder heeft ten aanzien van enkele diensten c.q. functies binnen het ambtelijk bestel met een gelijke rechtspositie als verzoeker de gelijkstelling wel doorgevoerd c.q. uitgevoerd te weten: het hoofd Thesaurie inspectie, directeur militair hospitaal, het hoofd van de Afdeling comptabiliteit van het departement van Financien en anderen.
Nu gebleken is dat verweerders belast met de uitvoering van genoemde Staatsbesluiten, slechts voor enkele diensten binnen het ambtelijk bestel gelijkstelling heeft doorgevoerd kan worden geconcludeerd dat verweerder zich schuld aan een grove vorm van willekeur en aan verzoeker hierdoor ernstig onrecht is aangedaan.
Dat in casu sprake is van detournement de pouvoir blijkt uit het feit dat geen enkel gegronde reden kan worden aangedragen door verweerders om de litigieuze gelijkstelling ten behoeve van verzoeker niet uit te voeren. Bovendien is het duidelijk dat verweerder sub b een conflict met de echtgenote van verzoeker doortrekt naar verzoeker waardoor verzoeker ernstig in zijn rechten wordt aangetast.
- Dat uit het bovenstaande blijkt dat verweerders jegens verzoeker onrechtmatig handelen welk onrechtmatig handelen door de schuld van verweerders grote schade toebrengt aan verzoeker waardoor verzoeker recht en belang heeft onderhavige vordering in te stellen.
Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis:
- Verweerders zullen worden veroordeeld om binnen twee weken na de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis alle handelingen te verrichten om de bezoldiging van verzoeker overeenkomstig de bezoldiging van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur te willen doen aanpassen en wel te rekenen van 01 januari 2000, zijnde de datum per welke verzoeker naar de rang van Hoofdambtenaar A 2e klasse schaal 22 werd bevorderd.
2.Verweerders zullen worden veroordeeld om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen te rekenen vanaf 01 januari 2000;
- de bezoldiging conform de bezoldiging van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur.
- alle emolumenten verbonden aan de in sub a genoemde bezoldiging.
- Verweerders zullen worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van
SRD 10.000,– (tien duizend Surinaamse Dollars) voor iedere dag waarop zij in gebreke blijven om aan het genoemde onder punt 1 en 2 te voldoen, Kosten rechtens.
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:
- Verweerder ontkent en betwist alle stellingen van verzoeker voorzover hij die niet gaaf en onvoorwaardelijk erkent;
- Verweerder erkent hetgeen verzoeker gesteld heeft in het 2e tot en met het 4e, 6e en 7e sustenu van het verzoekschrift;
- Ten aanzien van het 5e en 8ste sustenu van het verzoekschrift: verzoeker gaat er ten onrechte van uit dat er sprake is van een gelijkstelling van de rang van Hoofdambtenaar A 3e, 2e, 1ste klasse en van schaal 22 en 23 aan de functie van een onder Directeur van een Departement van Algemeen Bestuur en de met hen gelijk gestelden. Verweerder heeft een aantal functies uit de schalen 22 en 23 gelicht en apart gewaardeerd vanwege het gewicht van die functies en die zijn de functie van Onder-Directeur en Directeur of het Hoofd van een bepaald orgaan van verweerder. Hiervan is sprake in de gevallen die door verzoeker zijn opgesomd in het 10e sustenu van het verzoekschrift. Zo zijn ook heel wat andere functies ingedeeld gebleven in onder andere de schalen 22 en 23, zonder dat deze functies gelijk gesteld zijn aan die van een Onder Directeur of Directeur zoals bijvoorbeeld in het geval van verzoeker en het Hoofd Juridische Zaken en Verdragen van het Ministerie van Defensie. Er is dus helemaal geen sprake van willekeur zijdens verweerder en heeft verweerder ook niet het gelijkheidsbeginsel geschonden;
- Voorts, volgens de redenering van verzoeker zou zijn indeling in de rang van Hoofd Ambtenaar A 1ste klasse en de daarmee gepaard gaande inschaling in schaal 23 automatisch inhouden dat men een functie vervult, die gelijkgesteld is aan de functie van een Onder Directeur van een departement of directoraat. Dit is dus niet juist en ook niet logisch, want dat zou betekenen dat er geen enkele reden zou zijn schaal 23 te handhaven. Immers, diegenen die in aanmerking zouden komen voor een inschaling in schaal 23, zouden volgens verzoeker automatisch in de schaalindeling moeten komen, die voorbehouden is aan Onder Directeuren van een departement. Zoals hierboven is gesteld, functioneert een groot aantal Hoofdambtenaren A 1ste klasse in de ambtenarij, die volgens schaal 23 bezoldigd worden, omdat hun functie door het bevoegde gezag nu eenmaal niet gelijk is gesteld aan die van een Onder Directeur;
- Verweerder heeft het vorengestelde meerder malen aan verzoeker uitgelegd, doch blijkt deze moeite thans met het instellen van de onderhavige vordering, tevergeefs te zijn geweest;
- Verweerder is niet op de hoogte van een conflict tussen verzoeker zijn echtgenote en verweerder. Doch indien hiervan wel sprake zou zijn geweest, dan staat verzoeker hier helemaal buiten nu hij hiermee niets heeft uit te staan. Indien verzoeker zijn stelling ten aanzien hiervan juist zou zijn geweest, zou verzoeker nimmer in aanmerking zijn gekomen voor al die bevorderingen;
- Uit het verweer blijkt dat verzoeker zijn vordering enige grondslag ontbeert.
Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft gevorderd:
dat verzoeker niet zal worden ontvangen in zijn verzoek c.q. vordering althans deze hem zal worden ontzegd als te zijn ongegrond en niet bewezen, Kosten rechtens;
Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 13 oktober 2006 ten dage van verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.J.V.van Dijk-Silos, advokaat Mr.S.Sewdien, gemachtigde van De Staat Suriname, [naam 1], vertegenwoordigster van het Ministerie van Defensie en de heer Ewald Khodabaks, vertegenwoordiger van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen bij pleitnota, antwoord pleidooi en repliek pleidooi produkties hebben overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker, thans gewezen ambtenaar, blijkens het verzoekschrift aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd,dat:
- hij blijkens resolutie de dato 14 augustus 1975 [nummer 1] per 2 augustus 1993 benoemd is tot Directeur van de Stichting Nazorg Dienstplichtigen en tevens bevorderd tot Hoofdambtenaar A 3e klasse ingeschaald in schaal 21;
- genoemde funktie resorteert onder verweerder sub a (bedoeld wordt: het Ministerie van Defensie)
- volgens schrijven de dato 20 juli 1994 van de afdeling personeelszaken sectie organisatie en formatiezaken van het Ministerie van Defensie dat destijds een dependence was van het Centraal Staforgaan Formatie en Efficiëntie de funktie van hem – verzoeker – gewaardeerd is in de categorie: GCG3, G2, G1) en de daarbij horende rang van Hoofd Ambtenaar A 3e /2e 1ste klasse en werd geadviseerd verzoeker in de funktioneringsschaal 22 te plaatsen;
- bovengenoemde rang- en schaalindeling blijkens resolutie de dato 4 augustus 1986 no.4737 SB 1986 no.50 en resolutie van 11 december 1992 no.7889 SB 1992 no.95 gelijkgesteld is aan de funktie van een onderdirekteur van een departement van algemeen bestuur en de met hen gelijkgestelden;
- alhoewel bij schrijven c.q. raadsvoorstel de dato 25 februari 1997, kenmerk MB/DD 218 aan de Minister van Defensie het voorstel is gedaan om hem – verzoeker – conform missive 733 de dato 30 november 1995 te rekenen vanaf 1 augustus 1996 te bevorderen naar schaal 22, heeft de toekenning van de bevordering blijkens resolutie de dato 6 januari 2001, pas op 1 januari 2000 plaatsgehad;
- verzoeker aldus per 1 januari 2000 is bevorderd tot Hoofdambtenaar A 2e klasse ingeschaald in schaal 22;
- verzoeker bij resolutie van 15 januari 2005 te rekenen vanaf 1 januari 2004 bevorderd is tot Hoofdambtenaar “A”1ste klasse, ingeschaald in schaal 23;
- ingevolge artikel 4 van het Staatsbesluit van 26 augustus 1998 SB 1998 no.67 en de nota van toelichting hierop dienen de aan de onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur gelijkgestelde functies in het ambtelijk bestel op gelijke voet te worden gewaardeerd teneinde een ongerechtvaardigde scheefgroei c.q. achterstelling te voorkomen;
- naderhand besloten is de toe te kennen bezoldiging van de onderdirecteuren voornoemd en de met hen qua bezoldiging gelijk gestelden in een aparte bezoldigingsreeks onder te brengen, zoals vervat in het Staatsbesluit van 28 mei 2004 no.77;
- aangezien verzoeker als (lees:gewezen) functionaris werkzaam binnen het Staatsbestel een rechtspositie (lees: bezat) die qua bezoldiging en emolumenten gelijk gesteld is als die van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur, lees: diende hij – verzoeker – in aanmerking te komen voor de in de bijlage van het Staatsbesluit van 26 augustus 1998 SB 1998 no.67 vastgestelde bezoldiging en emolumenten en wel te rekenen vanaf 1 januari 2000, zijnde de datum waarop hij – verzoeker – bevorderd werd tot Hoofdambtenaar 2e klasse ingeschaald in schaal 22;
- thans blijkt dat bij de herwaardering van bedoelde toe te kennen onderdirecteuren bezoldiging de functie van hem – verzoeker – ten onrechte niet is meegerekend;
Overwegende, dat het Hof de inhoud van alle door verzoeker overgelegde resoluties en andere bescheiden als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aanmerkt;
Overwegende, dat verzoeker verweerder door te weigeren zijn- verzoekers – bezoldiging in de functie van Directeur van de Stichting Nazorg Dienstplichtigen en ex-militairen navenant de bezoldiging van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur te willen aanpassen en wel te rekenen vanaf 1 januari 2000, zijnde de datum waarop verzoeker naar de rang van Hoofdambtenaar “A” 2e klasse werd bevorderd en ingeschaald in schaal 22, verwijt dat verweerder in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van verbod van willekeur en het beginsel van detournement de pouvoir;
Overwegende, dat, wat van gemelde stellingen en verwijten van verzoeker ook moge zijn, zij vermogen hem in casu niet te baten;
Overwegende immers, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken als de onderhavige kan worden gevorderd limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985);
Overwegende, dat het Hof krachtens genoemde wetsbepaling mede in verband met artikel 82 lid 3 van voormelde wet, wel de wettelijke bevoegdheid zou hebben gehad- indien aan artikel 79 lid 1 sub a zou zijn voldaan, de resolutie van 15 januari 2005 [nummer 2] op de door verzoeker bestreden onderdelen nietig te verklaren en een termijn te stellen, waarbinnen een nieuw besluit overeenkomstig zijn uitspraak zou moeten worden genomen;
Overwegende, dat nu verzoeker’s petitum niet met de wet in overeenstemming is zal het Hof hem niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering;
RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;
Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.D.D.Sewratan, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 mei 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.
Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.C.P.Nannan Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.
J.V.van Dijk-Silos en verweerder vertegenwoordigd door Mr.R.Sohansingh namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Sewdien, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.
M.H.