SRU-HvJ-2014-20

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-706
  • Uitspraakdatum 20 juni 2014
  • Publicatiedatum 19 juli 2023
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof heeft zich op grond van artikel 79 lid 1 sub a PW bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vordering. Artikel 78 lid 1 PW schrijft een vordering op grond van artikel 79 lid 1 PW voor als een uitzondering op de beklagprocedure, welke ook nog facultatief is. Nu er (nog) geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf kan de veroordeling van verzoeker door de Krijgsraad geen grond zijn voor het ontslag.
    Daarenboven omvat de grondslag van artikel 35 lid 2 Wet Rechtspositie Militairen juncto artikel 69 lid 2 PW vermeld in voornoemde ontslagbeschikking, vele ontslaggronden, welke niet nader is gespecificeerd met betrekking tot onderhavig geval. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de ontslagbeschikking een deugdelijke grondslag mist, weshalve deze niet in stand kan worden gelaten.
    Bovendien, wordt overwogen dat ingevolge artikel 63 lid 3 van de Personeelswet, de procureur-generaal in de gelegenheid had moeten worden gesteld om terzake advies uit te brengen, alvorens de tuchtstraf van ontslag op te leggen, nu er in casu sprake is van een samenloop van een strafrechtelijk en een tuchtrechtelijk onderzoek. Nu de ontslagbeschikking nietig wordt verklaard, zal de schorsing ingevolge artt 30 jo 33 wederom van kracht zijn. Vanaf de datum van de beschikking t.a.v. de schorsing heeft verzoeker geen recht op salaris. De rechthebbenden van verzoeker, die de kostwinner is, komen ingevolge van de ministeriele beschikking d.d. 01 september 2008, die in juli 2009 in werking is gegaan, in aanmerking voor de helft van het maandelijkse salaris van verzoeker.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats], verzoeker,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie ,
rechtspersoon, zetelende te Paramaribo, verweerder,
gemachtigde: mr. L.G. Riedewald

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 09 juni 2010, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 21 juli 2010;
  • de beschikking van het Hof d.d. 23 juli 2010, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 23 juli 2010 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 31 augustus 2010;
  • de beschikking van het Hof d.d. 03 september 2010, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 03 september 2010 wederom met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 13 oktober 2010;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 15 juli 2011;
  • de pleitnota d.d. 02 december 2011;
  • het antwoordpleidooi d.d. 20 januari 2012;
  • het repliekpleidooi d.d. 16 maart 2012;
  • het dupliekpleidooi d.d. 20 april 2012;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 06 juli 2012, doch nader bepaald op heden.

De motivering

De feiten

  1. Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoeker]” en ”het ministerie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 [Verzoeker] was militaire ambtenaar in vaste dienst van het ministerie, dienende als Soldaat der eerste klasse.

1.2 [Verzoeker] is op 23 juli 2008 in verzekering gesteld en is op 04 december 2008 door de Krijgsraad wegens ontucht met een vrouw beneden veertien jaar, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden.

1.3 Bij beschikking van het ministerie d.d. 01 september 2008, is [verzoeker] te rekenen van 23 juli 2008 in de uitoefening van zijn functie geschorst, waarbij onder andere is

overwogen:

  1. [Verzoeker] met toepassing van artikel 30 sub b juncto artikel 33 lid 2 van de Wet Rechtspositie Militairen (WRM) te rekenen van 23 juli 2008 in afwachting van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek en gedurende de periode van zijn inverzekeringstelling in de uitoefening van zijn functie te schorsen;
  1. de vorengenoemde schorsing o.g.v. artikel 30 sub a en c van de WRM te continueren, indien de inverzekeringstelling gevolgd wordt door de oplegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak, totdat de Minister anders heeft beslist; met bepaling dat aan de geschorste Militaire Landsdienaar geen salaris wordt uitbetaald en dat indien [verzoeker] kostwinner mocht zijn, de helft van het salaris zal worden uitbetaald aan de daarvoor in aanmerking komende rechthebbenden.

1.4 [Verzoeker] heeft op 09 december 2008 tegen vermeld vonnis van de Krijgsraad, hoger beroep aangetekend.

1.5 [Verzoeker] is bij schrijven van het ministerie van Defensie d.d. 16 december 2008, in de gelegenheid gesteld om zich te verweren terzake zijn veroordeling.

1.6 [Verzoeker] heeft op 02 januari 2009 via zijn gemachtigde, schriftelijk gereageerd op vermeld schrijven.

1.7 Aan [verzoeker] is vanaf 29 februari 2009 tot aan de ingangsdatum van zijn ontslag, geen salaris uitbetaald.

1.8 Bij schrijven van het ministerie d.d. 31 maart 2009, is [verzoeker] wederom in de gelegenheid gesteld om zich te verweren, welk schrijven op 14 april 2009 is doorgeleid naar de gemachtigde van [verzoeker].

1.9 [Verzoeker] heeft op 17 april 2009 via zijn gemachtigde, schriftelijk gereageerd op vermeld schrijven.

1.10 In juli 2009 heeft [verzoeker] kennis genomen van de schorsingsbeschikking d.d. 01 september 2008.

1.11 [Verzoeker] is op 18 september 2009 voorlopig in vrijheid gesteld.

1.12 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 06 mei 2010 no. [nummer], is aan [verzoeker] ingevolge artikel 35 lid 2 WRM ontslag verleend wegens plichtsverzuim, waarbij tevens is bepaald, dat [verzoeker] ingevolge artikel 39 WRM juncto artikel 28 lid 3 van de Personeelswet en artikel 1614b van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (BW), te rekenen vanaf 04 december 2008 tot en met de datum van ontslag, geen aanspraak maakt op salaris, waarbij ondermeer is overwogen:

– dat [verzoeker] op 23 juli 2008 in verzekering werd gesteld als verdacht van zich schuldig te hebben gemaakt aan ontucht met (lees: een) vrouw beneden 14 jaren;

– dat [verzoeker] bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van 31 maart 2009 in de gelegenheid werd gesteld zich schriftelijk te verweren, maar hij heeft nimmer gereageerd;

– dat [verzoeker] zich na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009 niet volgens de gebruikelijke procedure heeft aangemeld bij de Rehabilitatie Commissie op het Centraal kantoor van het ministerie;

– dat het voorgaande plichtsverzuim oplevert en gezien de aard van het delict waarvoor hij is veroordeeld, het niet mogelijk is om het dienstverband met hem voort te zetten.

1.13 De beschikking voornoemd is op 27 mei 2010 ter kennis van [verzoeker] gebracht.

1.14 [Verzoeker] heeft bij de ambtenarenrechter een zaak in behandeling bekend onder A-685 terzake schorsing en uitbetaling van salaris.

De vordering en het verweer daartegen

2.1. [Verzoeker] vordert ondermeer, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

– nietig te verklaren de ten rekeste gemelde beschikking van de Minister van Defensie d.d. 06 mei 2010 (no.[nummer]);

– het ministerie te veroordelen om gerekend vanaf februari 2009 het achterstallig salaris van [verzoeker], vermeerderd met alle emolumenten, aan hem uit te betalen.

2.2. [Verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het besluit tot zijn ontslag vooralsnog een feitelijke grondslag ontbeert, alsmede dat de bevoegdheid van het ministerie om hem te ontslaan wegens plichtsverzuim in deze gebruikt is voor een ander doel dan waarvoor het gegeven is. Dit vanwege het simpele feit dat het vermeende verzuim rechtens nog niet is komen vast te staan als gevolg van het uitblijven van de behandeling van het hoger beroep in de strafzaak van [verzoeker]. [Verzoeker] heeft gesteld dat hij zich terstond na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009, heeft aangemeld bij zijn directe leidinggevende, majoor [naam].

2.3 Het ministerie heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering erop neerkomende, dat [verzoeker] zich vanaf zijn voorlopige invrijheidstelling op 18 september 2009, niet heeft aangemeld bij de Departementsleiding, waardoor [verzoeker] met toepassing van artikel 35 lid 2 van de Wet Rechtspositie Militairen (WRM) wegens plichtsverzuim bij beschikking d.d. 06 mei 2010, is ontslagen. Voorts wordt aangevoerd, dat [verzoeker] vanaf zijn inverzekeringstelling geen arbeid heeft verricht en dus geen aanspraak maakt op salaris.

De beoordeling van het geschil

3.1 Het Hof overweegt dat, gelet op de vordering van [verzoeker], zij op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet, bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

3.2 Door het ministerie is aangevoerd dat [verzoeker] ingevolge artikel 57 WRM juncto artikel 78 van de Personeelswet, gebruik had moeten maken van de beklag procedure en bij de President van de Republiek Suriname in beroep had moeten gaan. Het Hof begrijpt dat het ministerie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn vordering, nu hij geen gebruik heeft gemaakt van voornoemde beklagprocedure.

3.3 Het Hof stelt voorop dat artikel 78 lid 1 van de Personeelswet als uitzondering op de beklagprocedure voorschrijft, het geval wanneer ingevolge artikel 79 lid 1 van de Personeelswet een vordering is ingesteld. Voorts wordt overwogen dat de beklagprocedure facultatief is en dus niet verplicht is. Nu, in casu dit het geval is, wordt geconcludeerd tot ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn vorderingen. Het verweer van het ministerie wordt daarom verworpen.

3.4 Voorop wordt gesteld dat er in casu (nog) geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf, zodat de veroordeling van [verzoeker] door de Krijgsraad geen grond kan zijn voor het ontslag. Ook de overweging in de ontslagbeschikking dat [verzoeker] nimmer heeft gereageerd op het schrijven van het ministerie d.d. 31 maart 2009, houdt geen stand, nu uit de overgelegde correspondentie blijkt, dat [verzoeker] wel degelijk heeft gereageerd op vermeld schrijven op 17 april 2009.

3.5 Met betrekking tot het gestelde plichtsverzuim wordt overwogen, dat in de ontslagbeschikking is overwogen dat [verzoeker] zich, na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009, niet volgens de gebruikelijke procedure heeft aangemeld bij de Rehabilitatie Commissie op het Centraal kantoor van het Ministerie. Volgens het ministerie (verweerschrift) heeft [verzoeker] pas op 04 januari 2010 contact gemaakt met zijn vroegere directe commandant. [Verzoeker] daarentegen blijft erbij dat hij zich terstond na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009, heeft aangemeld bij zijn directe commandant en niet ervan op de hoogte was, dat hij zich bij voornoemde Commissie moest aanmelden. Bovendien heeft zijn meerdere hem evenmin doorverwezen naar voornoemde Commissie.Nu het ministerie in haar nadere conclusies niet meer heeft gepersisteerd bij haar stelling dat [verzoeker] pas op 04 januari 2010 contact heeft gemaakt met het ministerie, wordt geconcludeerd dat [verzoeker] zich terstond na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009 heeft aangemeld bij het ministerie.

3.6 Het ministerie persisteert bij haar stelling dat [verzoeker] bekend was met de aanmeldingsprocedure na zijn invrijheidstelling, omdat zulks één van de informaties is die de militairen vanaf de opleiding wordt medegedeeld door de Rehabilitatie Commissie van het ministerie. [verzoeker] heeft dit weersproken. Bovendien, voert [verzoeker] aan dat zijn directe meerdere alstoen, bij wie hij zich had aangemeld, hem dat ook niet heeft medegedeeld noch heeft doorverwezen naar de Rehabilitatie Commissie.Aangezien het ministerie niet heeft weersproken dat [verzoeker] zich terstond na zijn invrijheidstelling heeft aangemeld bij zijn directe meerdere, wordt het ervoor gehouden dat [verzoeker] heeft voldaan aan de vereiste aanmelding voor hervatting van de dienst terstond na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009. Het nalaten van zijn meerdere om hem door te geleiden naar de Rehabilitatie Commissie, dan wel aanhem te vragen als hij zich had aangemeld bij de Rehabilitatie Commissie, kan [verzoeker] niet worden tegengeworpen, zodat dit geen plichtsverzuim oplevert en geen grond kan zijn voor ontslag.

3.7 Met betrekking tot het niet mogelijk zijn om het dienstverband met [verzoeker] voort te zetten, gezien de aard van het delict waarvoor hij is veroordeeld, wordt overwogen dat het strafrechtelijk onderzoek tegen [verzoeker] door het instellen van hoger beroep tegen het vonnis in eerste aanleg, nog steeds gaande is, waardoor er geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling. Als gevolg hiervan kan de veroordeling noch de aard van het delict als grond voor het ontslag dienen.

3.8 Het Hof concludeert op grond van het vorenoverwogene dat de in de ontslagbeschikking d.d. 06 mei 2010 (no.[nummer]) genoemde gronden niet als grondslag voor het ontslag kunnen dienen. Eveneens wordt geconcludeerd dat de grondslag van artikel 35 lid 2 WRM juncto artikel 69 lid 2 van de Personeelswet vermeld in voornoemde ontslagbeschikking vele ontslaggronden omvat, welke niet nader is gespecificeerd met betrekking tot het onderhavig geval. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de ontslagbeschikking d.d. 06 mei 2010 (no. [nummer]) een deugdelijke grondslag mist, weshalve deze niet in stand kan worden gelaten. Bovendien, wordt overwogen dat ingevolge artikel 63 lid 3 van de Personeelswet, de procureur-generaal in de gelegenheid had moeten worden gesteld om terzake advies uit te brengen, alvorens de tuchtstraf van ontslag op te leggen, nu er in casu sprake is van een samenloop van een strafrechtelijk en een tuchtrechtelijk onderzoek. De ontslagbeschikking voornoemd zal derhalve nietig worden verklaard.

3.9 Ten aanzien van het gevorderde achterstallig salaris vanaf februari 2009, wordt overwogen dat [verzoeker] tot 29 februari 2009 zijn volledige salaris heeft ontvangen, hoewel zijn daarvoor in aanmerking komende rechthebbenden ingevolge de beschikking d.d. 01 september 2008, welke in juli 2009 is ingegaan, slechts recht hadden op de helft van zijn salaris vanwege het feit dat [verzoeker] kostwinner is. Aangezien de ontslagbeschikking voornoemd, nietig zal worden verklaard, zal de schorsing vanwege het ministerie bij beschikking d.d. 01 september 2008, ingegaan in juli 2009, ingevolge artikel 30 juncto artikel 33 WRM, wederom van kracht zijn. Als gevolg hiervan hebben de daarvoor in aanmerking komende rechthebbenden van [verzoeker] vanaf 29 februari 2009, ingevolge de beschikking d.d. 01 september 2008, recht op de helft van zijn maandelijkse salaris. Nu [verzoeker] zelf, ingevolge de beschikking d.d. 01 september 2008, geen recht heeft op salaris gedurende de schorsing, zal hij niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat dat gedeelte van zijn vordering betreft.

De beslissing

Het Hof:

4.1 Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 06 mei 2010 no.1884/10.

4.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het achterstallig salaris;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens zijn gemachtigde, advocaat mr. D.S. Kraag en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, L.G. Riedewald, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld