SRU-HvJ-2025-5

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 17/2025
  • Uitspraakdatum 05 februari 2025
  • Publicatiedatum 08 december 2025
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Alhoewel het OM met betrekking tot de goede procesorde heeft aangevoerd dat na een zorgvuldige afweging van het bewijs en de relevantie van de zaak is besloten de zaak aan te brengen voor de rechter en hij in deze zaak de rechtshandhaving voor ogen heeft gehad, dient de vraag beantwoord te worden of in casu sprake is geweest van een zodanige aperte onevenredigheid van een vervolgingsbeslissing dat de verdere vervolging onverenigbaar was met het verbod van willekeur oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

    Daarover oordelende overweegt het hof dat het antwoord op de vraag welke procedure noodzakelijk is voor de afschrijving c.q. het voor de dienst ongeschikt verklaren van hulpmiddelen dan wel goederen ter uitvoering of ondersteuning van bestuurlijke werkzaamheden, niet helder en eenduidig vast staat.
    Een toetsing aan ontwikkelde reglementen danwel instructies en/of procesbeschrijvingen, al dan niet vanwege de ‘s Lands Accountantsdienst leidend tot de beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan, ontbreekt in deze.

    Alhoewel het OM dominus litis is bij de beslissing of er moet worden vervolgd, leidt het feit dat in casu ervoor gekozen is de verdachte verder te vervolgen en de persoon van [naam] en de andere leidinggevenden die dezelfde procedure volgden bij de afschrijving van goederen niet, tot het oordeel dat er sprake is van schending van het verbod van willekeur en daarmee schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

    Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, waaronder ook het voorbij gaan aan de wettelijk voorgeschreven procedure neergelegd in de Wet in staat van beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, is het hof van oordeel dat er geen sprake kan zijn geweest van een redelijke en billijke belangenafweging. Het Hof overweegt dat het feit dat in casu ervoor gekozen is de verdachte verder te vervolgen en de persoon van [naam] en de andere leidinggevenden die dezelfde procedure volgden bij de afschrijving van goederen niet, tot het oordeel dat er sprake is van schending van het verbod van willekeur en daarmee schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

    Wet in staat van beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers; Openbaar Ministerie;

Uitspraak

In naam van de Republiek

Vonnisnummer:         17/2025

Uitspraak: 05 februari 2025

Tegenspraak

 

Het Hof van Justitie van Suriname

in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg gewezen op 02 november 2023 en uitgesproken tegen de verdachte:

ADHIN, Michael Ashwin Satyandre, geboren op 10 juni 1980 te Paramaribo, gewezen politieke ambtsdrager in de functie van Vice – President en thans assemblee lid en wonende aan de [adres] in het [district], in vrijheid verkerend; 

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden, I.D. Kanhai, Bsc en mr. Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie.

1.De ontvankelijkheid van het appèl

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Substituut – Griffier van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg is gebleken dat de vervolgingsambtenaar namens het Openbaar Ministerie (hierna OM) op 08 november 2023 op de voorgeschreven wijze appèl heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van het Hof in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers. 

Gelet op het vorenstaande, is tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve de vervolging daarin ontvankelijk is.

2.Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers d.d. 02 november 2023 is de verdachte – verkort weergegeven – vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

3.Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De Procureur-Generaal heeft gerequireerd tot de bewezenverklaring van de onder IA, IIA, III, IV en V ten laste gelegde feiten, met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 11 (elf) maanden en 3 (drie) weken voorwaardelijk, onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, een proeftijd van 3 (drie) jaren met als bijzondere voorwaarde dat de schade aan de apparatuur wordt vergoed, in dier voege dat soortgelijk apparatuur wordt aangeschaft voor het Kabinet van de Vice President. 

Door de verdediging is primair de niet-ontvankelijkheid van het OM en subsidiair vrijspraak voor de verdachte van de ten laste gelegde feiten bepleit. 

4.De geldigheid van de dagvaarding

Noch tegen de dagvaarding in eerste aanleg, noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

5.De bevoegdheid van het Hof

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

6.De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

6.1 Door de verdediging zijn met betrekking tot de ontvankelijkheid van het OM enkele verweerpunten aangevoerd namelijk: 

6.1.1 Dat het de vraag is welk belang het OM had bij de vervolging van verdachte omdat tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek reeds bleek, uit meerdere verklaringen van de getuigen, dat verschillende personen zich bezighielden met afschrijving en instructies daaromtrent waardoor het vreemd is dat alleen Adhin daaruit is geselecteerd als verdachte. Uit de verklaringen bleek dat op alle kantoren goederen worden afgeschreven en vervolgens een nieuwe bestemming krijgen en nergens een vastgestelde en eenduidige procedure is hiervoor en dat elk kantoor of dienstonderdeel doet wat zij denken dat goed is;

6.1.2 Dat het OM, in strijd met het gelijkheidsbeginsel de vervolging inzette van verdachte terwijl het OM erkent dat de persoon van [naam] een strafbaar feit gepleegd had. Hij heeft de apparaten die onbeheerd lagen op het kabinet kunnen vernielen en heeft vervolgens gefraudeerd met serienummers. Vervolgens verwijst het OM naar haar vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel. Het opportuniteitsbeginsel is nimmer bedoeld om het gelijkheidsbeginsel te schenden en het OM een vrijbrief voor willekeur te geven. Het OM heeft het gelijkheidsbeginsel geschonden en heeft de verdachte tegen wie er voldoende bewijs was en die het feit ook bekende, buiten vervolging gelaten en is wel achter verdachte aangegaan. 

6.1.3 Dat het OM voorts, zo begrijpt het hof, in strijd met de regels van 

een goede procesorde heeft gehandeld bij de inverzekeringstelling van verdachte. Terwijl verdachte op 13 november 2020 een brief ontving om zich op 16 november 2020 aan te melden, werd hij in de ochtend van 16 november 2020 opgehaald en ingesloten, als zou hij geweigerd hebben gevolg te geven aan de oproep, daarbij geheel voorbijgaand aan de Wet in staat van beschuldigingstelling van Politieke Ambtsdragers. 

6.1.4 Dat het OM bij het dagvaarden na de bezwaarschriftprocedure rekening had moeten houden met de termijn.

6.2.1 Op deze verweerpunten heeft het OM gereageerd waarbij werd aangevoerd dat er weliswaar geen procedure was voor afschrijving, doch wel een gebruik dat moest worden gevolgd. 

6.2.2 Het OM voerde ten aanzien van het verweerpunt met betrekking tot de willekeur aan dat het vervolgingsmonopolie van het OM een fundamenteel principe is in het strafrecht. Een kernaspect van het vervolgingsmonopolie is het opportuniteitsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat alleen het OM bevoegd is om te beslissen of strafbare feiten worden vervolgd. Het OM heeft de bevoegdheid om te beslissen of een strafzaak wordt voorgelegd aan de rechter. Hierbij houdt het OM rekening met zowel de juridische als maatschappelijke aspecten, zoals de ernst van het feit, het beschikbare bewijs, de proceshouding van de verdachte en het algemeen belang. 

6.2.3 Met betrekking tot het verweerpunt betreffende het in strijd handelen met de goede procesorde heeft het OM aangevoerd dat na een zorgvuldige afweging van het bewijs en de relevantie van de zaak is besloten de zaak aan te brengen voor de rechter. Het OM heeft in deze zaak de rechtshandhaving voor ogen gehad en ziet zich als onafhankelijke instantie verplicht de wet te handhaven en handelt in deze zaak enkel op basis van de feiten en het bewijs. Er zijn geen externe invloeden of ongepaste belangen die de beslissing tot vervolging hebben beïnvloed. Er is geen sprake van het nastreven van andere belangen dan het beschermen van de rechtsorde en het recht van de samenleving op gerechtigheid. 

6.2.4 Met betrekking tot de termijn van het dagvaarden na de bezwaarschrift procedure heeft het OM aangevoerd dat zij de verdachte niet eerder kon dagvaarden omdat er nog geen zittingsdag was bepaald of bekend gemaakt. Het Hof van Justitie is de instantie die appointeert, niet het OM.

Om die reden stelt het OM dat voorbij moet worden gegaan aan dat verweer.

7.De beoordeling 

7.1 Het Hof stelt voorop dat het OM de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.

7.2 De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. 

7.3 Zo een uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. 

7.4 Alhoewel het OM met betrekking tot de goede procesorde heeft aangevoerd dat na een zorgvuldige afweging van het bewijs en de relevantie van de zaak is besloten de zaak aan te brengen voor de rechter en hij in deze zaak de rechtshandhaving voor ogen heeft gehad, dient de vraag beantwoord te worden of in casu sprake is geweest van een zodanige aperte onevenredigheid van een vervolgingsbeslissing dat de verdere vervolging onverenigbaar was met het verbod van willekeur oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. 

7.5 Daarover oordelende overweegt het hof dat het antwoord op de vraag welke procedure noodzakelijk is voor de afschrijving c.q. het voor de dienst ongeschikt verklaren van hulpmiddelen dan wel goederen ter uitvoering of ondersteuning van bestuurlijke werkzaamheden, niet helder en eenduidig vast staat. 

Een toetsing aan ontwikkelde reglementen danwel instructies en/of procesbeschrijvingen, al dan niet vanwege de ‘s Lands Accountantsdienst leidend tot de beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan, ontbreekt in deze. 

7.6 Alhoewel het OM dominus litis is bij de beslissing of er moet worden vervolgd, leidt het feit dat in casu ervoor gekozen is de verdachte verder te vervolgen en de persoon van [naam] en de andere leidinggevenden die dezelfde procedure volgden bij de afschrijving van goederen niet, tot het oordeel dat er sprake is van schending van het verbod van willekeur en daarmee schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

7.7 Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, waaronder ook het voorbij gaan aan de wettelijk voorgeschreven procedure neergelegd in de Wet in staat van beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, is het hof van oordeel dat er geen sprake kan zijn geweest van een redelijke en billijke belangenafweging. 

7.8 De door de verdediging hierboven opgesomde verweerpunten leiden tot het oordeel dat het onderhavige geval moet worden beschouwd als één van de uitzonderingen waar plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de instelling en de voortzetting van de vervolging omdat zulks onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Het OM zal daarom niet ontvangen worden.

7.9 Gelet op het voorgaande komen de overige gevoerde weren niet voor bespreking in aanmerking.

7.10 Het vonnis van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg de dato 02 november 2023 zal worden vernietigd en het OM zal, opnieuw rechtdoende, niet-ontvankelijk worden verklaard in de door haar ingestelde vervolging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften 

Het Hof heeft gelet op de betrekkelijke artikelen van het Wetboek van Strafrecht en Strafprocesrecht.

8.De Beslissing:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van het Hof van Justitie inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg de dato 02 november 2023, waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet – ontvankelijk in de door haar ingestelde vervolging tegen de verdachte.

Aldus gewezen door: A.C. Johanns, Fungerend – President, S.J.S. Bradley, Lid, mr. I. Sonai, Lid, mr. L. Ravenberg, Lid-plaatsvervanger en mr. C. Klein, Lid – plaatsvervanger, bijgestaan door J.J. Rodrigues LLB, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers van woensdag 5 februari 2025 te Paramaribo.

 

w.g. J.J. Rodrigues                                                                                                                                   w.g. A.C. Johanns 

                                                                   w.g. S.S. Bradley

                                                                   w.g. I. Sonai

                                                                   w.g. L. Ravenberg

                                                                   w.g. C. Klein

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)