- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 13993
- Uitspraakdatum 04 januari 2002
- Publicatiedatum 11 juni 2025
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof overweegt dat request civiel een buitengewoon rechtsmiddel is en dat dit aan dezelfde rechter moet worden voorgelegd als die over de oorspronkelijke vordering geoordeeld heeft, i.c. de Kantonrechter in het Eerste kanton.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO. 13993.
[Appellante], weduwe van [naam 1], wonende aan [adres 1], in het distrikt Suriname, zijnde het geding na overlijden van [appellante] voornoemd geschorst en hervat ten name van [naam 2] , wonende aan de [straatnaam 1] te Rotterdam in Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, appellante,
t e g e n
[Geïntimeerde], wonende aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.M.R.Carrilho, advokaat, geïntimeerde,
De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
- de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 8 februari 1994 en 12 maart 1996 tussen partijen gewezen en uitgesproken; .
- het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 26 maart 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
- Eiser wenst bij wege van request civiel de navolgende vordering in te stellen tegen [appellante], weduwe van [naam 1], wonende aan [adres 1] in het distrikt Suriname, domicilie gekozen hebbende aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, gedaagde;
- Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde schenkingsakte van Notaris B.R. Oostvriesland, d.d. 15 december 1984, is door gedaagde aan eiser het perceelland groot 480 m² gelegen ten zuiden van het Middenpad van kwatta in het distrikt Suriname aangeduid met het [perceelnummer], deel uitmakende van het perceelland groot 3.9245 ha. gelegen in het distrikt Suriname ten zuiden van het Middenpad van Kwatta, deel uitmakende van de samengevoegde percelenland bekend als afd.I sectie Kwatta zulks onder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik van gedaagde op het voorschreven perceelland; Vermelde schenkingsakte is op 17 december 1984 overgeschreven ten hypotheek kantore in Suriname in het register C deel 949 onder [nummer];
- Blijkens hierbij in fotokopie overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, d.d. 27 november 1990, A.R.No.88/4944 is bij wege van verstek voormelde akte van schenking nietig verklaard en doorhaling gelast in de Registers ten hypotheek kantore;
- Als gevolg van het feit, dat eiser werkzaam is bij Suralco te [plaats 1] en door de shift diensten niet in staat regelmatig in Paramaribo te zijn en op geen enkele wijze kennis heeft kunnen nemen van de oproep middels aanplakking en verschijning in het Advertentie blad van de Republiek Suriname en kennelijk op dezelfde wijze betekening van dit verstekvonnis heeft plaats gehad en eiser van voormeld vonnis geen verzet heeft kunnen aantekenen, zijnde het verstekvonnis op grond daarvan in kracht van gewijsde gegaan;
- dat eiser op 19 februari 1993 nadat hij op zijn verzoek een hypothecair uittreksel heeft aangevraagd en verkregen, kennis heeft gekregen van de nietigverklaring van de schenkingsakte, d.d. 17 december 1984;
- Eiser kan zich evenwel in het litigieuze vonnis niet berusten, nu het vonnis weliswaar niet voor verzet, doch er in casu sprake is van door gedaagde gepleegd bedrog althans englist, welke (door eiser) na de uitspraak is ontdekt, in ieder geval nu tenminste een van de gronden zoals genoemd in artikel 292 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het onderhavig geval van toepassing is, zijnde het vonnis op grond daarvan voor herroeping vatbaar en zijnde eiser dan ook gerechtigd bij deze binnen de daarvoor bepaalde termijn de herroeping van het litigieuze vonnis te vorderen;
- Immers heeft gedaagde in het litigieuze proces bij request opzettelijk informatie verstrekt in strijd met de waarheid teneinde haar vordering toegewezen te krijgen en aldus de Kantonrechter trachten te bewegen haar vordering toe te wijzen als zijnde als gevolg van de afwezigheid van enig verweer niet onrechtmatig dan wel ongegrond bevonden;
- Eiser ontkent en betwist ten stelligste al hetgeen hem verweten is:
– Eiser heeft altijd gedaagde ondersteund;
– Eiser heeft nimmer welke onenigheid dan ook gehad met gedaagde, de concubine van eiser en gedaagde lagen met elkaar overhoop;
– dat eiser na zijn verhuizing frequent contact had met gedaagde;
– dat de schenkingsakte onherroepelijk is;
– dat conform artikel drie van de voorwaarden van de schenkingsakte partijen ieder recht uitsluiten om ontbinding of vernietiging van de schenking – om welke reden dan ook – te eisen;
– dat te dienende ter terechtzitting, d.d. 23 oktober 1990, instede van de schenkingsakte een verklaring is overgelegd door gedaagde en op arglistig en misleidende wijze de voorwaarden waaronder de schenking heeft plaatsgevonden aan de Rechter is onthouden;
– dat aan gedaagde het adres van eiser bekend was en dit verzwegen is, waardoor eiser zonder bekende woon – en/of verblijfplaats is of buiten Suriname is opgeroepen;
- Eiser heeft gedaagde altijd onderhouden hoewel hij daartoe niet verplicht was, welke verplichting evenmin voortvloeit uit de schenkingsakte en kan uit het voorgaande het litigieuze vonnis dan ook niet in stand blijven, zijnde ten onrechte de schenkingsakte nietig verklaard en de doorhaling ervan in de Registers ten hypotheekkantore gelast;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste kanton, d.d. 27 november 1990, A.R.No.88/4944, gewezen tussen eiser als gedaagde en gedaagde als eiseres bij verstek, te herroepen en partijen te herstellen in de staat waarin zij vóór de uitspraak daarvan waren;
Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans dat deze aan haar zal worden ontzegd, Kosten rechtens;
Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carrilho ter terechtzitting is verschenen,
terwijl de gedaagde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen
en ten verzoeke van de gemachtigde van eiser tegen hem verstek is verleend, waarna de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 12 oktober 1993 advokaat Mr.E.C.M.Hooplot de Kantonrechter heeft medegedeeld dat hij zich als gemachtigde van gedaagde aan de zaak stelt, waardoor de gevolgen van het tegen haar verleende verstek zijn komen te vervallen;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 8 februari 1994 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;
Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna hij deze ambtshalve voor gesloten heeft verklaard;
Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een conclusie na niet gehouden comparitie van partijen bepaald, zijdens eiser, diens gemachtigde een als hier geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;
Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde bij mondelinge conclusie na niet gehouden comparitie van partijen heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 12 maart 1996 op de daarin opgenomen gronden:
Het vonnis d.d. 27 november 1990 bekend onder A.R.No.88.4944 heeft herroepen;
Gedaagde haar oorspronkelijke vordering tot vernietiging van de schenking heeft ontzegd;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis op 12 maart 1996;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 22 augustus 1997 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellante ten dage daarvoor bepaald een pleitnota heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat ten dage voor antwoord pleidooi peremptoir bepaald de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot schorsing van het proces heeft genomen;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating schorsing van het geding zijdens appellante Mr.H.P.Boldewijn, advokaat, namens Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, het Hof heeft medegedeeld, dat deze akkoord gaat met de schorsing;
Overwegende, dat ten dage voor conclusie tot hervatting van het geschorste geding zijdens appellante de zaak voor onbepaalde tijd is aangehouden;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot hervatting van het geding heeft genomen ten name van [naam 2];
Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna de gemachtigde van appellante een produktie heeft overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijk conclusie tot overlegging produktie heeft genomen, waarna de gemachtigde van geintimeerde ten dage voor uitlating peremptoir bepaald, een schriftelijke conclusie tot uitlating produktie heeft genomen;
Overwegende, dat de gemachtigde van partijen bij pleidooi de zaak hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoord pleidooi produkties overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 juli 2001, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat de appellante tijdig in hoger beroep gekomen is van het tussen partijen gewezen vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 maart 1996 (in de zaak bekend onder A.R. 93 2118);
Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend althans als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, het navolgende – in zoverre hier van belang – tussen partijen rechtens vaststaat:
- dat in het rechtsgeding bekend onder A.R. no. 884944 de [appellante] de [geïntimeerde] voor de Kantonrechter in het Eerste Kanton opgeroepen heeft om vernietigd te krijgen de overeenkomst van schenking van het onroerend goed tussen partijen bij notariële akte d.d. 15 december 1984 voor notaris B.R.Oostvriesland verleden;
- dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 27 november 1990 bij verstek gewezen vonnis de voormelde akte van schenking en aanneming nietig verklaard heeft en de doorhaling daarvan in de registers ten hypotheekkantore heeft gelast;
- dat de geïntimeerde volgens diens stellingen geen mogelijkheid had – in verzet tegen dat vonnis te gaan – het verzettermijn was verstreken – en daarom van het buitengewoon rechtsmiddel request civiel gebruik gemaakt heeft in het rechtsgeding (zie boven) waarover het Hof thans een beslissing zal moeten geven, omdat de Kantonrechter bij zijn thans aangevochten vonnis herroepen heeft het vonnis d.d. 27 november 1990 (zie boven) en bovendien aan de appellante haar oorspronkelijke vordering (hetgeen niet gevorderd was) tot vernietiging van de schenking heeft ontzegd;
Overwegende, dat request civiel een buitengewoon rechtsmiddel is en dat dit aan dezelfde rechter moet worden voorgelegd als die over de oorspronkelijke vordering geoordeeld heeft, i.c. de Kantonrechter in het Eerste kanton.
Overwegende, dat nu het request civiel door die rechter bij vonnis d.d. 12 maart 1996 ”aangenomen is” (zie art. 302 BRv.) en het vonnis d.d. 27 november 1990 herroepen is, zijn partijen in dezelfde staat teruggebracht, waarin zij voor dat vonnis (van 27 november 1990) waren en dat partijen het geschil ten principale, waarover het herroepen vonnis gewezen is, moeten voorleggen aan dezelfde rechter, die over het request civiel gevonnist heeft (zie art.313 BRv.), en dat is de Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Overwegende, dat tijdens de procedure van het hoger beroep de appellante is komen te overlijden en het geding ten name van haar enige erfgenaam [naam 2] is voortgezet;
Overwegende, dat gelet op het bovenoverwogene de systematiek van de wet met zich medebrengt dat de appellante niet ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep omdat tegen een beslissing in request-civiel dit middel niet toegelaten is en dat de appellante het geschil ten principale – zo zij dat wenst – zal moeten voorleggen aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Overwegende, dat de grieven die de appellante tegen het aangevochten vonnis ontwikkeld heeft danook geen bespreking behoeven en de appellante, als de in het ongelijk gestelde partij, de gedingkosten van het hoger beroep, zal moeten dragen en betalen.
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellante niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.
Veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op sf.5.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van geïntimeerde voor het door haar houden pleidooi toegekende salaris van sf.5.000,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op sf.5.000,–;
Aldus gewezen door Mr.S.Gangaram Panday, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 januari 2002, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.
Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.M.Derby namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carrilho, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.