- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer Artikel 243 WvSv
- Uitspraakdatum 11 november 2024
- Publicatiedatum 11 juni 2025
- Rechtsgebied Strafrecht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof bekrachtigt de beschikking van de Krijgsraad dat geen sprake was van lichtvaardige vervolging van de verdachte onder de Vuurwapenwet en wegens oplichting en dat verder onderzoek nodig was. De Krijgsraad diende in deze bezwaarschriftenprocedure slechts een summiere toetsing uit te voeren, waarbij feitelijke verweren niet ten gronde, maar slechts ex ante en marginaal getoetst moeten worden. In de visie van het Hof betreft de bezwaarschriftprocedure een summiere procedure waarbij slechts het tipje van de spreekwoordelijke sluier wordt gelicht. En bij het lichten van het tipje van de spreekwoordelijke sluier blijkt het in de visie van het Hof niet te gaan om een lichtvaardige vervolging casu quo dat de verdachte op ontoereikende gronden in het openbaar zal moeten terechtstaan.
Uitspraak
Beslissing
HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
Meervoudige strafkamer
Beslissing van 11 november 2024
op het hoger beroep ingediend door:
VEIRA, DANIELLE REANA KARIN,
wonende aan de [adres] te [plaats], appellante,
advocaten: mr. J. Kraag en mr. C.A.F. Meijnaar,
Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking inzake klaagschrift ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) van de Krijgsraad in eerste aanleg de dato 12 februari 2024, hierna te noemen de gewraakte beschikking;
1.Procesverloop
1.1. De advocaten van appellante hebben op dinsdag 20 februari 2024 een beroepschrift ex artikel 232 jo artikel 243 WvSv ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) tegen de gewraakte beschikking;
1.2. Voormeld beroepschrift is in behandeling genomen op 11 maart 2024 en vervolgens voortgezet op respectievelijk 22 april 2024, 24 juni 2024, 22 juli 2024 en 14 oktober 2024 waarbij appellante en de waarnemend Procureur – Generaal zijn gehoord, zijnde daarvan processen-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken
bevinden.
1.3. Daarna is bepaald dat op 11 november 2024 in deze zaak een beslissing zal volgen.
2.Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep – voor zover van belang – de
navolgende grieven aangevoerd:
1.1. De dagvaarding is te lichtvaardig. Veira Danielle is voor 6 strafbare feiten gedagvaard, maar de Krijgsraad heeft ten aanzien van de laatste 3 strafbare feiten die in de dagvaarding zijn opgenomen geen overweging opgenomen in de beschikking.
1.2. Tijdens het G.V.O. zijn er feiten aangehaald waaruit duidelijk blijkt dat je Veira Danielle ten aanzien van Overtreding van de Vuurwapenwet en oplichting geen verwijt zou kunnen maken. Uit het G.V.O blijkt duidelijk dat ten aanzien van Overtreding van de Vuurwapenwet er een beleid is binnen de Dienst Nationale Veiligheid (hierna: D.N.V.) dat er wapenpasjes en wapens worden verstrekt aan burgers. Het feit dat Veira Danielle hiervoor wordt vervolgd terwijl anderen voorheen en nog steeds wapenpasjes en wapens verstrekken aan burgers niet worden vervolgd, is naar onze mening in strijd met de algemene beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht namelijk het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
1.5. Ten aanzien van oplichting dan wel poging tot oplichting is gebleken dat er geen aangifte zou zijn gedaan door de voormalige Procureur-Generaal. Hij is slechts door de politie gehoord en dus niet onder ede gehoord. Hij is van mening dat hij slechts op één brief een beslissing heeft genomen. Bij oplichting zou er een formele aangifte moeten zijn. Als het een operatie is van D.N.V. om een onderneming te beveiligen en Veira, Danielle als hoofd van D.N.V. die handelingen heeft uitgevoerd dan zou er geen sprake kunnen zijn van oplichting, omdat zij die hoedanigheid had van hoofd van D.N.V.
1.6. In de beschikking wordt er verwezen naar enkele processen-verbaal en ik begrijp dat er bij een bezwaarschrift een summierlijke toets zou moeten plaatsvinden, maar bij een summierlijke toets zou het dossier wel moeten worden doorgenomen vooral wanneer er een G.V.O. heeft plaatsgevonden. In de beschikking van de Krijgsraad zult U zien dat er delen van de verhoren worden geciteerd die bij de politie zijn afgelegd. De toenmalige Korpschef Prade geeft in zijn verklaring onder ede afgelegd bij de Rechter-Commissaris aan dat hij uit de woorden van mevrouw Veira, Danielle heeft begrepen dat zij niet zeker wist dat het om een D.N.V. actie ging en dat zij hem heeft aangegeven dat zij het zou onderzoeken. De vraag is dan of je als Krijgsraad hieraan voorbij moet gaan tijdens de summierlijke toets. Ook de verklaringen van [naam 1] geven aan dat Veira, Danielle toevallig te weten is gekomen dat er een actie werd uitgevoerd.
1.7. Ten aanzien van de zaken zoals medeplegen aan gijzeling en huisvredebreuk zijn wij van mening dat je Veira Danielle niet terecht zal moeten laten staan. Hierbij zal zij zaken van D.N.V. moeten uitkleden. Bij de Rechter-Commissaris heeft zij ook moeten uitleggen hoe die organisatie werkt. Om haar geen verwijt te kunnen maken moet je eerst weten hoe de organisatie werkt. Het lijkt lichtvaardig als Veira Danielle dit in het openbaar zou moeten doen terwijl er nu al verklaringen zijn die voor haar ontlastend zouden kunnen zijn.
1.8. Verder wordt haar medeplegen van diefstal verweten terwijl de persoon van [naam 2] bij wie de spullen van [naam 3] zijn aangetroffen door de Kantonrechter is vrijgesproken van diefstal dan wel heling en het Openbaar Ministerie is daarbij ook niet in beroep gegaan. Het is dan niet redelijk dat Veira, Danielle diefstal wordt verweten.
3.De reactie van de Vervolgingsambtenaar
De vervolgingsambtenaar heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat zij zich terug kan vinden in de beslissing en de overwegingen van de Krijgsraad en dat zij persisteert bij de reactie van de auditeur-militair. Zij doet het verzoek aan het Hof om de beschikking van de Krijgsraad te bevestigen en het hoger beroep van appellante ongegrond te verklaren.
4.De beoordeling
4.1. Appellante is op 20 februari 2024 in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de Krijgsraad d.d. 12 februari 2024 hetwelk op 15 februari 2024 aan haar is betekend. Gelet op het bepaalde in artikel 232 Sv is appellante tijdig in hoger beroep gekomen en derhalve ontvankelijk in het hoger beroep.
4.2. De grieven en het verweer van de verdediging in onderling verband en samenhang beschouwend komt het Hof tot de slotsom dat het Hof zich kan verenigen met de overwegingen en de beslissing van de Krijgsraad.
4.3. Grief 1 betreft de vraag wat de consequentie is van het feit dat de Krijgsraad in de beroepen beschikking niet is ingegaan op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de onderdelen IV tot en met VI van de tenlastelegging. Grief 2 behelst min of meer hetzelfde als grief 1 met als aanvulling dat de Krijgsraad bewust geen acht heeft geslagen op getuigenverklaringen die tijdens het gerechtelijk voor onderzoek ten overstaan van de Rechter-Commissaris onder ede zijn afgelegd.
4.4. Het Hof zal beide grieven – gelet op de onderlinge samenhang daarvan – simultaan aan een bespreking onderwerpen. Naar het oordeel van Hof nodigen de door de verdediging opgeworpen grieven uit tot een integrale inhoudelijke bespreking/beoordeling van de zaak. Op die uitnodiging zal het Hof – gelet op het karakter van de bezwaarschriftprocedure – niet ingaan. Met betrekking tot het feit dat de Krijgsraad met geen woord gerept zou hebben omtrent de onderdelen IV tot en met VI van de tenlastelegging is het Hof van oordeel dat het voorgaande niet als consequentie heeft dat de beschikking van de Krijgsraad aan vernietiging onderhevig is. Immers is dat een overweging ten overvloede geweest van de Krijgsraad en heeft de Krijgsraad in wezen – in de visie van het Hof – met de dragende overweging “ In de visie van de Krijgsraad – gelet op minimale inhoud van verklaringen van bepaalde personen zoals hierboven vermeld – noopt het tot verder diepgaand onderzoek en zal het derhalve niet hoogst onwaarschijnlijk zijn dat de Krijgsraad later oordelend, tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring van de aan klaagster ten laste gelegde feiten zal komen. Blijkens de literatuur (zie Prof. Mr. G.J.M. Corstens, het Nederlands Strafprocesrecht, 2e druk, pagina 475) dienen feitelijke verweren niet ten gronde in het kader van deze procedure, doch slechts marginaal te worden beoordeeld. Voorts dient de bezwaarschriftrechter niet zelf op de stoel van de zittingsrechter te gaan zitten, maar op het puntje daarvan en moet ex ante marginaal toetsen. Cruciaal is daarbij het antwoord op de vraag of de verdachte al dan niet op ontoereikende gronden in het openbaar terecht dient
te staan.’’, de kern aan de orde gesteld.
4.5. Het Hof kan zich – zoals eerder aangegeven – verenigen met deze zienswijze van de Krijgsraad. De grieven die zijn aangevoerd door de verdediging worden met het voorgaande geacht te zijn besproken en verworpen. In de visie van het Hof betreft de bezwaarschriftprocedure een summiere procedure waarbij slechts het tipje van de spreekwoordelijke sluier wordt gelicht. En bij het lichten van het tipje van de spreekwoordelijke sluier blijkt het in de visie van het Hof niet te gaan om een lichtvaardige vervolging casu quo dat de verdachte op ontoereikende gronden in het openbaar zal moeten terecht staan.
4.6. Op grond van het bovenstaande zal het Hof de grieven van de appellante ongegrond verklaren en de beschikking van de Krijgsraad bevestigen.
5. Beslissing in hoger beroep
5.1 Verklaart het ingesteld hoger beroep tegen de gewraakte beschikking ongegrond;
5.2 Bevestigt de beschikking van de Krijgsraad in eerste aanleg de dato 12 februari 2024, waarvan beroep;
5.3 Verwijst de zaak terug naar de Krijgsraad in eerste aanleg ter afdoening met inachtneming van de beslissing van het Hof;
5.4. De zaak zal daartoe worden afgeroepen ter rolle van een nader door de Krijgsraad vast te stellen datum en tijdstip;
Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 11 november 2024 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en kolonel D. Kamperveen, rechters, met bijstand van mevrouw Z.T.B. de Lisle, LL.B., ad hoc Fungerend-Griffier.
w.g. Z. de Lisle w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. D.Kamperveen
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)