- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer 45/2023
- Uitspraakdatum 14 augustus 2023
- Publicatiedatum 12 juni 2025
- Rechtsgebied Strafrecht
-
Inhoudsindicatie
De verdachte steekt de minnaar van zijn vrouw neer bij het huis van haar zus, toen deze op hem af kwam rennen met een plank of stuk hout waaraan een spijker was bevestigd, waarna de minnaar overlijdt. Het Hof spreekt de verdachte vrij van doodslag op grond van noodweerexces.
De gedragingen van het slachtoffer kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte waartegen hij zich moest verdedigen. Het neersteken met een zakmes staat als verdedigingsmiddel niet in verhouding tot de ernst van de aanranding, zodat het beroep op noodweer niet slaagt.
Bij het bewezen verklaarde feit gaat het om een verdachte die niet bewust de confrontatie met het latere slachtoffer had opgezocht. De intentie van de verdachte was om zijn vrouw te roepen die zich op dat moment bij haar zus bevond. De verdachte was op straat en in plaats van zijn vrouw, kwam het latere slachtoffer op zeer agressieve manier bewapend met een stuk hout met daaraan een spijker op de verdachte af. Vanwege de dreigende situatie op dat moment met daaraan gekoppeld de niet te verwaarlozen emoties zowel vanuit de zijde van de verdachte als die van het slachtoffer heeft verdachte het slachtoffer met een mes gestoken en heeft daarbij vanwege de door de wederrechtelijke aanranding veroorzaakte emoties de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden en is te ver gegaan in zijn verdediging. Het beroep op noodweerexces wordt gehonoreerd en de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Uitspraak
VONNIS
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
Vonnisnummer: 45/2023
Uitspraak: 14 augustus 2023
Parketnummer: 01 – 06 – 02471
TEGENSPRAAK
APPELSTRAFKAMER
Het Hof van Justitie van Suriname
Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 16 juni 2014 en uitgesproken tegen de verdachte:
[Verdachte], geboren op 16 december 1964 te Paramaribo, oud 58 jaar, monteur van beroep en wonende aan de [adres], niet in detentie verkerend;
De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadsman, I.D. Kanhai, BSc., advocaat bij het Hof van Justitie.
Ontvankelijkheid appel
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte door tussenkomst van zijn raadsman op 16 juni 2014 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.
Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis.
De geldigheid van de inleidende dagvaarding
Noch tegen de dagvaarding in eerste aanleg, noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.
De bevoegdheid van het Hof van Justitie
Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Er zijn geen omstandigheden gebleken c.q. geen verweren gevoerd die de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Het Openbaar Ministerie kan dus in de vervolging worden ontvangen.
Schorsing van de vervolging
Er zijn geen omstandigheden gebleken c.q. geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.
De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het (verkort) vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton in eerste aanleg gewezen en uitgesproken op 16 juni 2014 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verdachte terzake doodslag zoals hem in het Derde Kanton ten laste is gelegd zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaar, onder aftrek van de tijd in voorarrest – te weten vanaf 12 mei 2013 tot en met 17 juni 2013 – doorgebracht.
De verdediging heeft zich beroepen op noodweer c.q. noodweer exces, daarbij aanvoerend dat – kort gezegd – verdachte het slachtoffer niet bewust had opgezocht en dat juist het slachtoffer onverwachts met een stuk hout met daaraan een spijker op de verdachte afrende, waartegen verdachte zich had moeten beschermen met het noodlottig gevolg voor het slachtoffer.
Het vonnis waarvan beroep
Het Hof is gebleken dat het beroepen vonnis niet voldoet aan de eisen die artikel 343 e.v. van het Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid stelt aan het vonnis in het geding in eerste aanleg gewezen. Reeds daarom kan het Hof zich niet verenigen met het beroepen vonnis, redenen waarom het Hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.
De tenlastelegging:
Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Vrijspraak
Het Hof is van oordeel dat de onder A ten laste gelegde ‘voorbedachte rade’ niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit de tot het strafdossier behorende stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, is onvoldoende bewijs aanwezig voor de vaststelling dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd. Uit de feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat verdachte met voorbedachte rade zich had begeven naar het slachtoffer. De verdachte was zich niet ervan bewust dat het slachtoffer zich ook daar bevond waar zijn vrouw was. Het is juist het slachtoffer geweest die eerst met een eind hout de straat is opgerend richting de verdachte. De verdachte zal op grond van al het voorgaande van de ten laste gelegde voorbedachte rade worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder A van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton ten laste is gelegd, zoals aangegeven in bijlage I, met dien verstande, dat hij:
op 12 mei 2013, te [district],
A. opzettelijk [SLACHTOFFER] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij verdachte opzettelijk met een mes, een steek toegebracht op de borst van die [SLACHTOFFER], tengevolge waarvan voornoemde [SLACHTOFFER] is overleden.
Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.
Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit:
Ter terechtzitting afgelegde verklaringen
1. De verklaring van de getuige [naam 1] afgelegd in hoger beroep ter terechtzitting van 6 april 2022, voor zover relevant voor het bewijs:
De verdachte is mijn echtgenoot. Op die bewuste avond was ik bij een zus van mij. Het slachtoffer was ook daar. De verdachte was niet bij mijn zus. Aan de hand van de gedragingen van zowel verdachte als het slachtoffer had ik ingezien dat tussen die twee een vechtpartij zou ontstaan. Ik hoorde de stem van de verdachte op straat. Toen ik dit zag dacht ik: “dit wordt moeilijk”. Ik stond op een afstand van 50 meters verwijderd van de plaats van het incident. Ik had de verdachte wel iets van “tide” horen zeggen. Ik had de stem van verdachte wel herkend. Het slachtoffer was met een houten plank gerend naar de verdachte die op straat stond. De verdachte wist dat ik een relatie had met het slachtoffer. De manier waarop het slachtoffer naar de verdachte toe ging was dreigend.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd in hoger beroep ter terechtzitting van 15 augustus 2022, voor zover relevant voor het bewijs:
Op die bewuste dag fietste ik naar huis. Ik zag de auto van mijn vrouw bij de woning van haar zus geparkeerd. Ik ben toen aldaar gestopt en schreeuwde ik het volgende naar mijn vrouw toe: “zo een moederdag dan ben je niet thuis met je kinderen”. Terwijl ik dat aan het schreeuwen was, zag ik het slachtoffer met een tjaplati (stuk hout) uit het erf van de woning van de zus van mijn vrouw komen en rende hij de straat op. Ik stond op straat met mijn fiets. Het slachtoffer rende met de plank of stuk hout waaraan een spijker bevestigd was op mij af. Ik heb toen uit zelfverdediging gehandeld. Een persoon had zijn zakmesje aan mij verpand en om die reden had ik toevallig dat zakmesje bij mij. Het is niet mijn gewoonte om bewapend met een mes te lopen. Het slachtoffer had mij voor dit incident tot twee keren toe op straat geslagen. Zodra het slachtoffer mij in het vizier kreeg, begon hij zich anders te gedragen. Het waren slechts een paar maanden dat mijn vrouw en ik niet samen met elkaar woonden. Toen ik voor mijn vrouw schreeuwde was mijn vrouw fysiek niet voor mij. In plaats van dat mijn vrouw kwam, kwam het slachtoffer met een stuk plank of hout op mij afstormen. Ik zat op mijn fiets op straat. Ik kon niet gelijk weg fietsen omdat in de tussentijd dat ik nog kon weg fietsen het slachtoffer eerder bij mij kon zijn. Ik was zelf verrast door het slachtoffer die rennend met een plank in mijn richting kwam. Er was niet veel ruimte dus ben ik van mijn fiets gesprongen. Ik had het mes in mijn hand.
Schriftelijke bescheiden
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal door [verbalisant 1], agent van politie 1e klasse, gesloten op 12 mei 2013, inhoudende de aangifte ambtshalve, voor zover relevant voor het bewijs (pagina’s 57-59):
Op dag, datum en tijdstip als eerder vermeld werd telefonisch bericht ontvangen van een belster dat een manspersoon kort tevoren met een mes is neergestoken aan de [straatnaam] . Op het vermeld adres werd een menigte aangetroffen en ook het lichaam van een manspersoon van creoolse komaf die geen tekenen van leven vertoonde. Voorts vertoonde het slachtoffer ter hoogte van zijn borststreek een verwonding waaruit bloed vloeide. Ter plaatse werd de persoon van [naam 2] aangetroffen en hij verklaarde dat hij een manspersoon met stemverheffing hoorde praten wat reden was voor hem om te gaan kijken wat er gaande was. Gekomen voor zijn woning zag hij het latere slachtoffer dat bij hem bekend is vanuit het erf lopen naar de richting van de straat en wel gewapend met een eindhout. Hij constateerde dat de man die met stemverheffing sprak de gehuwde man van [naam 1] was. Het slachtoffer rende de man van [naam 1] gewapend met een eindhout tegemoet en raakten die twee midden op de openbare weg in een worsteling. Ten tijde van de worsteling zag hij dat [verdachte] een mes in zijn hand hield en het slachtoffer op een gegeven moment wankelen en vervolgens enkele achterwaardse stappen maken waarna het slachtoffer op de noordelijke grasberm neerzeeg.
4. Een geschrift: een obductieverslag van 3 juni 2013, nummer G13-0068, opgesteld en ondertekend door drs. M.P.K. Chan, werkzaam bij het pathologisch-anatomisch laboratorium van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo, betreffende een obductie op het lijk van [slachtoffer] op 13 mei 2013, geboren op 19 januari 1983, inhoudende als verklaring van drs. Chan voornoemd, voor zover relevant voor het bewijs:
Situatie:
Het betreft een man overleden na een steekverwonding.
Borstholte:
Het borstbeen toonde op het niveau van de 6e rib een schuinverlopende mechanische wond met scherpe wondranden, afm. 4*0,6cm. De wond liep van boven naar rechts onder. In het hartzakje werd 250 cc bloed en bloedstolsels gezien. Inspectie van het hartzakje toonde aan de voorzijde een defect met scherpe wondranden van 3,2*1,5cm. Aan de rechter achterzijde van het hartzakje werd een tweede defect gezien, afm. 1,7*0,5cm. De rechterzijde van het hart toonde 4cm onder het rechter hartoor een grote snij/steekwond van 5,5*1,5cm. De wond op de borst was 132cm verwijderd vanaf de binnenzijde van voetzoolrand (liggend gemeten).
Samenvattend:
Het betreft een 30 jaar oud geworden man overleden na een steekverwonding te hebben opgelopen in de borststreek. Het overlijden was ten gevolge van shock als gevolg van harttamponade (bloedophoping in het hartzakje) veroorzaakt door een steekverwonding aan het hart.
De strafbaarheid van het feit:
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
A. Doodslag, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht.
Het Hof overweegt ten aanzien van het beroep op noodweer het volgende:
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat:
– er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed van de dader zelf of een ander en
– de gedraging geboden is (proportionaliteitseis) door de noodzakelijke verdediging (subsidiariteitseis) tegen die ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Het Hof overweegt dat de gedragingen van het slachtoffer – het rennen naar de verdachte toe met een gespijkerde eind hout, waarbij hij de verdachte dicht genaderd was – gekwalificeerd kan worden als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte. Het is aannemelijk geworden dat deze situatie zodanig is geweest voor de verdachte dat de verdediging van zijn lijf noodzakelijk was. Op grond van de in de bewijsmiddelen weergegeven feiten en omstandigheden is het Hof evenwel van oordeel dat de gekozen gedragingen van verdachte – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding en dat daarmee niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Het Hof is van oordeel dat de verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging en de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden waardoor er geen geslaagd beroep gedaan kan worden op noodweer.
De strafbaarheid van de verdachte
Het Hof overweegt ten aanzien van het beroep op noodweerexces het volgende:
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging, verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding
Op grond van de feiten en omstandigheden die gebleken zijn uit het onderzoek is naar het oordeel van het Hof aannemelijk geworden dat verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, namelijk dat het latere slachtoffer rennend met een gespijkerde eind hout op hem afkwam. Bij het bewezen verklaarde feit gaat het om een verdachte die in feite niet bewust de confrontatie met het latere slachtoffer had opgezocht. De intentie van de verdachte was om zijn vrouw te roepen die zich op dat moment bij haar zus bevond. De verdachte was op straat en in plaats van dat zijn vrouw naar hem kwam, kwam het latere slachtoffer op zeer agressieve manier bewapend met een stuk hout met daaraan een spijker op de verdachte af. Vanwege de dreigende situatie op dat moment met daaraan gekoppeld de niet te verwaarlozen emoties zowel vanuit de zijde van de verdachte als die van het slachtoffer heeft verdachte het slachtoffer met een mes gestoken en heeft daarbij vanwege de door de wederrechtelijke aanranding veroorzaakte emoties de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden en is te ver gegaan in zijn verdediging, doch is hij onder de gegeven omstandigheden niet strafbaar. Om deze reden zal het beroep op noodweerexces gehonoreerd worden en dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De verdachte is niet strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
De toepasselijke wettelijke bepalingen
Gezien de voormelde wetsartikelen alsmede de artikelen 65 lid 1 onder b en 66 onder c van het Wetboek van Strafrecht zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.
Beslissing:
Het Hof van Justitie:
Rechtdoende in hoger beroep
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 16 juni 2014 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder A bij de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton ten laste gelegde heeft begaan, met uitzondering van de voorbedachte rade.
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte in het Derde Kanton onder A meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
Doodslag, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.
Verklaart verdachte niet strafbaar.
Ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.
Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-plaatsvervanger
bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend-griffier,
en uitgesproken te Paramaribo door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 14 augustus 2023.
w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh w.g. A. Charan
w.g S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,
(mr.E.M. Ommen – Dors, Substituut – Griffier)