SRU-HvJ-2026-2

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 08/2026
  • Uitspraakdatum 19 januari 2026
  • Publicatiedatum 01 april 2026
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof van Justitie heeft in hoger beroep geoordeeld dat de verdachte Hausil zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige schendingen van de Bankwet, de Anti-corruptiewet en het Wetboek van Strafrecht. Uit het onderzoek bleek dat zij als hoofd Legal Officer van de Centrale Bank van Suriname betrokken was bij transacties rond de aankoop en overname van panden die niet noodzakelijk waren voor de bedrijfsvoering van de bank. Daarmee werd artikel 18 lid 4 van de Bankwet overtreden, dat het bezit van dergelijke onroerende goederen verbiedt. Het Hof concludeerde dat haar handelen erop gericht was om de Staat monetair te financieren, hetgeen in strijd is met de wettelijke bepalingen. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van medeplegen, omdat Hausil geen feitelijke handelingen zou hebben verricht en dubbel opzet zou ontbreken. Het Hof verwierp dit verweer en stelde vast dat zij een wezenlijke bijdrage leverde door het opstellen van overeenkomsten, waaronder de royalty-overeenkomst van 1 november 2019, die ondanks negatief advies werd doorgedrukt. Haar rol was essentieel voor de voltooiing van de transacties en daarom is sprake van nauwe en bewuste samenwerking met haar medeverdachten. Ook het verweer dat er geen financiële benadeling van de Centrale Bank zou zijn, werd verworpen. Uit het rapport van Kroll A. Division Duff & Phelps bleek dat de contracten met Clairfield Benelux N.V. buitensporig en nadelig waren, met disproportionele vooruitbetalingen en onvoldoende tegenprestaties. Het Hof oordeelde dat de CBvS daadwerkelijk financieel is benadeeld. Ten aanzien van ambtsverduistering stelde het Hof vast dat Hausil en haar medeverdachten meer dan SRD 3,3 miljard bij de CBvS hebben getrokken door constructies die de geldende procedures omzeilden. Volgens artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht is sprake van verduistering wanneer goederen wederrechtelijk aan hun bestemming worden onttrokken. Het Hof concludeerde dat Hausil door haar juridische constructies deze verduistering mogelijk maakte.
    Het Hof concludeert dat de bewezenverklaarde feiten strafbaar zijn en dat er geen omstandigheden zijn die de strafbaarheid uitsluiten. Hausil is strafbaar en kan als medepleger worden aangemerkt. Bij de strafoplegging woog het Hof de ernst van de feiten zwaar mee. Hausil en haar medeverdachten hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie en systematisch misbruik van hun positie, waardoor het vertrouwen van de samenleving in de Centrale Bank ernstig is geschaad.

    Wetboek van Strafvordering; Wetboek van Strafrecht; Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85; Bankwet; corruptie; publieke figuur; medepleger; misbruik van positie; Centrale Bank van Suriname

Uitspraak

Vonnisnummer: 08/2026

Uitspraak: 19 januari 2026

Parketnummer: 01 – 01 – 01698

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 januari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:

HAUSIL, Faranaaz gehuwd Alibaks, geboren op [geboortedatum] te [plaats], zonder beroep en wonende aan de [adres] in het district [district], niet in detentie verkerend (in vrijheid gesteld op 25 juli 2022); 

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door de raadslieden mrs. M. Dubois en R. R. Lobo, advocaten bij het Hof van Justitie van Suriname.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadslieden namens de verdachte op 14 februari 2022 op de voorgeschreven wijze appel hebben aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

Standpunt van de vervolgingsambtenaar

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen voor de ten laste gelegde feiten onder IA, IIA, IIIA en IVA tot: 

  • een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest;
  • een geldboete van SRD 100.000,- subsidiair 10 maanden hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft:

  • primair de nietigheid van de tenlastelegging bepleit.
  • subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.
  • meer subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake de bewezenverklaarde feiten onder:

  • IA van de tenlastelegging, te weten medeplegen van de overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IIB te weten medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IIIA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IVB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht,

veroordeeld tot:

  • een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren, onder aftrek van de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,
  • betaling van een geldboete tot een totaalbedrag van SRD 100.000,- subsidiair 10 maanden hechtenis;
  • handhaving van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Het Hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. 

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage 1 gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. Indien in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe hebben de raadslieden – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

  • er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft middels een sluiproute een tenlastelegging geproduceerd met betrekking tot artikelen uit de Bankwet, waar geen sanctie op is gesteld en via een omweg aldus de Anti-corruptiewet ten laste gelegd. 
  • de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging. In casu is niet gesteld noch gebleken dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte. De verfeitelijking heeft dus niet plaatsgevonden. 

Verweer met betrekking tot obscuur libel

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op artikel 35 a van de Bankwet, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat artikel 21 lid 2 en lid 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1 a van de Anti-corruptiewet is gericht op het verbod om in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen in strijd met de voor besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de Anti-corruptiewet niet beperkt is tot gedragingen die expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen. 

In de visie van het Hof leidt dit niet tot een obscuur libel en ook niet tot nietigheid van de dagvaarding. Gelet op het voorgaande verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer van de verdediging. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreekt in de tenlastelegging en dat niet gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) betreft artikel 13 van de Anti-corruptiewet handelingen door een publieke functionaris verricht of besluiten door een publieke functionaris genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit artikel geeft een niet uitputtende opsomming van enkele in het kader van corruptiebestrijding belangrijke handelingen en besluiten. 

In het kader van dit artikel dient te worden verwezen naar de artikelen 426 en 427 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het door een ambtenaar aannemen van giften of beloften en het aannemen van giften of beloften onder verzwarende omstandigheden als ambtsmisdrijven zijn strafbaar gesteld. 

Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris binnen de overheidssector.

Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. 

Het Hof stelt vast dat strafbaarstelling in artikel 13 van de Anti-corruptiewet zich niet beperkt tot het voor zichzelf of een ander onrechtmatig voordeel te verkrijgen door de publieke functionaris. De strafbaarheid betreft ook de publieke functionaris die verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, waarbij aan de Staat of Staatsinstelling opzettelijk financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. Het beschermd belang dat de wetgever bij vermeld artikel stelt is bescherming van de Staat of Staatsinstelling. Van het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet is in de visie van het Hof geen sprake. 

Het Hof verwerpt -gelet op al het voorgaande- het daartoe strekkend verweer.

Nu het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van gebreken in de inleidende dagvaarding, is de dagvaarding naar het oordeel van het Hof geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag zijn er geen verweren gevoerd door de verdediging. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van de vervolging

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien:

  • de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  
  • er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de artikelen 16 en 18 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht’. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de Anti-corruptie commissie

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Ani- corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit de Memorie van Toelichting (MVT) van de Anti-corruptiewet volgt dat de commissie een preventieve taak heeft. Eén van de doelstellingen van de preventieve aanpak door de commissie is dat er gewerkt wordt aan transparantie binnen de overheidssector en dat er een proces van bewustwording en verdere discussie binnen de werkorganisaties op gang komt over integer bestuur. In dit verband is het mogelijk dat de commissie op verzoek een integriteitsonderzoek in gang zet binnen de organisatie van een orgaan of instelling. Verder kan de commissie ondersteunen bij het identificeren van risico’s in gevallen van belangenverstrengeling binnen de organisatie, waarbij het kan gaan om risico’s die ontstaan door externe en interne oorzaken binnen de organisatie. 

Samengevat hebben de taken van de commissie te maken met preventie, signalering, analyse, beleidsadvisering, monitoring, educatie, het ontwikkelen van integriteitscodes en het onderhouden van contacten met (inter) nationale instanties. Het laatste mede met het oog op financieel- en technische ondersteuning op het gebied van corruptie preventie. De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken, valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Na “intake” van een gemelde misstand wordt elke geregistreerde melding door de commissie volledig overgedragen aan de Procureur-Generaal om de behandeling van de gemelde misstand over te nemen. 

Het Hof stelt voorop dat uit de Memorie van Toelichting van de Anti-corruptiewet niet blijkt dat het hebben van een commissie een noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Artikel 18 van de Anti-corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in artikel 17 lid 1 en 2 van de Anti-Corruptiewet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer erop neerkomende dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift’ niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht”.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Door de jurisprudentie en de literatuur is uitgemaakt wat onder wettelijk voorschrift wordt verstaan namelijk wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door machten met wetgevende bevoegdheid.

Inderdaad kent Suriname geen Wet Bestuursrecht, maar dat betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan, die gelden binnen de publieke sector. 

Aan het begrip wettelijk voorschrift in de Anti-corruptiewet komt specifieke betekenis toe, zoals verwoord in de memorie van toelichting. Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris. Deze wet heeft niet rechtstreeks betrekking op de handelingen van (individuele) burgers/personen buiten de overheidssector als het gaat om fraude en corruptief gedrag. In artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet is bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. 

Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings-of handelingsbevoegdheden zijn toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een ‘wettelijk voorschrift’.

Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd. 

Hieruit valt af te leiden dat de bepalingen van de Bankwet wettelijke voorschriften zijn, welke wet is uitgevaardigd door de daartoe bevoegde autoriteiten. Een wettelijk voorschrift is elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegde autoriteit.  

De Bankwet bevat regels, waaraan de bank zich dient te houden en zijn het dus wettelijke voorschriften.

De verweren worden mitsdien -gelet op het voorgaande- in al hun onderdelen verworpen.

Nu voor het overige door de verdediging geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Vanuit de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 

Ten aanzien van de feiten IA en IIIA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IA en IIIA ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • verdachte geen publieke functionaris is en dat de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op haar.
  • Hausil haar intentie was nimmer geweest om de Staat monetair te financieren, doch aan schuldverrekening te doen. Hausil pas erbij werd betrokken door [naam] toen de panden niet overgedragen konden worden. Zij wist dus niet dat er betaald is geworden voor de panden. 
  • er geen sprake is van medeplegen. Niet is komen vast te staan dat Hausil enige feitelijke handeling heeft verricht. Dubbel opzet ontbreekt. Er was geen sprake van oogmerk bij Hausil. Blijkt niet dat zij opzettelijk nadeel heeft toegebracht aan de bank.
  • er geen sprake is van financiële benadeling van de Centrale Bank van Suriname. 
  • het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijkheden dan wel onvolkomenheden bevat.

Verweer met betrekking tot de publieke functionaris

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat Hausil geen publieke functionaris is en dat de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op haar.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

In artikel 13 lid 1 a van de Anti-corruptiewet wordt bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door haar in strijd met een wettelijk voorschrift handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het betreft de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift.

In tekst en commentaar Strafrecht (tiende druk, pagina 577) is bepaald dat bij kwaliteitsdelicten het bezit van een bepaalde kwaliteit vereist is. De deelnemer aan een kwaliteitsdelict dat door een ander wordt gepleegd, hoeft zelf niet de vereiste kwaliteit te bezitten. Voldoende is dat de pleger die kwaliteit heeft en dat de deelnemer daar weet van heeft.  

De bepalingen uit de Bankwet kunnen aangemerkt worden als kwaliteitsdelicten. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op iemand, die niet de hoedanigheid heeft van een governor. Het Wetboek van Strafrecht biedt wel de mogelijkheid om personen die niet over een bepaalde kwaliteit beschikken, in casu de verdachte Hausil, als deelnemer aan die kwaliteitsdelicten strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Verdachte Hausil heeft nauw met de verdachte Van Trikt, zijnde de governor van de Centrale Bank van Suriname en de voormalige minister van Financiën, dhr. Hoefdraad samengewerkt.  

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot de intentie van Hausil

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verdachte nimmer de intentie had om de Staat monetair te financieren. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

In casu is er in strijd gehandeld met artikel 18 lid 4 van de Bankwet. Dit artikel geeft aan dat de Centrale Bank van Suriname naast het kopen van onroerende goederen deze ook niet mag bezitten, dan die welke voor de uitoefening van haar bedrijf nodig zijn. Hausil heeft verklaard dat het nimmer de bedoeling was over te gaan tot koop doch dat het betrof overname van onroerende goederen. Dit wordt tegengesproken door de medeverdachte Van Trikt.

Nadat bekend was dat een deel van de tweede tranche panden aan medeverdachte Putter toebehoort en niet aan de Staat Suriname, heeft verdachte Hausil alsnog een mail gestuurd voor medeverdachte van Trikt waarbij zij te kennen gaf de transactie voort te zetten. Verder heeft zij verklaard dat het de bedoeling was de panden te plaatsen onder SPIM. Dit wordt ook tegengesproken door medeverdachte Van Trikt.

In de visie van het Hof kan uit het handelen van de verdachte worden aangenomen dat het haar intentie was om de Staat monetair te financieren.

Uit het onderzoek is onomstotelijk komen vast te staan dat Hausil wel degelijk wist dat er reeds betaald was voor de panden. Dit blijkt uit de verklaring van medeverdachte van Trikt, die dus aangeeft dat Hausil wist dat er betaling van de panden zou plaatsvinden.

Voorts blijkt dat uit een e-mail bericht afkomstig van Kromosoeto, waarbij hij voorstellen doet met betrekking tot de verkoop van de panden, overdracht van de royalty’s en natuurreservaten van Suriname. Deze mail is op 10 juni 2019 “geforward” (doorgestuurd) naar Hausil. Op 22 juni 2019 verstuurt Hausil een mail naar medeverdachten Hoefdraad en Van Trikt, waaruit blijkt dat zij aan de 2 voornoemde verdachten een conceptbrief heeft doen toekomen in het kader van eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de Centrale Bank van Suriname.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot medeplegen

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake was van medeplegen. Niet is komen vast te staan dat Hausil enige feitelijke handeling heeft verricht. Dubbel opzet ontbreekt. Er was geen sprake van oogmerk bij Hausil. Blijkt niet dat zij opzettelijk nadeel heeft toegebracht aan de bank.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof stelt voorop dat de betrokkenheid van verdachte aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten en haar – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict zodanig wezenlijk dan wel van dusdanig voldoende gewicht is, dat sprake is van medeplegen. Voor een bewezenverklaring van medeplegen behoeft niet tot uiting te komen wie van de medeverdachten elk van de verschillende handelingen heeft of hebben verricht.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het Hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte het volgende af:

De verdachte heeft als hoofd Legal Officer van de Centrale Bank van Suriname (hierna: CBvS) overeenkomsten opgesteld waarin haar ideeën en voorstellen zijn uitgewerkt, die geleid hebben tot de aankoop en de overname van de 17 panden. Uit het onderzoek is gebleken dat de overname van de panden door de CBvS niet noodzakelijk is gebleken voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de bank. Zij had een adviserende rol naar haar medeverdachte Van Trikt toe en heeft hem nimmer voorgehouden dat er in strijd met de Bankwet wordt gehandeld. Integendeel heeft zij een belangrijke rol gespeeld bij de voltooiing van deze verkoop van de panden aan de bank. De royalty overeenkomst van 1 november 2019 is door Hausil opgesteld. Ondanks er negatief advies was uitgebracht door de juridische afdeling heeft dit haar niet weerhouden de totstandkoming van deze overeenkomst door te drukken. Door deze overeenkomst zijn er trekkingen gedaan van SRD 2.2 miljard. Zij heeft samen met haar mededaders steeds naar mogelijkheden gezocht om de Staat te financieren ten koste van de CBvS. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het voltooien van de strafbare feiten. Haar bijdrage was van voldoende gewicht om haar als medepleger aan te merken. 

In de visie van het Hof is er aan de hand van het boven aangehaalde sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer. 

Verweer met betrekking tot financiële benadeling

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake was van financiële benadeling van de Centrale Bank van Suriname. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps is onomstotelijk komen vast te staan dat:

  • er oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomst Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 en Lagarde I. Hetgeen betaald is staat niet in verhouding tot hetgeen door Clairfield is geleverd. 
  • Clairfield niet over de nodige kwaliteiten beschikt om werkzaamheden te verrichten in het kader van één of meer van voormelde overeenkomsten.
  • de vooruitbetalingen ten aanzien van de projecten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 buitensporig hoog en niet gebruikelijk waren. Uit het rapport is voldoende aangetoond dat de contracten nadelig waren voor de Staat Suriname. 
  • met betrekking tot de “non refundable fees” waren de tegenprestaties in onderhavig geval niet evenredig met de geleverde diensten door Clairfield. 

Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten.

Het Hof verwijst in dit verband eveneens naar het vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, gewezen op 20 oktober 2022, waarbij genoemde rechtbank de nietigheid van de overeenkomsten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3, Prodigy 5 en Lagarde I heeft uitgesproken. Clairfield is daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan de Centrale Bank van Suriname van een bedrag groot Euro 2.552.932.59. (twee miljoen vijfhonderdtweeënvijftigduizend negenhonderdtweeëndertig euro en negenenvijftig cent). 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot ondeugdelijkheden vonnis eerste aanleg

Van de zijde van verdediging is aangevoerd dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk is dan wel onvolkomenheden bevat.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

De Kantonrechter in eerste aanleg heeft het vonnis voldoende gemotiveerd. Uit de opgesomde bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat de strafbare feiten daadwerkelijk zijn gepleegd. De getuigen hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard wat zich heeft afgespeeld. Ook zijn er schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan de strafbare feiten. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte en mededaders de bewezenverklaarde feiten hebben begaan op feiten en omstandigheden die in de aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Het is het Hof overigens niet gebleken dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk casu quo tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat. 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Ten aanzien van de feiten IIB en IVB

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IIB en IVB ten laste gelegde feiten te weten medeplichtigheid aan ambtsverduistering dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • er geen sprake is van ambtsverduistering. Haar opzet was niet gericht op het doen gebruiken van de overeenkomst van 1 november 2019 als dekking dan wel als grondslag voor de financiering van SRD 2.216.729.120.00,- (twee miljard tweehonderdzestien miljoen zevenhonderd negentwintig duizend en honderdtwintig Surinaamse dollar)  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht wordt aangetekend dat het begrip verduisteren in de zin van artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht een ruimer bereik heeft dan in artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht. Het betekent niet dat de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed wederrechtelijk onttrekt aan waar het voor bestemd is.

Uit het onderzoek is gebleken dat de vrijgemaakte gelden onrechtmatig zijn getrokken door de Centrale Bank van Suriname onder het mom van schuldverrekening. Er is nimmer aan schuldverrekening gedaan. Medeverdachte Hoefdraad heeft samen met Hausil en van Trikt als blanco voorschot een bedrag van meer dan SRD 3.3 miljard getrokken bij de Centrale Bank van Suriname. Artikel 423 Wetboek van strafrecht geeft duidelijk aan dat de dader het goed aan zijn bestemming heeft onttrokken. Deze handelingen konden alleen geschieden als gevolg van verschillende constructies van de verdachte Hausil. De verdachte heeft bij de transacties met betrekking tot de panden alsook de overeenkomst van 1 november 2019 de geldende procedures omzeild. 

In de visie van het Hof is er in casu sprake van ambtsverduistering. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: 

  • IA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • IIB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IIIA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1a juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • IVB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Verdachte is dan ook strafbaar. 

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. 

Verdachte en haar mededaders hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie. Zij hebben samengewerkt aan het tot stand komen van overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. en Orion Assurance and Advisory N.V., waarbij er grote geldbedragen aan voorschotten zijn betaald. Gebleken is dat de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Uit 2 van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de verkoop van onroerende goederen uitgerold. Deze onroerende goederen zijn door de Centrale Bank van Suriname gekocht en betaald, maar de panden zijn nimmer overgedragen aan de Bank. Verdachte en haar mededaders hebben gedurende langere periode op systematische en geraffineerde wijze gehandeld, waarbij doelbewust misbruik is gemaakt van hun positie. Verdachte heeft haar functie benut om op geraffineerde wijze controle te omzeilen en andere belangen te dienen. Verdachte heeft als directeur Legal Compliance International Affairs van de Centrale Bank misbruik gemaakt van haar positie. 

Verdachte en haar mededaders hadden slechts oog voor hun eigen financieel gewin en hebben daarbij geen rekening gehouden met de gevolgen van hun handelen voor de Staat Suriname. Het vertrouwen dat de burgers hadden in verdachte, zijnde het Hoofd van de Juridische afdeling van de Centrale bank van Suriname, is ernstig aangetast. Juist van deze personen wordt verwacht dat zij integer zijn en zich inzetten voor de ontwikkeling van het land. Het Hof rekent het de verdachte zwaar aan. 

De persoon van de verdachte en haar omstandigheden

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op de inhoud van de Staat van inlichtingen, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De verdachte is bij een ingesteld verzoek inzake artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering door het Hof in vrijheid gesteld. Het Hof heeft daarbij overwogen dat verdachte ten tijde van de behandeling van dit verzoek reeds twee derde deel van de haar opgelegde straf had uitgezeten en dat er nog geen zicht was op behandeling van haar zaak in Hoger Beroep.

Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van de feiten, en de rol van de verdachte in het geheel, is het Hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat corruptie niet ongestraft kan blijven. Het Hof zal bij het bepalen van een passende strafmaat rekening houden met het feit dat de verdachte reeds twee/derde deel van de haar opgelegde straf heeft uitgezeten en dat verdachte zich in deze zaak geruime tijd op vrije voeten bevindt. Indachtig al het voorgaande zal het Hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren opleggen, hetwelk het Hof passend en geboden acht. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd. 

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44, 72, 73, 82, 127, 423 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13 en 17 van de Anti-corruptiewet en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005 inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73) zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. 

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 

31 januari 2022 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde straf zoals eerder vermeld;

Vernietigt het vonnis ten aanzien daarvan

en

Opnieuw rechtdoende in hoger beroep:

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, te weten vanaf 14 juli 2020 tot en met 25 juli 2022 in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door: A. Charan, Fungerend – President, S. Punwasi en mr. D. Nanhoe, rechters, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 19 januari 2026 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh

w.g. A. Charan 

w.g. S. Punwasi

w.g. D. Nanhoe

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut Griffier)