- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 13960
- Uitspraakdatum 08 oktober 2004
- Publicatiedatum 10 april 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof oordeelt in conventie dat de echtscheiding reeds rechtsgeldig tot stand is gekomen door inschrijving van het vonnis. Het verzet van appellante tegen de scheiding en deling kan de verdeling niet verhinderen. Eventuele afspraken tussen partijen staan toewijzing van de verdeling niet in de weg. De grieven van appellante worden verworpen. Hoger beroep tegen een vonnis tot scheiding en deling is mogelijk. Het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd.
Appellante is in reconventie, anders dan de Kantonrechter heeft overwogen, niet-ontvankelijk in haar primaire vordering omdat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Zij heeft immers geen feiten gesteld waaruit zou volgen dat de inschrijving van het echtscheidingsvonnis vernietigbaar is.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL: 13960
[Appellante], gescheiden echtgenote van [geïntimeerde], wonende aan [straatnaam 1] [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.C.CH.Bhagwandien, advokaat,
appellante in conventie
en in reconventie,
t e g e n
[Geïntimeerde], gescheiden echtgenoot van appellante voornoemd, wonende aan [straatnaam 2] [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
geintimeerde in conventie
en in reconventie,
De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 2 juli 1999 en 9 januari 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partijen in persoon, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.C.Ch.Bhagwandien en Mr.F.F.P.Truideman, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 19 maart 2004, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader heeft bepaald op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In conventie en in reconventie:
In conventie:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 9 augustus 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat nu pogingen van het Hof tussen partijen een vereniging tot stand te brengen tevergeefs zijn geweest, rest het Hof niets anders dan, conform het verzoek van partijen daartoe, recht te doen als na te melden;
Overwegende, dat appellante, in haar verweer tegen de tegen haar ingestelde vordering tot scheiding en deling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap, gerefereerd heeft aan de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer ‘95/3054, waarin op vordering van haar bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 3 juli 1995 de echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien nadat geintimeerde zich ten aanzien van het gestelde overspel dat appellante geintimeerde verweet, aan het oordeel van de rechter had gerefereerd;
Overwegende, dat, naar tussen partijen als onweersproken vaststaat, geintimeerde, nadat hij op 7 juli 1995 voor berusting had getekend, dat echtscheidingsvonnis op genoemde datum, 7 juli 1995, heeft doen inschrijven in de daartoe bestemde registers, blijkende e.e.a. zowel uit het getuigschrift op bladzijde 3 van het echtscheidingsvonnis als uit de desbetreffende akte in fotokopie de dato 7 juli 1995, zich in het procesdossier bevindend;
Overwegende, dat appellante naar uit het procesdossier tevens blijkt, op 28 juli 1995 appel heeft doen aantekenen tegen het vonnis, waarbij de echtscheiding op vordering van haar tussen partijen werd uitgesproken;
Overwegende, dat het Hof in verband met het zo juist overwogene opmerkt, dat met de mogelijkheid van appel de wet tweeërlei beoogt: zij wil een partij, die zich met de beslissing van de eerste rechter niet verenigen kan, een kans bieden van een hogere rechter een voor haar gunstiger beslissing te verkrijgen; zowel voor het geval de eerste rechter onjuist zou hebben geoordeeld als voor het geval de ongunstige uitslag van het proces veroorzaakt zou zijn door eigen processuele fouten van die partij;
Overwegende, dat het Hof op grond van het zo juist overwogene van oordeel is, dat appellante de Kantonrechter in hoger beroep niet zou kunnen verwijten door te beslissen als is beslist, aan het doel van het hoger beroep voorbij gegaan is;
Overwegende voorts, dat het Hof met betrekking tot de, naar appellante – betwist – heeft gesteld, tussen partijen gemaakte afspraken omtrent de scheiding en deling, waar geintimeerde volgens appellante zich niet aan gehouden heeft, wenst op te merken, dat het verzet van appellante tegen de scheiding en deling, de toewijzing daarvan op zich niet mag beletten. Immers , na het bevel daartoe zou de akte van boedelscheiding niet mogen worden verleden voordat de, overigens door geintimeerde betwist gestelde afspraken omtrent de scheiding en deling, zouden zijn nagekomen door geintimeerde;
Overwegende, dat het Hof de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde, uit vijf punten bestaande, grief gelijk besproken hebbend, die grief als niet terzake doende dan ook verwerpt;
Overwegende, dat het Hof, zij het ten overvloede nog opmerkt, dat artikel 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering naast artikel 56 van dit wetboek zelfstandige toepassing vindt. Een vonnis tot scheiding en deling kan, ofschoon niet in artikel 56 van meergemelde wetboek genoemd, bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard in de gevallen van artikel 55;
Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van de bewering van geintimeerde dat tegen het vonnis tot scheiding en deling appel niet mogelijk is, daar de ontbonden huwelijksgemeenschap volgens de wet gescheiden en gedeeld moet worden, oordeelt, dat de vraag of hoger beroep van een rechterlijke beslissing openstaat, bij uitsluiting aan de wetgever is voorbehouden;
Overwegende, dat nu het Hof geen wettelijke bepaling bekend is waaruit uitsluiting van een hogere voorziening van een beslissing, waarbij scheiding en deling is gelast, voortvloeit, dient de bewering van geintimeerde als geen steun vindend in de wet, te worden verworpen;
Overwegende, dat op grond van het hiervoren overwogene het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 gewezen en uitgesproken, waarvan beroep met aanvulling en verbetering der rechtsgronden behoort te worden bevestigd;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;
In reconventie:
Overwegende, dat het Hof aanstonds opmerkt, dat appellante, anders dan de Kantonrechter heeft overwogen, hierom niet ontvankelijk is in haar primaire vordering omdat zij, naar het Hof gebleken is, niet aan haar stelplicht heeft voldaan, hebbende appellante immers geen feiten gesteld waaruit volgen zou dat de inschrijving van het echtscheidingsvonnis vernietigbaar is;
Overwegende, dat het Hof, wat het subsidiair gevorderde betreft enkel zal gelasten de scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap waartegen geintimeerde zich overigens niet blijkt te hebben verzet met afwijzing van het meer of anders gevorderde nu dat gevorderde betreft de vraag of de volledige huwelijksgoederengemeenschap aan appellante moet worden toebedeeld, waaromtrent tussen partijen geen overeenstemming blijkt te bestaan en bij de werkzaamheden der scheiding en deling aan de orde zal komen;
Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis dan ook zal vernietigen en doende wet de Kantonrechter heeft nagelaten, beslissen zal als in het dictum te melden;
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie en in reconventie:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;
EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
In conventie:
Bevestigt onder aanvulling en verbetering der rechtsgronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;
Veroordeelt, de appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en tot op deze uitspraak begroot op
SRD 200.
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 200.
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellante eveneens op SRD 200.
In reconventie:
Verklaart appellante niet ontvankelijk in haar primaire vordering;
Veroordeelt geintimeerde met appellante over te gaan tot scheiding en deling van de tussen partijen bestaande ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap; met benoeming van Mr.C.Calor, notaris in Suriname, ten overstaan van wie de werkzaamheden van de scheiding en deling zullen plaatsvinden alsmede van Mr.H.P.Boldewijn, advokaat bij het Hof van Justitie, als onzijdige persoon teneinde geintimeerde, zo hij daartoe behoorlijk opgeroepen zijnde niet verschijnt of wel verschenen, weigeren mocht aan de werkzaamheden mede te werken, daarbij te vertegenwoordigen;
Compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten in diervoege dat iedere partij de hare draagt;
Wijst af het meer of anders gevorderde;
In conventie en in reconventie:
Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.E.S.Ombre en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 8 oktober 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.