SRU-HvJ-2004-10

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 13981
  • Uitspraakdatum 04 juni 2004
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    De erflater van appellanten hebben, naar uit de verklaring de dato 19 mei 1997 blijkt, hoger beroep aangetekend op 19 mei 1997 en niet vanaf de dag waarop het eindvonnis aan hem is medegedeeld en mitsdien niet binnen de termijn van dertig dagen na de mededeling van het eindvonnis. Daarom dienen zij alsnog niet-ontvankelijk verklaard te worden in hun hoger beroep, zijnde immers van dit middel gebruik gemaakt zonder artikel 264 lid 3 van meergenoemd wetboek in acht te hebben genomen.

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO.13981.

[APPELLANT], gehandeld hebbende onder de naam [handelsnaam], gevestigd aan [adres] [plaats], gewoond hebbende [plaats], overleden op 30 mei 2002, oorspronkelijke appellant, zijnde het geding, wegens overlijden, geschorst en hervat ten name van de gezamenlijke erfgenamen van [appellant], t.w.:
1. [appellant sub 1];
2. [naam], thans geheten [appellant sub 2];
3. [appellant sub 3];
4. [appellant sub 4];
5. [appellant sub 5];
6. [appellant sub 6];
[appellant sub 7],
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,
appellanten in conventie en in reconventie,

t e g e n

[Geïntimeerde], rechtspersoon, domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no.36 boven te Paramaribo, ten kantore van Mr.J.KRAAG en Mr.H.P.BOLDEWIJN, advokaten,
geïntimeerde in conventie en in reconventie,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 maart 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellanten ten dage daarvoor bepaald een repliek pleidooi heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd, terwijl ten dage voor dupliek pleidooi bepaald, advokaat Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens de advokaten Mr.J.Kraag en Mr.H.P.Boldewijn heeft gepersisteerd bij hun stellingen;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 21 mei 2004, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, nadat de erflater van appellanten, wijlen [appellant], als gedaagde in eerste aanleg, bij de uitspraak de dato 6 mei 1997 van het vonnis waarvan beroep noch in persoon, noch bij gemachtigde tegenwoordigd was geweest, de Griffier der Kantongerechten van Paramaribo bij overgelegde aangetekende dienstbrief de dato 6 juni 1997, gericht aan het adres, waarop het inleidend exploit van oproeping hem in persoon was uitgereikt, aan de erflater van appellanten de inhoud van dat vonnis heeft medegedeeld;
Overwegende, dat nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, het Hof ervan uitgaat en mitsdien als tussen partijen rechtens vaststaand aanneemt, dat de dienstbrief zijn bestemming heeft bereikt en door de erflater van appellanten is ontvangen;
Overwegende, dat mitsdien overeenkomstig het bepaalde in het behoorlijk nageleefde artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de dagtekening van deze dienstbrief – 6 juni 1997 – moet worden geacht de dag te zijn, waarop de mededeling van de inhoud van het vonnis aan de erflater van appellanten heeft plaatsgehad;
Overwegende, dat krachtens artikel 264 lid 3 van genoemd wetboek de termijn van hoger beroep dertig dagen bedraagt, te rekenen vanaf de dag, waarop het eindvonnis is medegedeeld;
Overwegende, dat aangezien de erflater van appellanten, naar uit de verklaring de dato 19 mei 1997 blijkt, hoger beroep aangetekend heeft op 19 mei 1997 en niet vanaf de dag waarop het eindvonnis aan hem is medegedeeld en mitsdien niet binnen de termijn van dertig dagen na de mededeling van het eindvonnis, dienen appellanten alsnog niet ontvankelijk verklaard te worden in hun hoger beroep, zijnde immers van dit middel gebruik gemaakt zonder artikel 264 lid 3 van meergenoemd wetboek in acht te hebben genomen;
Overwegende, dat het Hof appellanten als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geïntimeerde gevallen zal veroordelen, komende de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief door de door het Hof te geven beslissing niet meer aan de orde;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellanten alsnog niet ontvankelijk in het aangetekend hoger beroep;
Veroordeelt appellanten in de kosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en in hoger beroep begroot op SRD 125.
Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaten van geïntimeerde voor het door hun gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 125.
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op SRD 125.

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 juni 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.