SRU-HvJ-2005-8

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-493
  • Uitspraakdatum 07 oktober 2005
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoekster is niet-ontvankelijk in haar vordering.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-493                                                                              

 

[Verzoekster], wonende aan [adres] te [plaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.63 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.K.J.Brandon, advokaat

verzoekster,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME,  met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

 verweerder,

 

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)    Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen de DE STAAT SURINAME,  met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) 3 te Paramaribo, verweerder.
  2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet.
  3. Verzoekster is vanaf 16 augustus 1975, dus reeds bijkans 27 jaar, in overheidsdienst. Verzoekster heeft ongeveer 24 jaar gewerkt op het Ministerie van Arbeid, en is vanaf 1998 werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verzoekster heeft vanaf haar indiensttreding zowel op het Ministerie van Arbeid als op het Ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt  op de afdeling Personeelszaken. Verzoekster is in 1997 op het Ministerie van Arbeid benoemd tot hoofd personeelszaken en is in 1998 overgeplaatst naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verzoekster is thans Hoofd van de afdeling personeelszaken op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verzoekster is bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 15 juni 1999, [nummer 1], benoemd tot Beleidsadviseur 3e klasse en dienovereenkomstig bevorderd tot Hoofdambtenaar A 3e klasse, bezoldigingsschaal 21, Sf.240.000,– – Sf. 276.000). Van deze resolutie wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan hier letterlijk  herhaald en geinsereerd te beschouwen.
  4. Verzoekster is op 9 januari 2002 door de heer [naam] die optreedt als waarnemend direkteur van Buitenlandse Zaken, uitgenodigd voor een gesprek waarbij hij haar een memo ter hand heeft gesteld, waarin aan haar is medegedeeld dat door de leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is besloten haar te vragen om met ingang van donderdag 10 januari 2002 haar funktie van hoofd Personeelszaken ter beschikking te stellen. Voorts is in de memo gesteld dat gedaagde in overleg met verzoekster zal nagaan op welke wijze zij haar bijdrage zal blijven leveren aan de werkzaamheden van het Ministerie. Van bedoelde memo wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.

Verzoekster heeft bij genoemde functionaris geinformeerd naar de redenen die aanleiding zijn geweest voor de genomen beslissing zoals hierboven aangegeven, en die heeft haar medegedeeld dat de beslissing een van politieke aard is; voorts heeft hij aan verzoekster te kennen gegeven dat er op de wijze van uitvoering van haar werkzaamheden geen aanmerkingen zijn. De heer [naam] heeft verzoekster op haar vraag daarnaar niet kunnen aangeven aan wie zij haar de taken die zij in de funktie van hoofd Personeelszaken uitvoert moet overdragen. Evenmin heeft hij haar kunnen zeggen welke andere werkzaamheden aan haar zouden worden gegeven en op welke locatie zij in de toekomst zou moeten zitten.

  1. Verzoekster heeft in een brief d.d. 11 januari aan verweerder duidelijkheid gevraagd over de tegen haar genomen beslissing maar heeft op dit schrijven nimmer een reactie ontvangen. Van dit schrijven wordt hierbij een fotokopie  overgelegd.
  2. 6. Verzoekster is van mening dat in casu een niet-ambtelijke procedure is gevolgd aangezien zij per resolutie van 15 juni 1999 [nummer 1] in de functie van hoofd personeelszaken benoemd is tot Beleidsadviseur 3e Verandering in haar rechtspositie op een wijze zoals hierboven aangegeven is dan ook in strijd met de Personeelswet en met enkele algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  3. Verzoekster is van oordeel dat het besluit van verweerder van 9 januari 2002, vervat in een memo d.d. 9 januari 2002, afkomstig van de heer [naam] die fungeert als waarnemend direkteur van Buitenlandse Zaken, vatbaar is voor nietigverklaring omdat dit besluit genomen is in strijd met de Personeelswet en met de volgende beginselen van behoorlijk bestuur.

Beginsel van hoor en wederhoor

Dit beginsel brengt met zich mee dat besluiten tot administratieve rechtshandelingen die tegen zijn wil in de rechten van de ambtenaar ingrijpen, niet mogen worden genomen zonder dat de betrokkene tevoren in de gelegenheid is gesteld daarover te worden gehoord. In casu is de beslissing namelijk genomen zonder dat verzoekster tevoren in de gelegenheid is gesteld daarover te worden gehoord.

Beginsel van zorgvuldigheid

Bij de afweging van belangen die aan het besluit vooraf ging, is onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen van verzoekster die al 27 jaar in overheidsdienst is en een dergelijke handeling niet verdient, maar eerder gewaardeerd moet worden voor de diensten die zij aan het land bewijst. 

Beginsel van de deugdelijke feitelijke grondslag

Dit beginsel eist dat de motivering welk een administratieve rechtshandeling wordt gegeven, een deugdelijke feitelijke grondslag moet hebben. Een reden van politieke aard zoals door de gedaagde aangegeven is een ondeugdelijke grondslag.

  1. Verzoekster acht de eerder genoemde beslissing op de gronden zoals hierboven aangegeven onrechtmatig.
  2. Verzoekster heeft gedurende haar ambtelijke loopbaan van ruim 27 jaar nimmer een ontevredenheidsbetuiging gehad en is altijd een plichtsgetrouwe ambtenaar geweest. Verzoekster heeft heel erg te lijden onder de jegens haar genomen beslissing.

     Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

  1. Het besluit vervat in de memo van 9 januari 2002 afkomstig van de heer E.Limon, die fungeert als waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken nietig zal worden verklaard;

II.Verweerder zal worden veroordeeld verzoekster onmiddellijk na het ten deze te wijzen vonnis althans binnen een door uw Hof te bepalen termijn verzoekster in de gelegenheid te stellen de werkzaamheden overeenkomstig haar functie te verrichten, met bepaling dat verweerder voor elke dag waarop hij in gebreke mocht blijven aan het in deze te wijzen vonnis te doen, aan verzoekster ten titel van dwangsom zal verbeuren een bedrag van Sf. 1.00.000,– per dag. 

Kosten rechtens.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu onder aanbod van bewijs conform recht en wet.
  2. Verzoekster is gelijk zij stelt benoemd tot BELEIDSADVISEUR 3e klasse en dienovereenkomstig bevorderd tot Hoofdambtenaar A 3e klasse. Wat betekent dit ? Verzoekster bekleedde voordien de funktie van Hoofd Personeelszaken  hetgeen binnen de overheidsadministratie een LIJNFUNKTIE is terwijl BELEIDSADVISEUR een STAFFUNKTIE is. De beleidsadviseur valt rechtstreeks onder de Minister in tegenstelling tot de lijnfunktionaris. Verzoekster moest gelijktijdig met haar benoeming tot beleidsadviseur ontheven worden uit de lijnfunktie hetgeen om onbekende redenen is nagelaten waaraan verzoekster zelf in hoogst   eigen persoon niet vrij uitgaat en bovendien het verwijt te  maken valt dat zij de Minister c.q. de President niet heeft geadviseerd zoals het hoort. Overigens is de concept-resolutie die haar benoeming tot Beleidsadviseur introduceerde door haar zelf opgemaakt en de leiding heeft op haar kompas gevaren als de deskundige bij  uitstek destijds.
  3. Hetgeen in de memo staat bedoelt te verwoorden hetgeen hiervoren over lijn – en staffunktie is vermeld. De formalisering van het  e.e.a. is in proces.  Overigens is de memo van de direkteur van Buitenlandse Zaken niet een besluit  of administratiefrechtelijke rechtshandeling van het bevoegde gezag ex artikel 3 P.W. In de rechtspositie van verzoekster is geen verandering  gekomen. Verzoekster hield ten onrechte de positie (funktie) van Hoofd Personeelszaken bezet hoewel zij formeel die funktie vanaf 01 juni 1999 NIET meer heeft.
  4. Hetgeen in een onderhoud met de heer [naam] aan deze wordt verweten, wordt bij gebrek aan wetenschap door verweerder ontkend en regardeert verweerder niet.
  5. Verzoekster is voorts niet ontvankelijk in haar vordering omdat zij beklag binnen de administratie ex artikel 78 P.W. heeft ingesteld en de termijn  in het tweede lid van  genoemd artikel niet heeft afgewacht waardoor de onderhavige vordering prematuur is gesteld.
  6. Hetgeen  verzoekster in punt 5 ten rekesten heeft gesteld is hiervoren uitvoerig ontzenuwd maar ook niet waar. Verzoekster is NIET in 2 (twee) (Hoofd) funkties benoemd zoals zij doet voorkomen.
  7. Aangezien er geen besluit is van het bevoegd gezag valt er niets te vernietigen en is evenmin enig beginsel overtreden. Verzoekster zal van het hoger gezag antwoord krijgen op haar schrijven.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoekster in haar vordering niet zal worden ontvangen althans haar deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hofs beschikking van 19 april 2005 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen,  advokaat Mr.S.Marica namens advokaat Mr.K.J.Brandon, gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr.A.R.Baarh en Mr.Sh.Mahadew, gemachtigden van de Staat Suriname, verweerder,  en de heer  Tompo Kartoebi, Desk Officer op de afdeling America’s op het Ministerie van Buitenlandse zaken, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen  de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder bij antwoord pleidooi een produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produktie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 18 maart 2005 advokaat Mr.A.R.Baarh gepersisteerd heeft bij zijn stellingen, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak  had bepaald op 20 mei 2005, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

  1. Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen  en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet betwist, het volgende vaststaat:

1.1.verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en is vanaf 1998 werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse zaken;

1.2. op 9 januari 2002 is aan verzoekster een, van de waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken afkomstige, memo van diezelfde datum ter hand gesteld waarin aan haar, verzoekster, voor zoveel hier van belang, werd medegedeeld dat door de leiding van genoemd Ministerie was besloten haar te vragen om met ingang van donderdag, 10 januari 2002 haar funktie als hoofd Personeelszaken ter beschikking te stellen;

2. Overwegende, dat verzoekster onder 1 van het petitum heeft gevorderd dat het besluit vervat in de memo van 9 januari 2002 afkomstig van de heer [naam], die fungeert als waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken, zal worden nietig verklaard.

3.1. Overwegende, dat in de onder 1.2. vermelde memo melding wordt gemaakt van een ten aanzien van verzoekster genomen besluit hetwelk, ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet, vatbaar is voor nietigverklaring ;

3.2. Overwegende, dat verzoekster derhalve niet kan worden ontvangen in haar vordering;

4.1. Overwegende, voorts  dat als onweersproken vaststaat dat de departementsleiding de memo bij brief van 2 april 2002 [nummer 2] heeft ingetrokken, hetgeen het Hof aldus begrijpt dat, voor zover in de memo enig besluit ten aanzien van verzoekster is vervat, dat besluit ongedaan is gemaakt;

4.2. Overwegende, dat verzoekster, gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, geen belang heeft bij de onder 2 bedoelde vordering en zij  in die vordering niet kan worden ontvangen.

4.3. Overwegende, dat onderdeel II van het petitum samenhangt met onderdeel I en dan ook het lot van laatstvermeld onderdeel deelt;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vorderingen;

 

Aldus gewezen door: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 7 oktober 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.Tjon Jaw Chong namens haar gemachtigde, advokaat Mr.K.J.Brandon en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh,  zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.