- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer A-624
- Uitspraakdatum 19 december 2008
- Publicatiedatum 10 april 2026
- Rechtsgebied Ambtenarenrecht
-
Inhoudsindicatie
Het ontgaat het Hof hoe verzoeker het rechtsmiddel van beklag binnen de administratie zou kunnen aanwenden tegen een besluit om dat besluit aan te vechten als hem dat besluit door toedoen van verweerder niet ter kennis is gebracht en hij niet heeft kunnen verzoeken om buitenwerkingstelling van dat besluit.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.
A – 624
[Verzoeker], wonende te [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no. 10 ten kantore van mr. A. R. Baarh, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,
verzoeker,
t e g e n
DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.A.M. Essed, advocaat,
verweerder,
De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 21 november 2008 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven vonnis
is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 5 december 2008 hebben verklaard:
- H. A. M.Essed: “ het besluit kan niet worden overgelegd, wegens het in ongerede raken van het dossier uit de administratie van het ministerie. Het hele dossier ontbreekt; vermeld dient te worden dat verzoeker bekend heeft dat er een besluit is genomen”. mr. A.R. Baarh: “Ik stel voor dat er vonnis wordt gewezen in deze zaak: het heeft geen zin om een comparitie van partijen te houden, aangezien we dit al tot twee maal toe hebben gehouden, zonder resultaat”.
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het verzoeker op grond van de aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten, meer in het bijzonder de feiten, gesteld in het derde, vijfde, zesde en negende “sustenu” van het verzoekschrift, welke feiten in dit vonnis als letterlijk herhaald en geïnsereerd worden aangemerkt – nog op 31 januari 2005 in dienst van de Bewakingsdienst van het Ministerie van Handel en Industrie en te rekenen van 1 februari 2005 alsnog eervol uit staatsdienst ontslag gekregen hebbend bij beschikking van de Minister van handel en Industrie de dato 24 juni 2008 [kenmerk] – bij verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie de dato 11 januari 2007, in casu gevorderd heeft verweerder te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem, verzoeker, te betalen zijn bezoldiging te rekenen vanaf 1 januari 1992 totdat het dienstverband met verweerder op regelmatige wijze zal zijn beëindigd, verhoogd met alle verhogingen die sindsdien aan de landsdienaren zijn toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 11 januari 2007;
Overwegende, dat verweerder, zich tegen toewijzing van voormelde vordering verzettend, aangevoerd heeft de bezoldiging bij besluit conform artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek te hebben stopgezet omdat verzoeker zich vanaf 1 januari 1992 niet aangemeld heeft op het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme noch op het Ministerie van Handel en Industrie en nimmer aangegeven heeft bereid te zijn arbeid te verrichten;
Overwegende, dat verweerder voorts aangevoerd heeft dat verzoeker niet conform artikel 78 van de Personeelswet beklag heeft ingesteld en dat dat besluit dan ook onherroepelijk geworden is weshalve verzoeker niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot doorbetaling van zijn bezoldiging;
Overwegende, dat het Hof bij tussenvonnis, gedateerd 21 november 2008, verweerder de gelegenheid geboden heeft in het onderhavige geding te doen brengen het besluit, waarvan verweerder in het 6e “sustenu” van het verweerschrift gewag maakt en wel ter openbare terechtzitting van vrijdag, 5 december 2008;
Overwegende, dat verweerder bij monde van zijn raadsman, mr. H.A.M. Essed, Advocaat bij het Hof van Justitie, ter terechtzitting van het Hof van Justitie van 5 december 2008 heeft doen zeggen, dat het besluit niet kan worden overgelegd vanwege het in het ongerede geraken van het dossier uit de administratie van het ministerie; dat het heel dossier ontbreekt; dat vermeld dient te worden dat verzoeker erkend heeft dat een besluit is genomen;
Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zo juist overwogene opmerkt, dat voormeld besluit een belastend (bezwarend) besluit moet zijn omdat hij –verzoeker- naar uit zijn stellingen blijkt, als gevolg daarvan in zijn belang is geschaad;
Overwegende, dat verweerder gesteld noch doen blijken heeft het besluit ter kennis van verzoeker te hebben gebracht op een der in artikel 5 lid 2 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985) aangegeven wijzen;
Overwegende, dat gemeld besluit dan ook niet ten detrimente van verzoeker vermag te werken;
Overwegende voorts, dat het het Hof geheel ontgaat hoe verzoeker het rechtsmiddel van beklag binnen de administratie zou kunnen aanwenden tegen een besluit om dat besluit aan te vechten als hem dat besluit door toedoen van verweerder niet ter kennis is gebracht en hij niet heeft kunnen verzoeken om buiten werkingstelling van dat besluit;
Overwegende voorts, dat verzoeker door de gedraging van verweerder als hiervoren vermeld tevens de mogelijkheid is ontnomen het Hof als gerecht in ambtenaren te adiëren en te verzoeken om vernietiging van dat besluit;
Overwegende, dat het Hof, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend, dan ook beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;
RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Veroordeelt verweerder tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen zijn bezoldiging te rekenen vanaf 1 januari 1992 tot de beëindiging van het dienstverband met verweerder op regelmatige wijze vermeerderd met alle verhogingen die sindsdien aan landsdienaren zijn toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 11 januari 2007;
Aldus gewezen door: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. D.D. Sewratan, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 19 december 2008, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-griffier.
Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigde, advocaten mr. A.R. Baarh en mr. H.A.M. Essed, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.