SRU-HvJ-2008-5

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-615
  • Uitspraakdatum 01 augustus 2008
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof heeft, onder andere, overwogen dat, de gevolgen van het ontslag voor de verzoeker zeer ernstig zijn, daar de ontslaggrond het vinden van nieuw werk zeer moeilijk dan wel vrijwel onmogelijk maakt. Mede rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, waaronder zijn 27 jaren goede staat van dienst, is het Hof tot het oordeel gekomen dat op verzoeker niet slechts de als ultimum remedium bedoelde tuchtstraf van ontslag zou passen, doch veeleer een straf die daarmede in redelijke verhouding staat, namelijk degradatie.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME    

A – 615

[Verzoeker], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat 1 ten kantore van het advocatenkantoor “METRIKO”, voor wie als gemachtigde optreedt, mr.  I.D. Kanhai, advocaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suirname, zetelende  te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,

verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

 (Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 18 januari 2008 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemend hetgeen in  ’s Hoven voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen  zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat mr. I.D. Kanhai en namens verweerder mevrouw Makhanlal-Veldhuizen, Hoofd Dienst Inspectie Directe Belastingen en mevrouw L. Nunes-Cameron, Hoofd Personeelszaken Dienst der Directe Belastingen en de gemachtigde van verweerder, mr. A.R. Baarh, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen, hier als geïnsereerd aan te merken, schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis had bepaald op 6 juni 2008, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 18 januari 2008 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat partijen bij op 22 februari 2008 gehouden inlichtingencomparitie hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud van voormeld proces-verbaal als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, aan verzoeker, alstoen werkzaam als controleur in vaste dienst bij de Inspectie der Directe Belastingen van het Ministerie van Financien, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 15 november 2005, Bureaunummer [kenmerk], aan hem uitgereikt op 8 december 2005, ingevolge artikel 61 lid 1 sub j juncto artikel 71 lid 5 van de Personeelswet de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens plichtsverzuim, hierin bestaande dat hij zich zou hebben ingelaten met zaken zoals het opmaken van aangiften voor een belastingplichtige en/of het afhandelen van de belastingschuld en/of het opmaken van bezwaren tegen vorenbedoelde schuld tegen betaling van een vergoeding aan hem, welke handelingen onverenigbaar zijn met de functie van belastingambtenaar en in strijd met zijn ambtsplicht; 

Overwegende, dat verzoeker tegen het aan hem opgelegd ontslag opkomt en daartoe de in zijn verzoekschrift genoemde gronden aanvoert;

Overwegende, dat het Hof thans ertoe zal overgaan de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten alsmede de verweerpunten van verweerder aan een beoordeling te onderwerpen;

Overwegende, dat hetgeen tijdens de raadkamerzitting de dato 7 juli 2006 en ter comparitie de dato 22 februari 2008 naar voren is gekomen, niet middels een gedegen onderzoek onomstotelijk is komen vast te staan dat de aan de ontslagresolutie ten grondslag gelegde feiten zijn begaan door verzoeker; Zo is niet onomstotelijk vastgesteld dat verzoeker de aangiftebiljetten zelf heeft ingevuld en enige bemoeienis c.q. invloed heeft gehad op de berekening van de aanslag en de hoogte van de te restitueren bedragen;

Overwegende, dat verweerder uit het intern verrichte onderzoek binnen de administratie wel kon hebben afgeleid dat verzoeker tegen de instructies in, zijn medewerking heeft verleend aan een belastingplichtige arts, welke onder meer bestond uit het in ontvangst nemen van de door de belastingplichtige ondertekende blanco aangifteformulieren en het afgeven van de ingevulde formulieren ter bestemder plekke voor verdere afhandeling; Dit alles heeft er tenslotte toe geleid dat aan de belastingplichtige (ten onrechte) restitutie van belastinggelden heeft plaatsgevonden; Deze restitutie was onder meer gelegen in het feit dat in de aangiftebiljetten relevante informatie van de belastingplichtige ten onrechte niet is meegewogen door de aanslag-regelaar;

Overwegende, dat voorts vast staat dat ten laste van de rekening van de belastingplichtige aan verzoeker op respectievelijk 9 december 2005 en 15 december 2005, de bedragen van SRD. 25.000,– en SRD. 45.000,– zijn uitbetaald;

Overwegende, dat uit het hierboven overwogene volgt dat verzoeker niet volgens de voorschriften heeft gewerkt en dat er sprake is van dusdanig handelen van verzoeker dat zijn gedragingen terecht gekwalificeerd zijn als plichtsverzuim; Niet in geschil is dat dit plichtsverzuim aan verzoeker kan worden toegerekend; Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf aan verzoeker en heeft daaraan gevolg gegeven met de tuchtstraf van ontslag;

Overwegende evenwel, dat mede tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten en de gevolgen daarvan, de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf van ontslag, daarmede niet in redelijke verhouding staat; immers is niet gebleken dat verzoeker zich eerder schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim gedurende zijn 27 jaren staat van dienst en zijn de gevolgen van dit incidenteel geval beperkt en beheersbaar gebleven (de belastingplichtige heeft alsnog voldaan aan een juiste aanslag);

Overwegende, dat gelet op het vorenoverwogene en voorts op de gevolgen van ontslag die voor verzoeker zeer ernstig zijn, daar de ontslaggrond het vinden van nieuw werk zeer moeilijk danwel vrijwel onmogelijk maakt, en mede rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker waaronder zijn 27 jaren goede staat van dienst, het Hof van oordeel is dat op verzoeker niet slechts de als ultimum remedium bedoelde tuchtstraf van ontslag zou passen, doch veeleer een straf die daarmede in redelijke verhouding staat, namelijk degradatie;

Overwegende, dat het Hof derhalve gebruikmakend van de hem in artikel 84 lid 4 van de Personeelswet geboden bevoegdheid, deze passende tuchtstraf zal opleggen, een en ander zoals in het dictum te beslissen;

Overwegende, dat het vorenoverwogene inhoudt  dat voormelde resolutie nietig zal worden verklaard;

Overwegende, dat het gevorderde onder b en c – gelet op de op te leggen tuchtstraf van degradatie – niet toewijsbaar zijn, terwijl het gevorderde onder d in aangepaste vorm zal worden toegewezen;

Gelet op de artikelen 63 lid 4 en 79 lid 3 van de Personeelswet;

Overwegende, dat het Hof zal beslissen als in  het dictum van dit vonnis te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

  1. Vernietigt het besluit vervat in de resolutie de dato 15 november 2005, Bureaunummer [kenmerk].
  2. Legt aan verzoeker met ingang van heden de tuchtstraf van degradatie op, bestaande uit verlaging van één rang.
  3. Veroordeelt verweerder om aan verzoeker zijn salaris uit te betalen en wel met ingang van 15 november 2005 tot en met heden en na heden, met inachtneming van de tuchtstraf van degradatie met één rang.

 

Aldus gewezen door de heren: mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend-President, mr. D.D. Sewratan, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun,  Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Kanhai namens zijn gemachtigde, advocaat mr. I.D. Kanhai en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Hok A Hin namens zijn gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.