- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer A-519
- Uitspraakdatum 05 augustus 2005
- Publicatiedatum 10 april 2026
- Rechtsgebied Ambtenarenrecht
-
Inhoudsindicatie
Op grond van artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
A-519
[Verzoeker], wonende aan [straatnaam] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Dulam, advokaat,
verzoeker,
t e g e n
DE STAAT SURINAME, (HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE), zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Sh.Mahadew,
verweerder,
De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
- dat verzoeker te Paramaribo op 1 april 1989, althans in de maand april 1989, in dienst is getreden van het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, in de rang van agent van politie 1ste klasse;
- dat het Ministerie van Justitie en Politie bij beschikking van 25 oktober 2002, Justitie [kenmerk] uitgereikt op 09 december 2002, (door de Inspecteur van politie, de heer [naam 1] van de afdeling Interne Tuchtzaken), aan de verzoeker te kennen heeft gegeven dat verzoeker met ingang van 09 december 2002 is ontslagen en vanaf de maand januari 2003 geen salaris meer zal ontvangen;
- dat de verweerder het ontslag van verzoeker heeft gebaseerd op het feit dat hij onbetrouwbaar is en dat hij zijn plicht als ambtenaar van politie ernstig heeft verzaakt;
- dat het onjuist is dat de verzoeker als ambtenaar van politie 1ste klasse zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim; Verzoeker heeft op dinsdag 03 oktober 2000 in het cellenhuis van het politiebureau zijn dienst verricht; Daar verzoeker op dat moment de oudste was in de leeftijd van agent van politie 1ste klasse heeft hij op die bewuste dag gefunctioneerd als ploegcommandant;Vermeldenswaard is dat verzoeker samen met de agenten [naam 2], [naam 3] en de bewaker [naam 4] op de bewuste avond onder zich hadden 300 arrestanten; Over driehonderd (300) arrestanten moesten drie politiemannen bewaken en toezichthouden; de 300 arrestanten bevonden zich in de serie’s A,B,C,D van het cellenhuis van post Keizerstraat; Toen de verzoeker naar serie B begaf voor controle werkzaamheden heeft de agent [naam 2] van deze gelegenheid misbruik gemaakt en heeft zonder medeweten van verzoeker, stiekem, de drie arrestanten voor een moment laten vertrekken uit het cellenhuis van bureau Keizerstraat; De drie arrestanten m.n. [arrestant 1], [arrestant 2] en [arrestant 3] hebben tijdens het politioneel onderzoek volmondig bekend dat zij met toestemming van agent [naam 2] voor een moment mochten vertrekken; De verzoeker weet totaal niets van de gepleegde handeling van agent [naam 2];
- dat verzoeker op woensdag 04 2000 door de politie was aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld door de Hulp-Officier van Justitie Inspecteur [naam 5], verdacht van het feit omschreven in de artikelen 427 jo 72, 427 jo 73 van het Wetboek van Strafrecht;
- dat verzoeker door zijn aanhouding, inverzekeringstelling gegriefd en bezwaard heeft gevoeld en hiertegen een verzoekschrift heeft ingediend bij de Rechter-Commissaris Mr.E.S.Ombre om op grond van artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld daar verzoeker van mening was dat zijn aanhouding onrechtmatig was;
- dat na onderzoek door de Rechter-Commissaris Mr.E.S.Ombre is beslist dat de vrijheidsbeneming van verzoeker onrechtmatig is en dat hij onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld;
- dat het Openbaar Ministerie zich heeft neergelegd bij de beslissing van de Rechter-Commissaris en heeft verder geen belang geacht in een strafrechterlijk onderzoek van verzoeker;
- dat bij de Rechter-Commissaris niet is gebleken dat de verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan een ernstig plichtsverzuim;
- dat bovendien bij het Openbaar Ministerie ook niet is gebleken dat verzoeker onbetrouwbaar is noch dat verzoeker zijn plichtsverzuim als ambtenaar van politie ernstig heeft verzaakt;
- dat bij Ministeriele beschikking van d.d.25 oktober 2002 de verzoeker wegens ernstig plichtsverzuim gestraft is met de tuchtstraf van ontslag uit de Staatsdienst ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het politie handvest;
- dat verzoeker bij het Ministerie van Justitie en Politie dan ook tegen het verleende ontslag heeft geprotesteerd als te zijn onjuist en dat hij zijn plicht als ambtenaar van politie niet heeft verzaakt;
- dat vermits als reeds gesteld het door het Ministerie van Justitie en Politie aan verzoeker verleende ontslag onrechtmatig is, de verzoeker herstel van de dienstbetrekking en doorbetaling van zijn salaris en andere aan hem toegekende emolumenten in rechte kan eisen en zulks ook hierbij doet;
- dat de verzoeker gerechtigd is van de verweerder te vorderen:
a.doorbetaling van zijn bruto maandelijkse salaris ad. F.805.000,– (Achthonderd en Vijfduizend Gulden);
b. doorbetaling van zijn netto maandelijkse salaris ad. SF.745.000,– (Zevenhonderd Vijf en Veertigduizend Gulden) per maand tot en met de dag waarop verzoeker wederom zijn werkzaamheden zal mogen hervatten en zal hebben hervat;
15.dat alhoewel de verweerder gehouden is voormelde salaris aan de verzoeker te vergoeden en de verzoeker wederom toe te staan om zijn werkzaamheden te hervatten en/of wederom in dienst te treden, verweerder daarmede tot op heden ingebreke is gebleven, niettegenstaande zij daartoe herhaaldelijk en dringend is aangemaand;
Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
- dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van de Minister van Justitie en Politie tot beëindiging van het dienstverband tussen verzoeker en de Staat Suriname vervat in de beschikking d.d. 25 oktober 2002 waarbij aan verzoeker onrechtmatig ontslag is verleend nietig te verklaren, althans te vernietigen;
- voor recht te verklaren dat de dienstbetrekking ingaande 09 december 2002 tussen verzoeker en de verweerder voortduurt;
- verweerder te veroordelen om aan verzoeker vanaf de maand 0 januari2003 tot op heden en voorts zolang de dienstbetrekking voortduurt en niet op rechtmatige wijze wordt beëindigd, danwel voor de duur van een andere door Uw Hof in goede justitie vast te stellen periode het overeengekomen loon, zoals aangegeven in alinea 14 van dit verzoekschrift te betalen, alsmede de bij Wet verschuldigde emolumenten;
Alles met de veroordeling van de verweerder in de kosten van het geding.
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:
- Verweerder ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk wordt erkend.
- Verweerder erkent dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet en het Politiehandvest (G.B.1971 # 70).
Verweerder wenst een juiste weergave van het gebeurde te geven.
- In de nacht van 3 op 4 oktober 2000 hadden enkele arrestanten voor langere dan wel kortere tijd, in strijd met de ambtsinstructies zoals onder meer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie (G.B.1971 # 71), het cellenhuis verlaten en zich elders opgehouden.
- Verzoeker, agent van politie 1e klasse, heeft op die bewuste nacht als ploegcommandant gefunctioneerd in vermeld cellenhuis.
- Op 4 oktober 2000 is verzoeker door de Hulpofficier van Justitie [naam 5] inverzekering gesteld, daar er een redelijk vermoeden bestond dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit met name artikel 427; 427 jo 73 jo 72 van het Wetboek van Strafrecht.
- Tevens is verzoeker door de Commissaris van politie [naam 6] bij beschikking d.d. 4 oktober 2000 ingevolge artikel 39 van het Politie handvest buiten functie gesteld. Bij wijze van voorlopige maatregel, hangende het strafrechtelijk – of tuchtrechtelijk onderzoek, is verzoeker op grond van art. 41 lid 3 van het politiehandvest, geschorst.
- Vervolgens is verzoeker door de Rechter-Commissaris in vrijheid gesteld.
- Opgemerkt dient te worden dat noch de Rechter-Commissaris noch het Openbaar Ministerie de bevoegdheid heeft om te toetsen of iemand zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim.
- Daar er sprake was van een plichtsverzuim, waarbij er tevens een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld, werd ingevolge art.44 lid 2 de Procureur-Generaal in de gelegenheid gesteld zijn gevoelen daaromtrent te doen kennen. (d.d. 28 februari 2001).
- Aan verzoeker is in persoon, conform art.44 lid 4 van het politiehandvest, op het gehouden Korpsrapport d.d. 4 juni 2001 medegedeeld dat hij voorgedragen wordt voor ontslag. Bij die gelegenheid mocht hij zich, conform art.44 lid 1, tevens mondeling verweren.
- Het voorstel tot ontslag werd, op grond van art.32 van het politie handvest, ter advies voorgelegd aan de Commissie voor Overleg, welk advies op 24 september 2001 werd uitgebracht.
- Op grond van het voorgaande werd aan verzoeker bij beschikking [kenmerk], wegens ernstig plichtsverzuim, de tuchtstraf van ontslag uit de Staatsdienst, opgelegd.
Verzoeker had op grond van art. 46 van het politiehandvest de mogelijkheid een administratief beroep in te stellen, wat hij heeft nagelaten.
Verzoeker is, ingevolge van art.47 van het politiehandvest, niet ontvankelijk in zijn vordering, daar zij is ingesteld meer dan een maand nadat de beslissing als bedoeld ter kennis van verzoeker (4 juni 2001) was gebracht, dan wel hij geacht wordt kennis daarvan te hebben genomen.
Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd;
dat verzoeker niet wordt ontvangen, in zijn vordering,althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd.
Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 18 oktober 2004 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.S.Dulam, Mr.Sh.Mahadew, gemachtigde van de Staat Suriname en de heer Mr.R.E.Levens, Inspecteur van Politie der eerste klasse tevens Wnd-Hoofd Juridische Zaken van het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan, opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota een produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produktie hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna vonnis hebben gevraagd;
Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 15 juli 2005, doch nader op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar luid van artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet, vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;
Overwegende, dat, naar luid, van artikel 1 lid 1 genoemde wet voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder: maand: tijdvak van dertig dagen;
Overwegende, dat verzoeker tijdens het verhoor van partijen in Raadkamer van 4 februari 2005 desgevraagd onder meer heeft verklaard: Bij beschikking van 25 oktober 2002 is aan mij ontslag verleend, hetwelk (lees: welke) aan mij op 9 december 2002 is uitgereikt;
Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de Griffie van het Hof van Justitie het verzoekschrift ingekomen is ter Griffie op 9 januari 2003;
Overwegende, dat nu de ontslagbeschikking de dato 25 oktober 2002 aan verzoeker op 9 december 2002 is uitgereikt en verzoeker pas op 9 januari 2003 de vordering ingesteld heeft meer dan een maand nadat die beschikking ter kennis van hem is gebracht, dient hij – verzoeker – ingevolge artikel 80 lid 1, sub b van de Personeelswet niet ontvankelijk te worden verklaard in het in onderdeel a van het petitum gevorderde;
Overwegende, dat het Hof met betrekking tot het gevorderde in onderdeel b van het petitum opmerkt, dat nu het vonnis, op grond van de Personeelswet te wijzen en uit te spreken, of een constitutief of een codemnatoir karakter vermag te dragen danwel beiden en niet, beslist niet een declaratoir karakter, dient gemeld gevorderde wat de daaraan ten grondslag gelegde feiten ook moge zijn, als geen steun vindend in de wet met een niet – ontvankelijkverklaring te worden begroet;
Overwegende, dat nu het in onderdeel c van het petitum gevorderde sequeel is van het gevorderde in de onderdelen a en b van het petitum en dat gevorderde, naar eerder overwogen, met een niet – ontvankelijkverklaring zal worden begroet dient het in onderdeel c gevorderde hetzelfde lot te ondergaan;
RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker zowel in het onderdeel a als in onderdeel b en onderdeel c gevorderde niet-ontvankelijk;
Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 5 augustus 2005 in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.
Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaat Mr.S.Dulam en Mr.Sh.Mahadew, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.