SRU-HvJ-2005-16

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14219
  • Uitspraakdatum 07 oktober 2005
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Uit de stukken is niet gebleken dat die uitspraak door de Griffier van het kantongerecht in het Eerste Kanton bij aangetekende dienstbrief overeenkomstig artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de gedaagde – appellant – is medegedeeld. Nu krachtens artikel 264 lid 3 van genoemd wetboek de termijn van hoger beroep dertig dagen bedraagt, te rekenen vanaf de dag waarop het eindvonnis is medegedeeld, en die mededeling niet heeft plaatsgevonden, zodat de appeltermijn geen aanvang heeft genomen. Het Hof heeft appellant daarom niet ontvankelijk verklaart in zijn hoger beroep.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14219

[Appellant], wonende aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.R.Schurman, advokaat, 

appellant,

t   e  g  e  n 

[Geintimeerde], wonende aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.L.Punwasi-Raghoebier, advokaat,

geintimeerde,  

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis  van de Kantonrechter in het Eerste Kanton,  van 4 mei 2004  tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 6 augustus 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant], wonende te [plaats] aan [straatnaam] ;
  2. dat eiseres op 24 september 1985 in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met gedaagde;

dat voormeld huwelijk de nog in leven zijnde minderjarige kinderen zijn geboren t.w.

a. [Kind 1], geboren te [plaats] op 4 oktober 1987;

b. [Kind 2], geboren te [plaats] op 7 september 1989;

  1. dat eiseres’s echtgenoot staande het huwelijk van partijen vleselijk gemeenschap heeft gehad met andere vrouwen althans met een andere vrouw dan eiseres en zich mitsdien aan overspel heeft schuldig gemaakt;
  2. dat eiseres op grond van voormelde feit gerechtigd is een vordering tot echtscheiding van tafel en bed tegen haar voornoemde echtgenoot in te stellen, waartoe zij toestemming van U behoeft;

dat de eisende partij  op deze gronden heeft gevorderd:

dat haar verlof zal worden verleend  tot het  instellen van een vordering tot echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en bed tegen haar voornoemde echtgenoot, Kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiseres niet ontvankelijk is, althans de vordering zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 4 mei 2004 op de daarin opgenomen gronden;

de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 24 september 1985 te Paramaribo heeft uitgesproken;

dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij over voormelde minderjarige zal worden gehouden in een van de zalen van dit Kantongerecht aan de Frederik Derbystraat no.79-81 te Paramaribo op dinsdag 12 oktober 2004 ’s morgens om half negen;

de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd heeft bevolen;

heeft benoemd tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de boedelscheiding zullen worden verricht, Mr.R.Currie, notaris te Paramaribo dan wel diens waarnemer of opvolger, indien partijen binnen EEN MAAND na de inschrijving van dit vonnis geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt;

heeft benoemd tot onzijdig persoon volgens de wet:;

voor de eiseres: Mr.S.Mangroelal, advokaat

voor de gedaagde: Mr.J.C.P.Nannan Panday, advokaat;

voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de verdeling mee te werken;

de proceskosten heeft gecompenseerd tussen partijen, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis  van 4 mei 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J.E.Febis van 28 oktober 2004 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie van partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden. 

TEN AANZIEN VAN HET RECHT::

Overwegende, dat appellant  op 16 augustus 2004 hoger beroep heeft aangetekend tegen het op 4 mei 2004, in eerste aanleg door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen  vonnis weshalve moet worden onderzocht of dit appel tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat als tussen partijen in confesso rechtens vaststaat, dat appellant als gedaagde in prima niet persoonlijk bij de uitspraak van bedoeld vonnis aanwezig is geweest en dat daarbij Mr.H.R.Schurman, die volgens dat vonnis als zijn gemachtigde optrad, evenmin tegenwoordig was;

Overwegende, dat uit de stukken niet blijkt dat die uitspraak door de Griffier van het kantongerecht in het Eerste Kanton bij aangetekende  dienstbrief overeenkomstig artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de gedaagde – appellant – is medegedeeld  en nu krachtens artikel 264 lid 3 van genoemd wetboek de termijn van hoger beroep dertig dagen bedraagt te rekenen vanaf de dag, waarop het eindvonnis is medegedeeld en die mededeling niet heeft plaatsgevonden en de appeltermijn derhalve geen aanvang genomen heeft zal het Hof appellant alsnog niet ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant alsnog niet ontvankelijk in zijn hoger beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot 

in eerste aanleg op SRD………

in  hoger beroep op SRD…….

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat  voor het door haar gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD…………………

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat  van appellant eveneens op SRD………………

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 7 oktober 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.G.A.Vos namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.H.R.Schurman en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr.L.Punwasi-Raghoebier, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.