SRU-HvJ-2005-18

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14144
  • Uitspraakdatum 20 mei 2005
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    De constatering van de Kantonrechter dat summierlijk was gebleken van de onnodigheid van het beslag en van de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering voldoende was om de opheffing van de beslagen te gelasten en de Kantonrechter derhalve niet behoefde in te gaan op hetgeen hij, appellant, met betrekking tot zijn vordering, als onderdeel van zijn verweer had gesteld.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14144

 

[Appellant], wonende aan de [straatnaam], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Dr.Sophie Redmonstraat 93 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.M.S.Ishaak, advokaat, 

appellant in Kort Geding,     

 t   e  g  e  n 

  1. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP INTERNATIONAL AANNEMINGS- EN CONSTRUCTIE MAATSCHAPPIJ N.V. afgekort “ICOMIJ N.V.”,        rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Van Engelbuiten no.40 te Paramaribo;
  2. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP KWATTA GENERAL CONTRACTORS, afgekort K.G.C. N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Chatterstraat no.5 te Paramaribo, beiden VERZOEKERS,  voor wie tot hun  gemachtigde optreedt, Mr.H.O.J.Lowe, advokaat,

    geintimeerden in Kort Geding,

 

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton,  van 30 augustus 2001  tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 10 september 2001, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat International Aannemings en Constructie Maatschappij N.V. en Kwatta General Contractors N.V. als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

  1. dat eisers  de navolgende vordering in KORT GEDING wensen in te stellen tegen: [appellant], wonende aan [straatnaam] te [plaats], GEDAAGDE;
  2. dat gedaagde blijkens de hierbij in foto-copie overgelegde exploiten dd. 20 juni 2001 nummers AA-0233 en AA- 0234 en van 25 juni 2001 de nummers AA-0245 en AA-0246 van de Gerechtsdeurwaarder Rene Kappel, conservatoir beslag heeft doen leggen op alle roerende goederen van eisers als vermeld op de hierbij zojuist genoemde exploiten, welke roerende goederen  aan eisers toebehoren, met verzoek aan U, Edelachtbare, de overgelegde producties, alsook die der nader over te leggen producties als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen (zie prod. No. 1, 2, 3 en 4); 
  3. dat het gestelde in het 2e sustenu van gedaagde’s inleidend rekest, opgenomen in het Algemeen Register (AR) onder nummer 01-2425 (zie prod.No.5) in strijd is met de waarheid. In het tweede sustenu van het inleidend rekest staat namelijk dat gedaagde (toen eisers) tevens aandeelhouder is op naam van 10 van de 20 door de N.V. uitgegeven aandelen, terwijl mevrouw [naam] eigenaresse is van de overige 10 aandelen. Deze bewering is volkomen in strijd met de waarheid. Kort na de oprichting der N.V. in 1998 zijn zowel de aandelen van gedaagde als de aandelen van mevrouw [naam] overgedragen aan de Stichting Admacon. De brieven waarin de verklaring van betrokkenen is opgenomen en onder berusting waren van gedaagde zijn in het ongerede geraakt. Toen zulks bleek heeft mevrouw [naam]een andere verklaring afgegeven waarin staat dat zij haar 10 aandelen heeft overgedragen aan de Stichting Admacon. Gedaagde die beide verklaringen onder zijn berusting had weigert echter in tegenstelling tot mevrouw [naam]  een nieuwe verklaring af te geven. Het een en ander kan evenwel met getuigen worden gestaafd. Er is dus  wel wijziging gekomen in de aandelen verhouding. Immers ZOWEL GEDAAGDE ALS MEVROUW [naam] HEBBEN HUN AANDELEN AAN DE STICHTING ADMACON OVERGEDRAGEN. Indien de 10 aandelen van gedaagde, zijnde 50%, niet zouden zijn overgedragen dan is het logisch dat de overige aandeelhouders nimmer voor de N.V. Icomij zouden hebben gewerkt. (Zie prod. No.6);

4.dat de standpunten en zienswijzen van partijen omtrent het gestelde onder het 4e tot en met het 13e sustenu van gedaagde’s inleidend rekest U, Edelachtbare volkomen bekend zijn en het danook geen enkele nut heeft thans hier wederom in herhaling te treden omtrent het daar gestelde, maar dat juist teneinde tot een oplossing van het geschil te geraken de diensten van een Accountantskantoor zijn ingeroepen, welke kantoor gehouden is rapport aan U uit te brengen omtrent haar bevindingen en voorts de basis zal zijn bij Uw oordeel ten aanzien van het geschil dat partijen verdeeld houdt;

  1. dat het gelegde beslag als hoogst onfatsoenlijk, absurd, in strijd met de rede en minachting voor het rechterlijk gezag moet worden geacht wanneer vaststaat dat partijen bindende afspraken tegenover U, Edelachtbare, hebben gemaakt en bovendien U, Edelachtbare, op alle gehouden zittingen na 20 juni 2001, een beroep op gedaagde hebt gedaan en gedaagde zelfs ernstig heb geadviseerd het gelegde beslag op te heffen en voorts hebt verklaard abusievelijk bevel tot bedoeld beslag te hebben gegeven en gedaagde volhardt in handhaving van het gelegde beslag dan is er iets ernstig aan de hand, doch moet in ieder geval worden vastgesteld dat hier sprake is van misbruik van recht zijdens gedaagde;
  2. dat Fair Play in casu ver te zoeken is en het gelegde beslag danook als een laakbare handeling moet worden bestempeld laat onverkort de zienswijze van eisers  dat het voortbestaan van het beslag een ernstige inbreuk zal zijn op alle inspanningen die U, Edelachtbare zich tot heden getroost heeft om de onderhavige zaak ingevolge Uw zienswijze op te lossen, een zienswijze waaraan partijen zich geconfronteerd hebben;

7.dat voor het gelegde beslag alle activiteiten van eisers zijn lamgelegd, terwijl de broodwinning van circa 35 arbeiders, inclusief onder-aannemers, in gevaar dreigt te komen met alle konsekwenties van dien voor zich zelf en hun gezinsleden;

8.dat gedaagde het gelegde beslag als omschreven in het 14e sustenu van het inleidend rekest zal moeten opheffen, althans zal dit beslag opgeheven moeten worden, daar zij niet anders kan worden gekwalificeerd dan als te zijn VEXATOIR;

9.dat op grond van het voren aangehaalde aan eisers ’vordering een spoedeisend belang ten grondslag ligt, die de behandeling daarvan in KORT GEDING rechtvaardigt.  

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd;

dat bij vonnis in  Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren, niettegenstaande verzet of hoger beroep

  • de ontheffing zal worden gelast van het door gedaagde gelegd conservatoir beslag door de gerechtsdeurwaarder Rene Kappel op 20 juni 2001 exploiten nummers AA-0233 en AA-0234 en van 25 juni 2001 exploiten nummers AA-0245 en AA-0246 op de roerende goederen van eisers als omschreven in het 2e sustenu van dit verzoekschrift waarbij verwezen wordt naar de producties 1, 2, 3 en 4.
  • Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen ter terechtzitting van 29 augustus 2001 de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis (in Kort Geding) van 30 augustus 2001 op de daarin opgenomen gronden;

De opheffing heeft bevolen van de conservatoir beslagen gelegd door de deurwaarder bij het Hof van Justitie R.Kappel, op respectievelijk 20 juni 2001 bij exploiten nummers AA-0233 en AA-0234 en van 25 juni 2001 bij exploiten nummers AA-0245 en AA-0246 op de in die exploiten omschreven roerende goederen;

het vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren heeft verklaard;

gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces aan eisers hun zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.42.530,75 (TWEE EN VEERTIGDUIZEND VIJFHONDERD DERTIG EN 75/100 GULDEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 30 augustus 2001;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Rawan Sontono van 6 juli 2002 aan geintimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie van partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord pleidooi en uitlating produkties bepaald, advokaat Mr.Lowe geen bescheiden heeft overgelegd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 oktober 2003, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep is gekomen van het vonnis dat door de Kantonrechter in het Eerste Kanton  tussen partijen is gewezen en op 30 augustus 2001 uitgesproken;

Overwegende, dat appellant de volgende grieven heeft aangevoerd:

1.Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 4e overweging ten aanzien van het recht overwogen dat gedaagde (thans appellant) zich weliswaar verzet heeft tegen toewijzing van eiseres (thans geintimeerde) haar vordering, doch nu summierlijk de onnodigheid van de vrees voor verduistering van de beslagen goederen ter gelegenheid van het gehouden pleidooi gebleken is, wij zullen beslissen als in het dictum te melden;

gedaagden zullen wij als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces laten dragen;

2.Ten onrechte heeft de Kantonrechter rechtdoende in kort geding bevolen de opheffing van de conservatoire beslagen gelegd door de deurwaarder bij het Hof van Justitie R.Kappel op respektievelijk 20 juni 2001 bij exploiten nummers AA-0233 en AA-0234 en van  25 juni 2001 bij exploitennummer AA-0245 en AA-0246 op de in die exploiten omschreven roerende goederen; ten onrechte heeft de Kantonrechter gedaagde verwezen in de kosten van dit proces aan eiseres haar zijnde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot Sf. 42.530,75;

Overwegende, dat het duidelijk is dat de door appellant gewraakte rechtsoverweging van de Kantonrechter een verschrijving bevat;

Overwegende, dat uit de toelichting op de grieven, waarbij appellant in verband met vorenbedoelde rechtsoverweging, spreekt van “overweging van onnodig beslag” en verwijst naar artikel 596 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is op te maken dat appellant heeft begrepen dat het in de gewraakte rechtsoverweging gaat om de onnodigheid van het beslag;

Overwegende, dat appellant redelijkerwijs kan hebben begrepen dat het in de gewraakte rechtsoverweging verder gaat om de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering;

Overwegende, dat appellant in de toelichting op de grief, voor zoveel hier van belang heeft aangevoerd dat de iure en de facto (echter) overtuigend is gesteld en gebleken dat het beslag van node is en alleszins gerechtvaardigd en binnen de doelstelling van het conservatoir beslag is;

Overwegende, dat in voormelde stelling geen stellige betwisting is te zien van de constatering van de Kantonrechter dat ter gelegenheid van het gehouden pleidooi (onderstreping Hof) summier was gebleken van de onnodigheid van het beslag en van de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering;

Overwegende, dat appellant ook nog heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de Kantonrechter geheel is voorbijgegaan aan het door hem als gedaagde gevoerd verweer, van welk verweer zijn vordering bekend onder AR 012425 onderdeel uitmaakt;

Overwegende, dat uit de gedingstukken het volgende blijkt:

  • de beslagen, waarvan de Kantonrechter in het beroepen vonnis de opheffing heeft bevolen, zijn gelegd ter verzekering van de vordering, welke het onderwerp van het geding, bekend onder AR 012425, uitmaakt;
  • appellant heeft aan vorenbedoelde vordering, kort samengevat, het volgende ten grondslag heeft gelegd:
  • appellant is mede-oprichter van de geintimeerde sub A, verder (ook) aangeduid als Icomij, en is tevens aandeelhouder voor 10 van de 20 bij de oprichting geplaatste aandelen; [naam] is aandeelhouder voor de overige 10 bij de oprichting geplaatste aandelen;
  • appellant was en is nog steeds tevens commissaris en procuratiehouder van Icomij;
  • -Icomij heeft zich aan ernstige onregelmatigheden schuldig gemaakt en hij, appellant, lijdt door het onrechtmatig handelen van Icomij ernstige schade;
  • een veelheid van goederen, die de eigendom zijn van Icomij, zijn thans ten name gesteld van geintimeerde sub B, verder (ook) aangeduid als KGC; met ingang van 3 februari 2001 heeft Icomij aan haar toekomende vordering aan KGC gecedeerd; deze cessie is bij exploit van 5 februari 2001 van de Staat Suriname bekend;
  • de cessie en de overdracht van de roerende goederen door Icomij aan KGC zijn paulianeus; hij, appellant is door deze handelingen benadeeld, vermits daardoor de mogelijkheid van verhaal van zijn vordering op Icomij kleiner is geworden dan het geval zou zijn geweest indien de betreffende handelingen achterwege zouden zijn gebleven;
  • de benadeling door de onrechtmatige handelingen van geintimeerden kan worden begroot op NF. 2.000.000;
  • appellant heeft zijn vordering terzake van de schade als gevolg van de paulianeuze handelingen, met inbegrip van rente en kosten, begroot op 
  1. 2.200.000 en heeft verlof gevraagd aan en bekomen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton om ter verzekering van deze vordering de hierboven bedoelde beslagen te leggen;

Overwegende, dat geintimeerden weliswaar hebben aangevoerd dat appellant en [naam] kort na de oprichting van Icomij hun aandelen aan de Stichting Admacon hebben overgedragen, maar zij, geintimeerden, hebben tegen de betwisting door de appellant de beweerde overdracht van zijn aandelen niet aannemelijk gemaakt, zodat verder aan de bewering van geintimeerden voorbij wordt gegaan;

Overwegende, dat appellant als onrechtmatige handelingen van Icomij, als gevolg waarvan hij schade zou hebben geleden, heeft genoemd, kort gezegd, het ten onrechte doen van opgave aan de Kamer van Koophandel dat hij was uitgetreden als commissaris en ontslagen was als procuratiehouder en het uitgeven van 80 aandelen zonder dat hij als commissaris de ingevolge artikel 7 van de statuten vereiste machtiging had verleend;

Overwegende evenwel, dat appellant niet heeft aangegeven welke schade uit deze handelingen voor hem is ontstaan noch op welk bedrag deze schade moet worden gesteld;

Overwegende, dat uit de gedingstukken is op te maken dat appellant zich op het standpunt stelt dat hij, ter vergoeding van de schade veroorzaakt door de beweerde paulianeuze handelingen, in casu aanspraak maakt op een bedrag gelijk aan de waarde van de roerende goederen, die Icomij beweerdelijk aan KGC heeft overgedragen;

Overwegende evenwel, dat, nu appellant zijn vordering tot vergoeding van die schade baseert op onrechtmatige daad, voorhands ervan wordt uitgegaan dat hij (slechts) de schade vergoed kan krijgen die hij heeft geleden door het feit dat hij de vervreemde goederen niet meer als executie-object in het vermogen van zijn schuldenaar (in casu Icomij) aantrof, het beloop van welke schade niet noodzakelijkerwijs gelijk is aan de waarde van de weg gemaakte goederen;

Overwegende voorts, dat het, gelet op de hierboven weergegeven grondslag van appellant’s vordering, ervoor moet worden gehouden dat, indien uit het beweerde onrechtmatig handelen van Icomij voor hem schade is voortgevloeid, die schade in Surinaamse dollars (voorheen guldens) luidt, zijnde geen feiten gesteld die leiden tot de conclusie dat voor appellant een vordering in Nederlandse guldens is ontstaan;

Overwegende, dat de constatering van de Kantonrechter dat summierlijk was gebleken van de onnodigheid van beslag en van de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering voldoende was om de opheffing van de beslagen te gelasten en de Kantonrechter derhalve niet behoefde in te gaan op hetgeen hij, appellant, met betrekking tot zijn vordering, bekend onder AR 012425, als onderdeel van zijn verweer had gesteld;

Overwegende bovendien, dat, indien de Kantonrechter wel op die vordering was ingegaan, hij, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, naar het voorlopig oordeel van het Hof tot de conclusie zou zijn gekomen dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van die vordering was gebleken, waardoor het verwijt dat de Kantonrechter niet is ingegaan op hetgeen appellant met betrekking tot zijn vordering, bekend onder AR 012425, als onderdeel van zijn verweer had gesteld, hem niet kan baten;

Overwegende, dat het Hof op grond van het vorenoverwogene tot de conclusie komt dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd, met veroordeling van de appellant in de proceskosten als de in het ongelijk gestelde partij; 

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING: 

Bevestigt  het vonnis waarvan beroep;

         Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD 75,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris SRD.75,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op SRD.75,–;

 

Aldus gewezen door: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden`en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 20 mei 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.