SRU-HvJ-2004-18

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14142
  • Uitspraakdatum 06 augustus 2004
  • Publicatiedatum 18 mei 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    De Kantonrechter heeft in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat het enkele feit dat wijlen [erflater] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst betreffende het litigieus onroerend goed slechts voor 7/12 deel daartoe gerechtigd was en zo hij daarvan bewust was eiser niet hieromtrent heeft geïnformeerd geen onrechtmatig handelen met zich meebrengt, daargelaten de vraag van de gestelde schade en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade. De Kantonrechter heeft voorts in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat op iedere koper van een onroerend goed een zelfstandige rechtsplicht rust om nader onderzoek te plegen naar de positie en rechten van de verkoper alsmede dat de nalatigheid hierin in principe voor zijn eigen rekening komt.

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.                               

GENERALE ROL NO.14142.

[appellant], wonende [plaats 1] aan de [straatnaam 1], ten deze woonplaats kiezende aan de Watermolenstraat no.36 boven, voor wie als gemachtigde optreden, Mr.J.Kraag en Mr.H.P.Boldewijn, advocaten,

appellant,

t e g e n

 

De Gezamenlijke Erfgenamen van  [erflater], t.w.:

[Geïntimeerde sub A], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[Geïntimeerde sub B], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[Geïntimeerde sub C], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[Geïntimeerde sub D], wonende te [ressort] aan de [adres 1] in het [distrikt 1];

[Geïntimeerde sub E], wonende [plaats 1] aan de [adres 2]; allen wettige kinderen geboren staande zijn huwelijk met [naam 1], overleden op 2 november 1975, achterlatende tot haar enige en algehele erfgenamen volgens de wet haar echtgenoot  en zijn wettige kinderen, door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.K.Bhoendie, advocaat

geïntimeerden,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respektievelijk van 12 mei 1998 en 26 juni 2001 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 5 juli 2001, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

I. Dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de erfgenamen van [erflater], t.w.:

[geïntimeerde sub A], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[geïntimeerde sub B], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[geïntimeerde sub C], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[geïntimeerde sub D], wonende te [ressort] aan de [adres 1] in het [distrikt 1];

[geïntimeerde sub E], wonende te [plaats] aan de [adres 2]; allen wettige kinderen geboren staande zijn huwelijk met [naam 1], overleden op 2 november 1975, achterlatende tot haar enige en algehele erfgenamen volgens de wet haar echtgenoot en zijn wettige kinderen;

II. Dat [naam 2], kind van wijlen [erflater] te Paramaribo op 22 maart 1985 ongehuwd en kinderloos is overleden, achterlatende tot zijn enige en algehele erfgenamen volgens de wet zijn vader, [erflater] en zijn vijf wettige broers en zusters;

III. Dat [erflater] op 8 augustus 1990 te Paramaribo is overleden, nalatende tot enige erfgenamen bij versterf vijf wettige, op dat moment nog in leven zijnde kinderen;

IV. Dat eiser op of omstreeks  26 augustus 1986 van wijlen [erflater] heeft gekocht, gelijk deze aan eiser heeft verkocht het eigendomsrecht, althans het erfpachtsrecht op het perceelland groot 750 vierkante meters, gelegen in het [distrikt 2], deel uitmakende van de [plaats 2], bekend als [nummer] en nader aangeduid op de ten Domeinkantoor zich bevindende kaart van de Landmeter S.O.Esajas d.d. 19 april 1976, met alle opstallen zich hierop bevindende, zulks voor een koopsom van Sf. 15.000,- op welke koopsom eiser aan wijlen [erflater] in mindering had voldaan een bedrag van Sf. 10.000, (TIENDUIZEND GULDEN) terwijl het saldobedrag van Sf.5.000,- zou worden voldaan bij levering, hetgeen blijkens het vonnis van het Hof van Justitie dd. 17 mei 1996 tevens als rechtens vaststaand is aangenomen;

V. Dat de heer [erflater], nu wijlen, in gebreke is gebleven het onderhavige perceelland te doen leveren aan eiser, zoals was overeengekomen, daar hij ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst niet enig eigenaar was van het onderhavige perceelland, maar voor 7/12 deel gerechtigd was geweest in het onroerend goed, hetgeen echter niet wegneemt dat er een rechtsgeldige overeenkomst was gesloten tussen eiser en wijlen [erflater]. Het een en ander wordt tevens onderschreven door het Hof van Justitie middels haar vonnis dd. 17 mei 1996, ik verzoek U de inhoud van dit vonnis, waarvan een kopie is bijgevoegd, te beschouwen als ware deze hier letterlijk aangehaald en geinsereerd;

VI. Dat gedaagden reeds in hun hoedanigheid van enige wettige erfgenamen van wijlen [erflater] bij woorde van voormeld vonnis van het Hof van Justitie zijn veroordeeld tot het betalen van Sf. 35.000,- zijnde een schadevergoeding wegens wanprestatie uit hoofde van de koopovereenkomst met eiser vermeerderd met de wettelijke rente;

VII. Dat wijlen [erflater] niet alleen op grond van de overeenkomst, echter tevens uit hoofde van de wet, gehouden is de als gevolg van zijn onrechtmatig handelen aan de zijde eiser ontstane additionele vermogensschade te vergoeden. [erflater] was zich er immers van bewust, althans had zich ervan bewust moeten zijn, dat hij ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst niet over het onverdeeld eigendom van het onderhavig perceelland beschikte. Dit brengt met zich mee dat wijlen [erflater] op grond van de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeer betaamt reeds in de pre-contractuele fase een informatieplicht had tegenover eiser met dien verstande dat hij eiser tijdig (lees: voor het mondeling overeenkomen van de koop) had behoren te informeren ten aanzien van de eigendom van het onderhavige perceelland.

VIII. Dat wijlen [erflater] door zich aldus te gedragen zich willens en wetens onthouden heeft van de op hem rustende informatieplicht jegens eiser en zodoende een in het maatschappelijk verkeer geldende buitencontractuele norm heeft geschonden, weshalve hij gehouden is de schade ontstaan als gevolg hiervan te vergoeden. Immers het in 1986 door eiser betaalde voorschot op de koopprijs van het onderhavige perceelland was Sf.10.000,-(TIENDUIZEND GULDEN). De inflatie sindsdien in aanmerking nemende komt dat heden ten dage op een bedrag van Sf. 2470.000,-(TWEEMILJOEN VIERHONDERD EN ZEVENTIGDUIZEND GULDEN). In 1986 was de wisselkoers Sf:Nf 0,81 op 1. Thans is de wisselkoers bij benadering (Sf:Nf) 200:1. Daarnaast dient tevens rekening te worden gehouden met de huidige waarde van het perceelland in verband met de winstderving welke eiser geleden heeft doordat de marktwaarde van dergelijke percelen aanzienlijk is gestegen. De huidige waarde van het onderhavige perceelland is blijkens het taxatierapport van het bouwkundig bureau S.F.Sidoel   Sf. 6.050.000,- (ZESMILJOEN VIJFTIGDUIZEND GULDEN).

IX. Dat eiser reeds in 1986 toen bleek dat wijlen [erflater] niet tot levering van het onderhavige perceelland kon overgaan het door hem destijds betaalde voorschot van Sf.10.000,- (TIENDUIZEND GULDEN) terstond heeft teruggevorderd. Aangezien er niet geleverd is en het voorschot ook niet terstond is terugbetaald, kan met recht worden gesteld dat eiser niet alleen de huidige waarde van het destijds betaalde voorschot maar ook een volledige schadevergoeding toekomt, welke op grond van de huidige waarde van het perceelland en alle relevante omstandigheden dient te worden vastgesteld. Als relevante omstandigheden dienen onder andere te worden aangemerkt, de inflatie over de jaren en de huidige marktwaarde van het perceelland.

X. Dat gedaagden als enige wettige erfgenamen van wijlen [erflater] zijn rechtsopvolgers onder Algemene Titel, weshalve zij op grond van het voorgaande in rechte kunnen worden aangesproken voor de door eiser geleden schade.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat gedaagden zullen worden veroordeeld om op grond van het voorgaande eiser schadeloos te stellen, welke schadeloosstelling eiser gaarne wenst te doen vaststellen bij staat en te vereffenen volgens de wet met uitvoerbaar verklaring bij voorraad; Kostens rechtens.

Overwegende, dat de Gezamenlijke Erfgenamen van [erflater] als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 12 mei 1998 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat bij de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen, partijen in persoon en de gemachtigde van eiser zijn verschenen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd waarna hij deze voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 26 juni 2001 op de daarin opgenomen gronden;

Eisers vordering heeft ontzegd;

Hem heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot  op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 26 juni 2001;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 6 mei 2002 aan geïntimeerden aanzegging van het

ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende,  dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota en antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 juni 2004, doch nader heeft bepaald op heden;

OVERWEGENDE, TEN AANZIEN VAN HET RECHT: 

  1. Appellant is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en op 26 juni 2001 uitgesproken vonnis.  Hij kan dan ook in dat hoger beroep worden ontvangen.
  2. Appellant heeft de volgende grieven opgeworpen:

Grief 1

De Kantonrechter heeft in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat het enkele feit dat wijlen [erflater] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst betreffende het litigieus onroerend goed slechts voor 7/12 deel daartoe gerechtigd was en zo hij daarvan bewust was eiser niet hieromtrent heeft geinformeerd geen onrechtmatig handelen met zich meebrengt, daargelaten de vraag van de gestelde schade en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade;

De Kantonrechter heeft voorts in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat op iedere koper van een onroerend goed een zelfstandige rechtsplicht rust om nader onderzoek te plegen naar de positie en rechten van de verkoper alsmede dat de nalatigheid hierin in principe voor zijn eigen rekening komt;

Tevens heeft de Kantonrechter in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat er in casu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld welke in de precontractuele fase een informatieplicht aan de zijde van wijlen [erflater] zouden doen ontstaan;

Grief 2

Ten onrechte heeft de Kantonrechter in het vonnis in prima overwogen dat appellant, in prima eiser, zou hebben doen overkomen alsof enkel de geldontwaarding van de Surinaamse munt geintimeerden, gedaagden in prima, schadeplichtig zou maken;

Ook ten aanzien van de door appellant gestelde onrechtmatige daad aan de zijde van wijlen [erflater] heeft de Kantonrechter in prima ten onrechte overwogen dat appellant onvoldoende feiten of omstandigheden zou hebben aangevoerd om een en ander aan te tonen, terwijl geintimeerden reeds zijn veroordeeld tot betaling van schade aan appellant geleden uit hoofde van wanprestatie bij vonnis van uw Hof d.d. 17 mei 1996, G.R.No.13519;

Grief 3

Terecht overweegt de Kantonrechter in het vonnis in prima tot slot dat dan de vraag rijst of geintimeerden in hun hoedanigheid van wijlen [erflater] aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een eventueel onrechtmatig handelen van de erflater. Echter komt de Kantonrechter daarna ten onrechte tot de conclusie dat deze vraag in casu niet aan de orde zou zijn;

3.1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de eerste rechtsoverweging van het beroepen vonnis onder 1 tot en met 4 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten wordt uitgegaan. Die feiten komen op het volgende neer. Appellant heeft op of omstreeks 26 augustus 1986 van wijlen [erflater] gekocht het erfpachtsrecht op het perceelland, gelegen in het [distrikt 2], deeluitmakende van de [plaats 2] en bekend als [nummer], met alle opstallen, voor een som van Sf.15.000. Hiervan heeft appellant als voorschot betaald Sf. 10.000. Het saldo zou worden voldaan bij de levering. Ten tijde van de verkoop was genoemde [erflater] voor 7/12e deel onverdeeld gerechtigd in voormeld onroerend goed.

Meergenoemde [erflater] was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [naam 1]. [naam 1] is op 2 november 1975 en [erflater] op 8 augustus 1990 overleden. Laatstgenoemde heeft tot zijn enige erfgenamen bij versterf achtergelaten zijn alstoen nog in leven zijnde vijf wettige kinderen. Bij vonnis van 17 mei 1996, GR no.13519, heeft het Hof van Justitie geintimeerden veroordeeld om, terzake van (door [erflater] gepleegde) wanprestatie, aan appellant te betalen Sf.35.275 met de rente ad 6% per jaar vanaf juni 1987 tot de voldoening.

3.2. op grond van de, in zoverre niet betwiste, stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde grosse van laatstvermeld Hofvonnis staat verder het volgende vast. Het hof heeft de verkoopovereenkomst ontbonden verklaard. Het bedrag van Sf. 35.275, tot betaling waarvan de geintimeerden zijn veroordeeld, bestaat uit het betaalde voorschot ad Sf. 10.000; het verschil tussen de waarde van het onroerend goed en de overeengekomen koopprijs ( in casu Sf. 40.000 minus Sf. 15.000 =) Sf.. 25.000; het bedrag van Sf. 275, dat wijlen [erflater] had betaald aan achterstallige canon ( te weten Sf.150) en aan de notaris (te weten Sf.125). Geintimeerden hebben na het Hofvonnis van 17 mei 1996 het aan appellant toegewezen bedrag aan diens toenmalige raadsman Mr.H.Lim A Po aangeboden, maar deze heeft geweigerd het in ontvangst te namen. Op 22 mei 1997 is namens geintimeerde aan Mr.Kraag betaald het bedrag van 

Sf.35.275; voorts Sf. 23.105,07 wegens (wettelijke) rente, alsmede Sf.350 zijnde proceskosten en Sf. 350 wegens honorarium pleidooi. Bij het voorgaande wordt aangetekend dat hetgeen het Hof heeft toegewezen conform datgene is dat door  appellant als eiser in eerste aanleg is gevorderd.

  1. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het Hof te leggen.

5.1 Appellant heeft, als eiser in eerste aanleg, twee feitencomplexen aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Het eerste feitencomplex (zie met name alinea VII en VIII van het inleidend rekest, zoals aangevuld met alinea 7 van de conclusie van repliek) komt erop neer dat [erflater] hem, appellant, opzettelijk onjuist heeft geinformeerd door, terwijl hij, [erflater], ervan bewust was, althans ervan bewust behoorde te zijn, dat hij niet de onverdeelde eigendom van het erfpachtsrecht bezat, hem appellant mede te delen gerechtigd te zijn dit erfpachtsrecht te verkopen. In de stellingen van appellant ligt verder besloten dat hij, indien hij van de juiste stand van zaken op de hoogte was geweest, de koopovereenkomst niet zou zijn aangegaan. Het tweede feitencomplex houdt in (zie met name alinea IX van het inleidend rekest en alinea 3 van de conclusie van repliek) dat, toen in 1986 bleek dat [erflater] het erfpachtsrecht niet kon leveren, hij, appellant, terstond het voorschor van Sf. 10.000 heeft teruggevorderd, aan welke vordering [erflater] geen gevolg heeft gegeven.

5.2 Volgens appellant heeft, [erflater], door zich als te gedragen als bij de weergave van het eerste feitencomplex is omschreven, een in het maatschappelijk verkeer geldende buitencontractuele norm geschonden, waardoor hij gehouden is de als gevolg hiervan ontstane schade te vergoeden.

Als element waaruit zijn schade bestaat noemt appellant de geldontwaarding (inflatie). Naar hij stelt komt het door hem betaalde voorschot op de koopsom, de inflatie in aanmerking nemende, “heden ten dage” (het inleidend rekest is gedateerd 9 juni 1997) op Sf. 2.470.000. Naar appellant verder stelt dient ook rekening te worden gehouden met de huidige waarde van het perceelland in verband met de winstderving, welke hij, appellant, heeft geleden doordat de marktwaarde van dergelijke percelen aanzienlijk is gestegen. De huidige waarde  van het perceelland is – aldus appellant – blijkens het taxatierapport van het bouwkundig bureau S.F.Sidoel Sf. 6.050.00.

5.3 Met betrekking tot het tweede feitencomplex heeft appellant, als eiser in eerste aanleg, gesteld dat, aangezien er niet geleverd is en het voorschot ook niet terstond is terugbetaald, met recht kan worden gesteld dat hij appellant, niet alleen de huidige waarde van het destijds betaalde voorschot maar ook een volledige schadevergoeding toekomt, welke op grond van de huidige waarde van het perceelland en alle relevante omstandigheden dient te worden vastgesteld. Als relevante omstandigheden dienen – aldus nog steeds appellant – onder andere te worden aangemerkt de inflatie over de jaren en de huidige marktwaarde van het perceelland.

6.1.1 Het opzettelijk aan een wederpartij mededelen van onjuiste informatie, waardoor deze ertoe wordt gebracht een overeenkomst aan te gaan, welke hij bij beter weten niet zou zijn aangegaan, levert jegens die wederpartij een onrechtmatige daad op. Aangenomen dat [erflater] zich overeenkomstig het eerste feitencomplex heeft gedragen, dan heeft hij jegens appellant een onrechtmatige daad gepleegd. Appellant zou dan moeten worden gebracht in de situatie waarin hij zou verkeren indien de onjuiste informatie achterwege was gebleven en appellant de koopovereenkomst niet had gesloten. Dit uitgangspunt brengt, voor wat het voorschot op de koopsom betreft, mee, dat dit  voorschot zou moeten worden teruggeven. Dit is, zoals uit de hierboven onder 3.2 vermelde feiten blijkt, al geschied, en het bedrag van het voorschot kan niet opnieuw worden gevorderd, ook al geschiedt dit op een andere grondslag. Aangezien het hier betreft een in Suriname te betalen, in Surinaamse guldens, uitgedrukte schuld kon het worden voldaan door betaling van het nominale bedrag en is er voor vergoeding van de waardedaling tussen het moment van de betaling van het voorschot door [erflater] in 1986 en de terugbetaling daarvan in 1997 geen plaats.

6.1.2 Ook indien van de hierboven onder 6.1.1 vermelde aanname wordt uitgegaan en tevens wordt aangenomen dat [erflater] aan appellant het verschil tussen de koopsom en de waarde van het onroerend goed, dit laatste zoals door het Hof vastgesteld, diende te betalen, dan geldt ook hier dat zulks al is gebeurd, zij het op een andere grondslag en, dat betaling van dat verschil niet opnieuw kan worden gevorderd. Om de onder 6.1.3 vermelde redenen is er evenmin plaats voor vergoeding van de waardedaling van de Surinaamse munt.

6.2 Uit de beschrijving van het tweede feitencomplex blijkt dat het gaat om vertraging in de uitvoering van een beweerde verbintenis tot betaling van een geldsom, te weten het betaalde voorschot. De schadevergoeding bestaat dan in de wettelijke rente. Ook in dit geval is er om de onder 6.1.3 vermelde redenen geen plaats voor vergoeding van waardedaling van de Surinaamse munt.

Overigens dient in het onderhavig geval die waardedaling niet, zoals appellant doet, te worden gemeten aan de hand van de ontwikkeling van de koers van de Surinaamse gulden ten opzichte van een buitenlands betaalmiddel, in casu de Nederlandse gulden, maar aan de hand van de ontwikkeling van het prijspeil in Suriname.

7.1. Appellant heeft bij in eerste aanleg genomen conclusie na comparitie, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, gesteld dat de in het Hofvonnis vermelde bedragen, enerzijds, heden ten dage alsmede ook ten dage van het vonnis, in flagrante tegenstelling staan c.q. stonden tot de werkelijkheid en de prijzen welke reeds jaren voor onroerend goed dienen te worden betaald. Anderzijds zijn voormelde bedragen slechts een weergave van de cijfermatige schade op basis van de koopovereenkomst “zoals gelden” onder dezelfde omstandigheden als toen de koopovereenkomst werd aangegaan. Bij de vaststelling is duidelijk geen rekening gehouden met de werkelijke economische-maatschappelijke situatie en is dus tot op heden geen sprake geweest van vergoeding op basis van de reële door eiser geleden schade, waardoor – aldus nog steeds appellant – een dergelijke reële schadevergoeding alsnog dient te geschieden.

7.2. Uit bovenaangehaalde stellingen van appellant volgt dat de strekking van de vordering is het verkrijgen  van vergoeding van de opgetreden geldontwaarding. De door hem genoemde waardevermindering van het voorschot en van de “marktwaarde” van het onroerend goed zijn dus bedoeld als een uitputtende opsomming van de elementen waaruit zijn schade bestaat. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 6.2 is overwogen volgt dat de feiten, die appellant aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, toewijzing van die vordering niet rechtvaardigen. Het vonnis waarvan beroep dient dan ook, zij het onder aanvulling en verbetering van gronden, te worden bevestigd.

7.3. Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van rechtsgronden, het hierboven onder 1 vermelde vonnis.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD.150.

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD.150.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op SRD.150.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 augustus 2004 in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh      w.g.E.S.Ombre

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat  Mr.D.Kraag namens zijn gemachtigden, advokaten Mr.J.Kraag en Mr.H.P.Boldewijn en geintimeerden vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaat Mr.K.Bhoendie, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.