SRU-HvJ-2004-20

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14168
  • Uitspraakdatum 02 april 2004
  • Publicatiedatum 18 mei 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    De Kantonrechter heeft bij vonnis van 19 juli 1994 de betwisting van de erkenning van [Appellant sub A] gegrond verklaard. Dit vonnis is door het Hof bevestigd.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE R0L NO. 14168.

a. [Appellant sub A ], wonende te [plaats 1] aan [straatnaam 1] en
b. [Appellant sub B], weduwe van [naam 1], wonende te [plaats 1] aan [straatnaam 2],
door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld Mr.T.GANGARAM PANDAY, advokaat,
appellanten,

t e g e n

[Geintimeerde sub A], echtgenote van [naam 2], wonende aan [straatnaam 3],
B. [Geintimeerde sub B], echtgenote van [naam 3], wonende aan [straatnaam 4] te [plaats 2], door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld Mr.M.R.CARRILHO, advokaat,
geintimeerden,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;
Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 juli 1972 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 6 februari 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat a. [geintimeerde sub A] en b. [geintimeerde sub B] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:
1. dat eiseressen de navolgende vordering wensen in te stellen tegen:
a. [Appellant sub A], wonende te Paramaribo aan [straatnaam 1];
b. [Appellant sub B], weduwe van [naam 1], wonende te Paramaribo aan [straatnaam 2],
gedaagden;
2. dat blijkens hierbij overgelegd copie geboorteakte d.d. 17 augustus 1993, [NAAM 2], gedaagde sub a bij akte verleden voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo d.d. 9 mei 1967 heeft erkend als zijn natuurlijk kind;
3. dat [NAAM 2] niet de vader in den bloede van gedaagde sub a is en eiseressen daarom de erkenning bedoeld in sub 2 wensen te betwisten;
4. dat eiseres sub A er recht en belang bij heeft bedoelde erkenning te betwisten, nu zij op 19 oktober 1980 in het ressort Sur/DH met [NAAM 2] in het huwelijk is getreden en bij voor overlijden van [NAAM 2], als zijn enige erfgename zal optreden, hetgeen thans door de erkenning van gedaagde sub a niet het geval is, waardoor eiseres sub A ernstig benadeeld zal worden, vooral omdat eiseres sub a en haar echtgenoot geen kinderen hebben en daardoor gedwongen worden financiële voorzieningen te treffen voor hun oude dag;
5. dat eiseres sub B een zuster van [NAAM 2] is en uit deze hoofde belang bij heeft dat haar familienaam niet wordt gedragen door iemand die in geen enkele rechtsbetrekking, althans in den bloede tot haar staat;
6. Daarnaast zal, in geval van gelijktijdige of vooroverlijden van eiseres sub A, na het overlijden van haar broer [NAAM 2], eiseres sub B erfgename worden van haar broer. Indien de erkenning van gedaagde sub a in stand zou blijven, dan zal hij (mede-) aanspraak maken op de nalatenschap van voornoemde [NAAM 2];
7. dat gedaagde sub b haar toestemming tot vermelde erkenning heeft verleend, wetende dat [NAAM 2] niet de vader in den bloede is van gedaagde sub a;
8. dat eiseressen gegrond verklaring van de betwisting van de erkenning van gedaagde sub A in rechte wensen te vorderen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat de betwisting van de erkenning van [APPELLANT SUB A] door [NAAM 2], als zijn natuurlijk kind bij akte verleden voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Paramaribo op 9 mei 1967 gegrond zal worden verklaard.
Voorts dat gedaagde sub b deze beslissing zal geheugen en gedogen;
Overwegende, dat gedaagde sub B mondeling voor antwoord heeft gezegd;
”Ik was gehuwd; [naam 2] is niet de vader van [Appellant sub A];
Overwegende, dat de gedaagde sub A mondeling voor antwoord heeft gezegd:
”Ik erken dat [naam 2] niet mijn vader is”;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 19 juli 1994 op de daarin opgenomen gronden:
Gegrond heeft verklaard de betwisting van de erkenning van [Appellant sub A ], gedaan bij akte d.d. 9 mei 1967 verleden voor de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo door [naam 2];
De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal a.[Appellant sub A] en b. [Appellant sub B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 19 juli 1994;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 12 april 2003 aan geintimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald, geen pleitnota is overgelegd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in deze zaak aanvankelijk had bepaald op 2 april 2004, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat nu appellanten, ofschoon zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, geen grieven tegen het beroepen vonnis hebben ontwikkeld en dat vonnis het Hof overigens juist voorkomt, dient het te worden bevestigd;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis op 19 juli 1994 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen, waarvan beroep;
Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD nihil;

 

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mr.K.PULTOO, Lid en Mr.I.H.M.H.RASOELBAKS, Lid-plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 APRIL 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

 

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaat Mr.T.Gangaram Panday en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.Halfhuid namens hun gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carrilho, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.