SRU-HvJ-2005-19

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14122
  • Uitspraakdatum 04 maart 2005
  • Publicatiedatum 18 mei 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Op grond van artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn de beslissingen in zaken van wraking niet aan enig hoger beroep onderworpen. Het Hof is daarom voorbijgegaan aan de grieven die daarop betrekking hebben.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME           

GENERALE ROL NO. 14122

[Appellant sub B],  wonende aan [straatnaam 1] [plaats], voor wie als gemachtigde optreden, Mr.R.S.Baldew en Mr.F.F.P.Troon, advokaten, 

appellant in Kort Geding,                                                                                                                                                          

t   e  g  e  n 

  1. [Geïntimeerde sub 1], wonende aan [straatnaam 2] te [plaats]
  2. [Geïntimeerde sub 2], wonende aan [straatnaam 3] te [plaats]
  3. [Geintimideerde sub 3], wonende aan [straatnaam 4] te [plaats],

door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.M.I.Vos, advokaat, 

geintimeerden in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van  18 oktober 1999 en 2 mei 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 mei 2000, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

 

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde sub 1] en anderen als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

  1. Eisers wensen bij deze de navolgende vordering in kort geding in te stellen tegen: 

A. [Naam 1], wonende aan de [straatnaam 5] te [plaats],
B. [Appellant sub B], wonende aan [straatnaam 1] te [plaats],
C. [Naam 2], wonende aan [straatnaam 6] te [plaats]
D. [Naam 3], wonende aan de [straatnaam 7] te [plaats],
E. [Naam 4], wonende aan de [straatnaam 8] te [plaats],
F. De StAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, ten deze domicilie hebbende te zijnen Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat no.3)
gedaagden;

2. Eisers hebben elk een onderneming waarin zij beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten uitoefenen, met name het verlenen van rechtsbijstand aan natuurlijke- en rechtspersonen, zowel in – als buiten rechte, zulks in hun hoedanigheid van advokaat bij het Hof van Justitie en overeenkomstig het Advokatenbesluit.

3. Het sub 2 gestelde houdt onder meer in, dat eisers hun beroep en bedrijf slechts effectief kunnen uitoefenen en dus inkomsten ter voorziening in hun maatschappelijke behoeften kunnen genereren, indien de gerechtelijke procedures die zij voor en ten behoeve van degenen aan wie zij voormelde rechtsbijstand verlenen, voeren en/of moeten voeren door de gerechtelijke autoriteiten, in het bijzonder de President en de leden van het Hof van Justitie op rechtens  deugdelijke en effectieve wijze worden vervolgd en afgewikkeld, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht. Eisers hebben dan ook een rechtens beschermd en te beschermen belang bij een deugdelijke uitoefening van de rechtspraak in Suriname.

4. Gedaagde sub A tot en met E zijn in januari 1999 door de President van de Republiek Suriname benoemd tot lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie van Suriname.

5. Indien gedaagde sub A tot en met E op rechtens juiste wijze zouden zijn benoemd, dan zijn zij echter slechts leden-plaatsvervangers, werkzaam bij het Hof van Justitie. Gedaagden sub A tot en met E zijn  mitsdien geen lid  van het Hof van Justitie. Ingevolge artikel 26 lid 4 van de Wet op de Inrichting en Samenstelling van de  Rechterlijke Macht kunnen leden-plaatsvervangers als voormeld, alleen maar als Kantonrechter optreden of deel uitmaken van een kamer van het Hof van Justitie, indien zij in het  algemeen door de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie tot dat doeleinde zijn aangewezen of in bijzondere gevallen bevoegdelijk door de President van het Hof van Justitie zijn aangewezen daartoe, bij belet of ontstentenis van een lid van het Hof die voor de betrekking van Kantonrechter is aangewezen of is aangewezen als lid van een kamer als voormeld.

6. Eisers hebben informatie  ontvangen, welke bij verificatie juist blijkt te zijn, dat op een bijeenkomst van het lid van het Hof van Justitie, de heer Mr.A.C.Veldema met gedaagden sub A tot en met E op 19 augustus  1999 gedaagden sub A tot en met E zijn aangewezen om de betrekking van Kantonrechter waar te nemen. Een dergelijke aanwijzing kan echter ingevolge artikel 26 van de Wet op de Inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht slechts door de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie van Suriname geschieden. Voormelde  bijeenkomst was echter geen Algemene Vergadering van het Hof van Justitie, aangezien die slechts gevormd wordt door de President, de Vice-president en de leden van het Hof van Justitie.

7. Indien dan ook gedaagden sub A tot en met E anders dan als leden-plaatsvervangers van het Hof van Justitie en, voorzover zij dat rechtens zouden zijn – quod non – krachtens besluit van de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie, welk besluit niet bestaat, deelnemen aan de rechtspleging bij de Kantongerechten of het Hof van Justitie van Suriname, hetzij als Kantonrechter, hetzij als lid van een kamer van het Hof van Justitie, dan heeft zulks tot gevolg dat alle door  hen verrichte processuele handelingen, inclusief het wijzen of mede-wijzen van vonnissen in burgerlijk zaken, ambtenarenzaken en strafzaken, rechtens nietig en van onwaarde zullen zijn. Zulks zal weer tot gevolg hebben, dat eisers ernstig belemmerd zullen worden in een richtige en deugdelijke uitoefening van hun beroep, door dat toch door hen verleende rechtsbijstand in rechte geen resultaat zal hebben of hebben gehad, hetgeen wederom derving van inkomsten met zich brengt.

8. Eisers hebben evenwel vernomen, dat gedaagden sub A tot en met E het voornemen hebben wel deel te nemen aan de rechtspleging als sub 7 vermeld, zonder rechtens lid-plaatsvervanger te zijn en voorzover zij dat rechtens wel zouden zijn, anders dan krachtens besluit van de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie, hetzij op grond van het verhandelde uit hoofde van de sub 6 vermelde bijeenkomst, hetzij uit andere hoofde, hetgeen op grond van het sub 7 gestelde in strijd zou zijn met de zorgvuldigheid die hen in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van eisers betaamt.

9. Gedaagde sub F heeft kenbaar gemaakt voormelde voorgenomen handelingen van gedaagden sub A tot en met E te zullen ondersteunen door onder meer op de Griffie van het Hof van Justitie en de Griffie der Kantongerechten werkzaam personeel, als landsdienaren te dwingen aan de voorgenomen handelingen van gedaagden sub A tot en met E mede te werken, zodat ook harerzijds onrecht dreigt.

10. Eisers hebben dan ook recht en belang tegen voormeld dringend en ernstig onrecht op te komen. Het belang van eisers vordert terzake een onverwijlde voorziening bij voorraad, aangezien voormeld onrecht zich dreigt te manifesteren met ingang van het nieuwe zittingsjaar van het Hof van Justitie en de Kantongerechten per 1 oktober 1999.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut:

I. Gedaagde sub A tot en met E, elk afzonderlijk, zullen worden bevolen zich te onthouden van deelneming als rechter aan de rechtspleging door het Hof van Justitie en te fungeren als Kantonrechter, anders dan krachtens besluit van de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie of een bevoegdelijk door de President van het Hof van Justitie  gegeven aanwijzing.

II. Gedaagde sub F zal worden bevolen de sub I bedoelde bevelen te gehengen en te gedogen.

III. Gedaagde sub A en/of gedaagde sub B en/of gedaagde sub C en/of gedaagde sub D en/of gedaagde sub E (elk afzonderlijk), zal (zullen) worden veroordeeld om voor elke dag of elke keer dat zij het sub I vermelde bevel niet nakomen aan eisers (elk afzonderlijk) ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf.10.000.000,– (TIENMILJOEN GULDEN).

IV.Gedaagde sub F zal worden veroordeeld om voor elke dag of keer dat zij het sub II vermelde bevel niet nakomt, aan eisers ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf.10.000.000,– (TIENMILJOEN GULDEN), Kosten  rechtens;

Overwegende, dat de gedaagden in de hoofdzaak sub A tot en met E een akte van wraking hebben ingediend;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 18 oktober 1999 op de daarin opgenomen gronden:

In het incident:

De voorgestelde wraking heeft afgewezen;                       

In de hoofdzaak:

Partijen de gelegenheid heeft geboden in de onderhavige zaak te pleiten;

Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen in de hoofdzaak schriftelijk bij de Griffier hebben afgeconcludeerd, waarvan is opgemaakt een proces-verbaal waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd; 

Overwegende, dat de gedaagden sub C en D op de ter terechtzitting van 30 maart 2000 bij schriftelijke conclusie van antwoord hebben verklaard dat zij om hun moverende  redenen geen verweer zullen voeren en zich te refereren aan het oordeel van de Rechter;

Overwegende, dat ten dage voor beraad onttrekking zijdens mr.J. Kraag bepaald, diens gemachtigde bij monde van mr.H.P. Boldewijn heeft medegedeeld, dat hij zich als gemachtigde van gedaagden sub B en F aan de zaak onttrekt;                                                                                                                         

Overwegende, dat wijlen Mr.E.J.Bruma, advokaat bij het Hof van Justitie in zijn brief van 13 april 2000, zich als gemachtigde van gedaagde sub C en D heeft onttrokken;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierbij bij vonnis van 2 mei 2000 op de daarin opgenomen gronden:

gedaagden sub A tot en met E, elk afzonderlijk heeft bevolen zich te onthouden van deelneming als rechter  aan de rechtspleging door het Hof van Justitie en te  fungeren als Kantonrechter anders dan  krachtens besluit  van de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie of een    bevoegdelijk door de President van het Hof van Justitie gegeven aanwijzing;

gedaagde sub F heeft bevolen de sub I bedoelde bevelen te gehengen en te gedogen;

gedaagde sub A en gedaagde sub B en gedaagde sub C en gedaagde sub D en gedaagde sub E elk afzonderlijk heeft veroordeeld om voor elke dag dat zij het sub I vermelde bevel niet nakomen aan eisers elk afzonderlijk  ten titel van dwangsom te betalen   het bedrag van Sf.10.000.000,– per dag;

gedaagde sub F heeft veroordeeld om voor elke dag dat hij het sub II    vermelde bevel  niet nakomt, aan eisers ten titel van dwangsom te betalen   het bedrag van Sf.10.000.000,– per dag;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut heeft verklaard;

gedaagden heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen;

het meer of anders  gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [naam 1], [Appellant sub B],[naam 4] en De Staat Suriname in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in Kort ding van 2 mei 2000;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 1 februari 2001 aan geintimeerden aanzegging van het ingesteld hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 18 mei 2001 advokaat Mr.F.F.J.Troon heeft verklaard:” [naam 1], [naam 4] en De Staat Suriname trekken het appel in”;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota, antwoord pleidooi  en repliek pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat wijlen Mr. E. J. Bruma, advocaat, op 9 mei 2004 ter griffie van het kantongerecht een schriftelijke verklaring heeft ingediend volgens welke hij namens [naam 1], [Appellant sub B],[naam 4] en de Staat Suriname in appèl komt van het vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 2 mei 2000, bekend onder A.R. no. 994282;

Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat de appellanten [naam 1],[naam 4] en de Staat Suriname het door hen ingestelde hoger beroep hebben ingetrokken;

Overwegende, dat uit de gedingstukken is op te maken dat [naam 1], [appellant sub B], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] in voormelde zaak de met de behandeling van die zaak belaste Kantonrechter hebben gewraakt en dat bedoelde Kantonrechter de wraking bij vonnis van 18 oktober 1999  heeft afgewezen;

Overwegende, dat [Appellant sub B] in het incident een drietal grieven en in de hoofdzaak een viertal grieven heeft opgeworpen;

Overwegende, dat de in het incident opgeworpen grieven kennelijk betrekking hebben op het in de wrakingszaak gewezen vonnis; dat echter ingevolge artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de beslissingen in zaken van wraking niet aan enig hoger beroep onderworpen zijn, zodat het Hof verder aan bedoelde grieven voorbij kan gaan;

Overwegende, dat de grieven in de hoofdzaak als volgt luiden:

I. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 5e rechtsoverweging aangenomen dat het wederom aan de orde stellen van de ten onrechte als ongegrond afgewezen wraking in flagrante strijd met een goede procesorde zou zijn en dat hij derhalve bespreking van het terzake door hen aangevoerde in het midden zal laten.

II. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in kort geding aangenomen dat deze zaak zich leent voor behandeling in kort geding.

III. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in kort geding in de 10e rechtsoverweging aangenomen dat het in deze zaak om een eenvoudige (onderstreping door appellanten) toepassing van de Grondwet en niet c.q. beslist niet om een diepgaand en verregaand onderzoek naar de vraag of de Grondwet goed is toegepast.

IV. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in kort geding gesteld dat de Nationale Assemblee de benoeming van de heer A.C. Veldema tot President van het Hof van Justitie niet kon bekrachtigen en dat bespreking van dat gestelde dan ook als volkomen irrelevant in het midden kan worden gelaten. 

Overwegende, dat appellant sub B ter toelichting op grief I, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, heeft gesteld dat aangezien de Kantonrechter zich bevoegd achtte de hoofdzaak te behandelen hij, appellant, genoodzaakt was in de hoofdzaak wederom de voorgestelde wraking ter sprake te brengen indachtig het gezegde ”beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald”, zodoende Mr. J.R. von Niesewand alsnog de mogelijkheid biedende zich onbevoegd te verklaren;

Overwegende, dat geintimeerden, voor zoveel hier van belang, hebben aangevoerd dat het duidelijk is dat als de rechter in een geding een rechtsvraag omtrent zijn bevoegdheid heeft beslist, het na die beslissing opnieuw aan de orde stellen van die rechtsvraag slechts tot vertraging van de procedure leidt, vooral wanneer zoals in casu de bedoeling daarbij is de rechtsgang van het geding te frustreren en zulks dan ook op grond van de eisen van een goede procesorde niet kan worden getolereerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter de wraking reeds definitief had afgehandeld en het wederom aan de orde stellen van die wraking daarom geen redelijk belang diende;

Overwegende, dat de Kantonrechter zich, naar ’s Hofs voorlopig oordeel, dan ook op het standpunt kon stellen dat de houding van appellant sub B in strijd was met een goede procesorde; 

Overwegende, dat daarbij in het midden kan blijven of er wel of niet sprake is van flagrante strijd, omdat reeds strijd met een goede procesorde zonder meer, hetwelk de Kantonrechter, zoals boven is overwogen, aanwezig kon achten, het verder onbesproken laten van het aangevoerde rechtvaardigde;  

Overwegende, dat grief I mitsdien niet opgaat;

Overwegende, dat grief II en grief III zich voor gezamenlijke bespreking lenen:

Overwegende, dat appellant sub B zich blijkens de toelichting op deze grieven    bezwaard acht door het feit dat de Kantonrechter in het beroepen vonnis de vraag heeft beantwoord of de President van de Republiek Suriname bij de benoeming van de heer A.C. Veldema tot President van het Hof in strijd met de grondwet heeft gehandeld;

Overwegende, dat appellant sub B blijkens de toelichting op de grieven, kort samengevat, van oordeel is dat, voordat kan worden beslist of de Grondwet goed is toegepast, de vraag moet worden beantwoord hoe, in casu, artikel 141 juncto artikel 133 van de Grondwet moet worden geïnterpreteerd; voorts, dat het niet aan de Kantonrechter in kort geding is om dit onderzoek te doen; dat, aangezien het gaat om een zaak van grote importantie en een diepgaand onderzoek noodzakelijk is, de Kantonrechter toen-eisers naar de bodemrechter had moeten verwijzen;

Overwegende, dat geintimeerden in eerste aanleg, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, hebben aangevoerd dat de feiten vaststaan en de vraag of mr. Veldema overeenkomstig artikel 141 van de Grondwet benoemd is dan ook een zuivere rechtsvraag is, die feitelijk in het geheel niet ingewikkeld is en waarover de rechter zich moet (onderstreping door geintimeerden) uitspreken in een rechtsgeding, ook indien het geen eenvoudige rechtsvraag zou zijn, zoals gedaagden beweren, hetgeen die vraag echter wel is;

Overwegende, dat geintimeerden in hoger beroep hebben verwezen naar artikel 14 van de Wet Algemene Bepalingen van Wetgeving, welke wettelijke bepaling – naar zij stellen – de rechter en dus ook de rechter in kort geding dwingt rechtsvragen te beantwoorden en dus ook aan te geven welke uitleg aan een rechtsregel moet worden gegeven;

Overwegende, dat het Hof voorshands van oordeel is dat, waar niet gesteld of gebleken is dat, in verband met de vraag die door de Kantonrechter is beantwoord, feitelijke onduidelijkheden bestonden, niets hem, Kantonrechter, belette om, zoals hij in casu heeft gedaan, bij de beantwoording van de vraag of de gevraagde voorziening kon worden toegewezen, zijn voorlopig oordeel over die vraag te geven;

Overwegende derhalve, dat ook grief II faalt;

Overwegende, dat toen-gedaagden in eerste aanleg als argument voor het van kracht zijn van de resolutie, waarbij Mr. A.C.Veldema tot President van het Hof van Justitie was benoemd, en voor de rechtmatigheid van die benoeming hebben aangevoerd dat die benoeming inmiddels door de Nationale Assemblee bij motie was bekrachtigd respektievelijk dat de benoeming van Mr.Veldema door de Nationale Assemblee in een vergadering was goedgekeurd; 

Overwegende, dat de Kantonrechter voormelde stellingen kennelijk aldus heeft opgevat en ook kon opvatten dat beweerd werd dat een eventueel gebrek in de vorenbedoelde benoeming door een besluit van de Nationale Assemblee was geheeld;

Overwegende, dat ook toen-eisers bedoelde stellingen aldus hebben opgevat, gelet op hun, hier zakelijk weergegeven, verweer dat de Nationale Assemblee niets van doen had met de benoeming van leden van de Rechterlijke Macht;

Overwegende, dat uit de toelichting op grief IV is op te maken dat toen-gedaagden hebben beoogd te stellen dat de Nationale Assemblee bij een op 5 november 1998 goedgekeurde motie (slechts) tot uitdrukking heeft gebracht dat naar zijn oordeel de procedure, die de regering had gevolgd bij de benoeming van Mr. A.C. Veldema, in overeenstemming is met de vigerende Grondwet van de Republiek Suriname;

Overwegende, dat appellant sub B heeft aangevoerd dat voormeld oordeel van de Nationale Assemblee voor de Kantonrechter in kort geding reden moest zijn om te beseffen dat deze grondwettelijke aangelegenheid niet in kort geding kan worden beslist;

Overwegende, dat de Kantonrechter, anders dan appellant sub B meent, de “grondwettelijke aangelegenheid” niet heeft beslist, maar bij de beantwoording van de vraag of de gevraagde voorziening kon worden toegewezen, daarover zijn voorlopig oordeel heeft gegeven, hetgeen hem, zoals reeds is overwogen, vrijstond;

Overwegende, dat vorenbedoelde motie, waarin de Nationale Assemblee zijn oordeel heeft uitgesproken over een handeling van de regering, geen rechtsbron is en de Kantonrechter derhalve daaraan niet was gebonden;

Overwegende, dat grief IV de appellant sub B evenmin kan baten;

Overwegende, dat nu er geen aanleiding is om ambtshalve anders te beslissen,  het beroepen vonnis, onder aanvulling van gronden, zal worden bevestigd, met veroordeling van de appellant sub B in de op dit hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen proceskosten. 

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Bevestigt onder aanvulling van gronden het vonnis van de Kantonrechter, gewezen en uitgesproken op 2 mei 2000, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant sub B in de proceskosten in  hoger beroep aan de zijde   van de geintimeerden gevallen en begroot op SRD.350,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekend salaris   van SRD.350,–;

Bepalende  het Hof het salaris  van de advokaat van appellant sub B eveneens op SRD.350,–;

 

Aldus gewezen  door: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden 

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 maart 2005, door de Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat  Mr.H.E.Struiken namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.J.Troon en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.C.J.Bleau namens hun gemachtigde, advokaat  Mr.M.I.Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.