SRU-K1-2026-2

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer CIVAR no. 202504857
  • Uitspraakdatum 23 juni 2026
  • Publicatiedatum 23 juni 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    In het incident heeft de kantonrechter voorop gesteld dat voor toewijsbaarheid van een vordering op grond van artikel 843a lid 1 Rv Nieuw (vordering tot inzage), er aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, te weten:
    1) de eiser moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift;
    2) het moet gaan om bepaalde bescheiden;
    3) de vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker partij is.
    Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Baitali niet aan deze voorwaarden voldaan. De vordering is dan ook afgewezen met veroordeling van Baitali in de proceskosten.

    Ten aanzien van de vordering tot verhoging van de dwangsommen ziet de kantonrechter zich ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of een hogere dwangsom kan worden opgelegd aan een veroordeelde, indien de veroordeelde een lagere dwangsom is opgelegd dan oorspronkelijk was gevorderd. Deze vraag dient naar het oordeel van de kantonrechter ontkennend te worden beantwoord. Reden hiertoe is het volgende. Zoals uit de feiten blijkt, is het veroordelend vonnis op 25 juli 2025 in kracht van gewijsde gegaan, hetgeen betekent dat het veroordelend vonnis op vermelde datum onherroepelijk is geworden. In het veroordelend vonnis is een beslissing gegeven op de vordering van Baitali en is een dwangsom als onderdeel daarvan vastgesteld. Met dit veroordelend vonnis, waartegen Baitali geen hoger beroep heeft ingesteld en waartegen hoger beroep evenmin nog mogelijk is, is deze procedure dan ook beëindigd. Het is niet mogelijk om vervolgens in een nieuwe procedure bij de kantonrechter alsnog toewijzing te vragen van het gedeelte van de vordering dat is afgewezen, omdat dit in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat een inhoudelijke beoordeling van stellingen en verweren van partijen, nadat op de vordering is beslist, slechts door een bij wet aangewezen beroepsinstantie kan plaatsvinden.

    De Staat vordert schorsing van de verdere executie van een vonnis dat reeds in kracht van gewijsde is gegaan. Er bestaat in dit geval slechts grond voor schorsing in geval van misbruik van (executie)recht overeenkomstig de in artikel 3:13 BW genoemde maatstaf. Slechts onder bijzondere omstandigheden wordt aangenomen dat hiervan sprake is. Misbruik van recht kan onder meer worden aangenomen indien de executant (in casu Baitali) geen redelijk te respecteren belang heeft bij de executie, mede gelet op de belangen aan de zijde van de veroordeelde die door de executie zullen worden geschaad, of als er daardoor aan de zijde van de veroordeelde een noodsituatie zou ontstaan.

    De kantonrechter komt op grond van hetgeen partijen ter comparitie hebben aangevoerd tot het voorlopig oordeel dat Baitali geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de verdere tenuitvoerlegging van het veroordelend vonnis. De enige schade die Baitali lijdt is, zoals zij zelf aangeeft reputatieschade en dat zij, zoals de kantonrechter het begrijpt, door niet aanmerking te komen voor de gunning zij de 100% betaling middels de IDB financiering zal mislopen. Dit, terwijl Baitali zelf heeft verklaard dat de Staat schriftelijke toezeggingen aan haar heeft gedaan om aan de door haar te stellen voorwaarden in het kader van het nog te tekenen dadingsovereenkomst te zullen voldoen. Hiertegenover staat dat het in stand blijven houden van de huidige situatie de Staat behoorlijk in de kosten jaagt, er dagelijks files ontstaan op de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat die onder het project vallen, de veiligheid op die wegen niet gegarandeerd is vanwege de slechte staat waarin ze verkeren en de hele economische ontwikkeling in die omgeving hierdoor in gevaar dreigt te komen. Dit alles in onderling samenhang beschouwd en gelezen brengt de kantonrechter tot de slotsom dat Baitali misbruik maakt van haar executierecht (het veroordelend vonnis).

    Aanbesteding; misbruik van executierecht; artikel 843a Rv en dwangsommen.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202504857
23 juni 2026

Vonnis in kort geding in de zaak van:

AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ BAITALI N.V.,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan no. 29 te Paramaribo,
eiseres in het incident,
eiseres in conventie in de hoofdzaak, tevens gedaagde in reconventie in de hoofdzaak,
hierna te noemen: Baitali,
gemachtigde: mr. G.N. Best, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Openbare Werken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde in het incident,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak, tevens eiseres in reconventie in de hoofdzaak,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 23 december 2025 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis d.d. 08 januari 2026;
– de conclusie van antwoord en van eis in reconventie, met producties;
– de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties, tevens de eis in het incident;
– de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens het antwoord in het incident;
– de conclusie van dupliek in reconventie;
– de gehouden comparitie van partijen en mondelinge uitlating van partijen na de gehouden comparitie d.d. 18 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 Tussen de Republiek Suriname en de Inter-American Development Bank (hierna: IDB) is een leningsovereenkomst gesloten ter financiering van het project “Improving Transport Logistics and Competitiveness in Suriname.”. Hieronder valt ook het project “Construction of Van ’t Hogerhuysstraat and Slangenhoutstraat”.

2.2 Vanwege budgetbeperking (niet beschikken over middelen uit de begroting) zijn onder andere de Slangenhoutstraat en de Van ’t Hogerhuysstraat geïdentificeerd om uit de IDB-lening te worden gefinancierd.

2.3 In oktober 2024 heeft de Staat bekend gemaakt dat een openbare aanbesteding zal worden gehouden voor het aanleggen van nieuwe wegen aan de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat te Paramaribo en dat het zal worden gefinancierd uit een lening van de Inter-American Development Bank (hierna: IDB).

2.4 Baitali is een van de aannemers die zich heeft ingeschreven voor de aanbesteding.
Op 12 maart 2025 heeft de Staat Baitali schriftelijk bericht dat haar inschrijving is afgewezen en dat hij voornemens is het werk aan een andere inschrijver te gunnen. Daarbij heeft de Staat de redenen tot afwijzing van de inschrijving aan Baitali kenbaar gemaakt.

2.5 Baitali kan zich niet terugvinden in de afwijzing en heeft in dat licht op 07 april 2025 een kortgedingzaak (bekend onder CIVAR No. 202501387) aangespannen tegen de Staat, waarbij Baitali primair heeft gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance intrekt;
B. de Staat beveelt de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond staakt en gestaakt houdt;
C. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance alsook de staking van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst terstond bekend maakt aan alle inschrijvers;
D. de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst opschort, totdat de Staat het werk aan hem heeft gegund dan wel een nieuw besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, welk besluit dient te voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
E. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de opschorting van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;
F. bij wege van onmiddellijke voorziening, de Staat bij aanvullende oproepbeschikking verbiedt de aanbestedingsprocedure voort te zetten of het werk te gunnen of met betrekking tot dat werk een aannemingsovereenkomst aan te gaan dan wel de Staat beveelt iedere uitvoering van een aannemingsovereenkomst met betrekking tot dat werk staakt, totdat de kantonrechter vonnis zal hebben gewezen in de onderhavige kortgedingzaak;
G. de Staat veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die hij aan Baitali zal verbeuren voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder A tot en met F gevorderde, waarbij zal gelden dat enige dwangsomveroordeling telkens afzonderlijk wordt opgelegd voor elke overtreding van enig ge- of verbod;
H. de Staat veroordeelt in de kosten van het geding.

2.6 Op 10 juli 2025 heeft de kantonrechter vonnis in de hiervoor vermelde kortgedingzaak gewezen. In het vonnis (hierna: het veroordelend vonnis) heeft de kantonrechter onder meer het volgende beslist:
“ 5.1 beveelt de Staat om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de Notification of Intention to Award, het besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance in te trekken;
5.2 beveelt de Staat om over te gaan tot herbeoordeling van de inschrijving van Baitali, met inachtneming van dit vonnis;
5.3 beveelt de Staat om de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst te staken en gestaakt te houden, totdat de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali heeft plaatsgevonden;
5.4 beveelt de Staat om, na de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance alsook de staking en het gestaakt houden van de uitvoering van de reeds aangegane aannemingsovereenkomst, zulks terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;
5.5 veroordeelt de Staat tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat in strijd handelt met hetgeen in 5.1 tot en met 5.4 van dit vonnis is beslist, tot een maximum van SRD 10.000.000,-.”

2.7 Baitali heeft het veroordelend vonnis op 17 juli 2025 per exploot van een deurwaarder doen betekenen aan de Staat.

2.8 Op 21 juli 2025 heeft de Staat hoger beroep aangetekend tegen het veroordelend vonnis. Op 25 juli 2025 heeft de Staat het hoger beroep ingetrokken.

2.9 Tussen Baitali en de Staat zijn hierna diverse correspondenties gevoerd.
Naar aanleiding van een schrijven van IDB gericht aan de Minister van Openbare Werken d.d. 01 augustus 2025, heeft Baitali hierover bij schrijven van 06 augustus 2025, voor zover relevant, het volgende aan de President van de Republiek Suriname (de Staat) medegedeeld:
“ In bewust schrijven wordt gesteld dat de financiering van bovengenoemd infrastructureel project zal vervallen indien de Staat uitvoering geeft aan het vonnis van de kantonrechter d.d. 10 juli 2025.
In dat vonnis is geoordeeld dat de genomen gunningsbeslissing onrechtmatig is en dat de aanbieding van AMB opnieuw moet worden beoordeeld.
De IDB lijkt met haar stellingname een fundamenteel beginsel van onze democratische rechtsstaat te ondermijnen: de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de plicht van de Staat om rechterlijke uitspraken te respecteren en uit te voeren.
Indien de IDB dit standpunt handhaaft, dreigt de indruk te ontstaan dat externe financiers zich boven onze nationale rechtsorde plaatsen – een ontwikkeling die haaks staat op de principes van samenwerking met wederzijds respect.

Het is voor ons onbegrijpelijk dat naleving van een bindende rechterlijke uitspraak zou worden gezien als “een afwijking” zijdens de Staat Suriname, die tot stopzetting van financiering zou leiden, zeker gezien het feit dat het project door exact dezelfde IDB eerder is stopgezet vanwege integriteitskwestie en opnieuw is aanbesteed.
Nu de Surinaamse rechter onregelmatigheden heeft geconstateerd, schermt de IDB ineens met intrekking van de financiering.

Wij vrezen dat het precedent wordt geschapen – waarbij een internationale financier eist dat de Staat haar rechtsverplichtingen negeert – verregaande gevolgen heeft. Niet alleen voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid, maar ook voor de legitimiteit van toekomstige projecten gefinancierd door multilaterale instellingen.
Als de IDB dit standpunt handhaaft, plaatst zij zich duidelijk in de praktijk boven de rechter én boven de Grondwet.

Wij doen daarom een dringend beroep op u:
om publiekelijk en ondubbelzinnig aan de IDB te bevestigen dat Suriname als rechtstaat gebonden is aan rechterlijke uitspraken;
om het signaal aan de IDB af te geven dat Suriname niet onderhandelt over zijn constitutionele plichten;
om als Hoofd van de Regering te waken over de scheiding der machten en zo het gezag van de rechtspraak te waarborgen.

Wij hebben er alle vertrouwen in dat u – zoals u in uw inaugurele reden heeft benadrukt – zult staan voor integer bestuur en het versterken van het vertrouwen van de samenleving in haar instituties.
Het bevestigen van de rechtsstatelijke orde – door het naleven van rechterlijke uitspraken – is niet alleen van belang voor het binnenlands vertrouwen, maar ook voor de internationale geloofwaardigheid van Suriname als betrouwbare partner.”

2.10 Bij schrijven van 06 augustus 2025 heeft Baitali, voor zover van belang, in het kader van het veroordelend vonnis, het volgende aan de Minister van Openbare Werken kenbaar gemaakt:
‘ […]
Wij verzoeken u dringend het volgende:
Het vonnis van 10 juli 2025 integraal uit te voeren;
De Notification of Award aan de geselecteerde inschrijver in te trekken, nu deze op grond van het vonnis van 10 juli 2025 en overeenkomstig het Surinaams recht als nietig moet worden beschouwd;
Het evaluatieproces te heropenen, onder begeleiding van een onafhankelijke en niet-partijdige Project Executing Unit (PEU), en met strikte inachtneming van de aanbestedingsregels;
De IDB formeel te informeren over de noodzaak tot eerbiediging van het vonnis en de geboden procedurele zorgvuldigheid.

Wij staan open voor overleg op korte termijn, bij voorkeur met deelname van juridische vertegenwoordiging van alle partijen, teneinde de beginselen van rechtvaardigheid en transparantie te herstellen.

Tot Slot
In het publieke debat is regelmatig gewezen op mogelijke schadeclaims als reden om rechterlijke uitspraken te negeren of controversiële gunningsbesluiten alsnog te effectueren. Wij houden er rekening mee dat in de overwegingen van het ministerie mogelijk ook een afweging wordt gemaakt tussen risico’s van mogelijke schadeclaims van andere aannemers en de gevolgen voor het uitvoeren van het vonnis. In dat verband wensen wij te benadrukken dat de aanspraken van Baitali zich bij het uitblijven van de uitvoering van het vonnis niet zullen beperken tot de reeds verbeurde dwangsommen.

Wij onderkennen dat dergelijke risico’s bestuurlijke druk kunnen veroorzaken. Maar in een rechtstaat geldt: eventuele schade behoort niet te worden afgewenteld op de samenleving, maar dient te worden verhaald op degenen die verantwoordelijk zijn voor procedurele onregelmatigheden of malversaties.

In deze specifieke casus betreft dat de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB), de Project Executing Unit (PEU) en het Ministerie van Openbare Werken. Angst voor schadeclaims mag geen vrijbrief zijn om het recht te buigen – integendeel, het echt moet worden gehandhaafd zodat gerechtigheid zijn werk kan doen. Alleen op die manier kunnen vertrouwen in instituties en eerbiediging van de rechtsstaat behouden blijven.”.

2.11 De Staat heeft bij schrijven van 14 november 2025 aan Baitali medegedeeld dat Openbare Werken (die valt onder de Staat) zal overgaan tot de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali. Tevens heeft de Staat aan Baitali medegedeeld dat voor de herbeoordeling een onafhankelijke ad hoc benoemde commissie (hierna: evaluatiecommissie) is ingesteld, die binnen 2 weken het advies aan Openbare Werken zal uitbrengen en dat afhankelijk van de uitkomst van de herbeoordeling nadere gesprekken en acties ondernomen zullen worden door de Staat.

2.12 Op 20 november 2025 heeft Baitali, voor zover relevant, de volgende reactie gegeven op het hiervoor vermeld schrijven van de Staat:
“ […]
Het vonnis staat er, wat ons betreft, aan in de weg dat de Staat slechts een deel daarvan uitvoert, terwijl andere delen van het vonnis onuitgevoerd blijven. Verder is van groot belang voor de uitvoering van het vonnis dat daarbij de juiste volgorde wordt aangehouden. Tot slot gaat het niet aan het vonnis uit te voeren op een wijze die in strijd is met de toepasselijke aanbestedingsregels van de financier van het project, de IDB, aangezien dat ertoe kan leiden dat de financiering wordt ingetrokken, met alle gevolgen van dien voor, onder andere, Aannemingsmaatschappij Baitali N.V. (“Baitali”).

Gelet op het feit dat het vonnis al op 17 juli 2025 aan de Staat is betekend, maken wij ons grote zorgen over het feit dat de Staat nu pas, ruim vier maanden later, zover is dat zij uitvoering wenst te geven aan het vonnis en wel op de wijze die, wat ons betreft, onverenigbaar is met het dictum van het vonnis.

Gelet op het voorgaande, doen wij een dringend beroep op u de door u aangekondigde uitvoering te heroverwegen, door:
het vonnis in de juiste volgorde uit te voeren, te beginnen bij de intrekking van de Notification of Intention to Award, het besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance;
de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali met inachtneming van het vonnis te plegen conform de toepasselijke aanbestedingsregels van de IDB; en
de intrekking van de Notafication of Intention to Award, het besluit op het bezwaarschrift van Baitali van de Letter of Acceptance terstond bekend te maken aan alle inschrijvers.”

2.13 De evaluatiecommissie heeft de herbeoordeling gedaan en heeft het evaluatierapport ter zake aan de Staat aangeboden. De evaluatiecommissie is na herbeoordeling tot de conclusie gekomen dat de inschrijving van Baitali niet in aanmerking komt voor verdere evaluatie of gunning.
De evaluatiecommissie heeft in het evaluatierapport, waarin een hele uiteenzetting is vervat hoe de evaluatiecommissie bij de herbeoordeling te werk is gegaan, onder andere de volgende samenvatting en eindconclusie vermeld:
“ 1. Aanneming-Maatschappij Baitali N.V. heeft de voorgeschreven BID-formatie uit Section IV correct gebruikt. De ingediende jaarverslagen voldoen echter niet aan de eisen van het aanbestedingsdocument (Bidding Document), dat expliciet vereist dat audited (gecontroleerde) financial statements worden overgelegd. In plaats daarvan zijn niet-geauditeerde financiële documenten met samenstellingsverklaringen ingediend, waarin bovendien geconsolideerde cijfergegevens worden gepresenteerd. Dit is in strijd met de wet op de Jaarrekening (S.B. 2017 no. 84), die een enkelvoudige jaarrekening voorschrijft.

2. Daarnaast is vastgesteld dat de naamvoering in de samenstellingsverklaringen – waarin wordt verwezen naar “Verenigde Bedrijven Aannemings-Maatschappij Baitali N.V.”, inclusief buitenlandse dochterondernemingen – niet overeenkomt met de gegevens in het KKF-uittreksel en het ingediende BID-document. Ook zijn inconsistenties geconstateerd in functie titels van dezelfde persoon. Aannemings-Maatschappij Baitali N.V. dient zorg te dragen voor actuele en consistente Kamer van Koophandel-documentatie. Verder moeten accountantsverklaringen geaudit (gecontroleerd) zijn, zodat ondubbelzinnig kan worden vastgesteld wie verantwoordelijk is voor de financiële informatie.

3. Door het ontbreken van gecontroleerde (audit) jaarrekeningen kunnen de financiële must meet requirements uit Section III – waaronder de vereiste cashflow capaciteit van USD 5.5 miljoen, de minimum average annual construction turnover van USD 12.9 miljoen, en de via FIN03.1 en FIN-3.2 aan te tonen financiële geschiktheid – niet worden gevalideerd.

4. Aannemings-Maatschappij Baitali N.V. heeft verklaard zonder voorbehoud akkoord te gaan met het Biding Document en de beoordelingsmethodiek volgens ITB 8 en ITB 35-40, en is daarmee gebonden aan de beoordeling op deze must requirements.

5. De Commissie concludeert dat Aannemings-Maatschappij Baitali N.V. niet voldoet aan de financiële must meet requirements zoals vereist door zowel het IDB-Biding Document als de nationale wetgeving.
De inschrijving komt daarom niet aanmerking voor verdere evaluatie of gunning.”

2.14 Bij schrijven van 02 januari 2026 heeft de Staat Baitali schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomst van de herbeoordeling en heeft daarbij een exemplaar van het uitgebreid evaluatierapport herbeoordeling aan Baitali doen toekomen ter kennisname.
Baitali kan zich niet terugvinden in het resultaat van de herbeoordeling en heeft hiertegen bezwaar aangetekend.

3. In het incident
De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
De vordering in het incident
3.1 In het incident vordert Baitali op de voet van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Nieuw (hierna: Rv Nieuw) dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding:
A) de Staat gebiedt om binnen 2 dagen na dagtekening van het vonnis op deze incidentele vordering aan Baitali een afschrift te verstrekken van het onderhandelingsrapport oftewel de negotiation minutes en alle overige documenten die op 7 maart 2025 aan de IDB zijn doorgestuurd voor goedkeuring, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000.000,- per overtreding en SRD 1.000.000,- per dag dat deze overtreding zal voortduren;
B) de Staat veroordeelt in de kosten van het incident, aan Baitali te voldoen binnen 2 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn.

De grondslag van de vordering in het incident
3.2 Baitali legt, samengevat, het volgende aan het gevorderde in het incident ten grondslag. De Staat verwijst in zijn reconventionele eis uitdrukkelijk naar een rapport dat zou zijn opgesteld naar aanleiding van onderhandelingen die op 07 maart 2025 hebben plaatsgevonden met een inschrijver (Kuldipsingh) voorafgaand aan het uitsturen van de Notification of Intention Award. De Staat heeft hiermee niet in overeenstemming gehandeld met de toepasselijke aanbestedingsregels. Het contact of de afstemming tussen de Staat en Kuldipsingh heeft buiten het formele aanbestedingskader plaatsgevonden. Dit is in strijd met het transparantiebeginsel en is hierdoor van rechtswege nietig. Tegen deze achtergrond is het bevel tot intrekking van de Notification of Intention to Award door de kantonrechter gegeven. Door in strijd met het veroordelend vonnis de Notification of Intention to Award niet in te trekken en deze feitelijk in stand te laten, laat de Staat de onrechtmatige rechtspositie voortbestaan.

Het verweer in het incident
3.3 De Staat concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident. Hiertoe stelt hij dat de vordering te ruim is, disproportioneel, onvoldoende bepaald, ongefundeerd en in strijd met de noodzakelijke vereisten bij wet bepaald. Hij betwist dat aan de vereisten voor een vordering tot afgifte van bescheid is voldaan. De vordering is volgens de Staat te ruim en heeft het karakter van een “fishing expedition”.
De Staat voert voorts aan dat conform de vereisten van artikel 843a Rv Nieuw een belanghebbende een beroep mag doen op dit artikel, voor zover zulks betrekking heeft op een rechtsbetrekking met de belanghebbende of diens rechtsvoorganger. De documenten waar Baitali inzage in zou willen krijgen, hebben betrekking op Kuldipsingh en niet op Baitali. De Staat werpt op dat IDB eerst het evaluatierapport heeft goedgekeurd alvorens de onderhandelingen tussen de inschrijver en de Staat hebben plaatsgevonden. Onderhandelingen na evaluatie zijn wel toegestaan, daar de internationale voorschriften inzake aanbesteding van werken en diensten of leveringen die hebben gegolden bij deze aanbesteding ook zijn gehanteerd. Er is volgens de Staat geen sprake van schending van aanbestedingsregels.

3.4 Op de stellingen van partijen in het incident zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. In de hoofdzaak
De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
4.1 De vordering in conventie
Baitali vordert in conventie dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding:
A) de Staat veroordeelt om, in plaats van hetgeen in randnummer 5.5 van het veroordelend vonnis geoordeeld is, een dwangsom van SRD 1.000.000,- per dag aan haar te betalen, voor iedere dag dat hij niet voldoet aan hetgeen in 51 tot en met 5.4 van dat vonnis is beslist;
B) de Staat veroordeelt in de proceskosten.

De grondslag van de vordering in conventie
4.2 Baitali legt, samengevat, het volgende aan het gevorderde ten grondslag. Zij had in de zaak die heeft geleid tot het veroordelend vonnis (hiervoor vermeld in 2.6) gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die de Staat aan Baitali zou verbeuren. De rechter is bij het veroordelend vonnis hiervan afgeweken en heeft in stede hiervan een dwangsom van SRD 5.000,- toegewezen tot een maximum van SRD 10.000.000,-.
De reeds opgelegde dwangsom schijnt geen afdoende prikkel te zijn voor de Staat om het veroordelend vonnis uit te voeren. Baitali heeft op grond van vaste rechtspraak het recht om verhoging van de dwangsom te vorderen.

4.3 Baitali stelt als spoedeisend belang het volgende. Indien de gunning aan een andere inschrijver of een aannemingsovereenkomst met de andere inschrijver wordt uitgevoerd, zonder dat volledig is voldaan aan het veroordelend vonnis, zullen het gunningsbesluit en de aannemingsovereenkomst, wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nietig respectievelijk vernietigbaar zijn, hetgeen tot grote schade zijdens Baitali, de Staat en de andere inschrijver zal leiden.

Het verweer in conventie
4.4 De Staat concludeert tot niet – ontvankelijkheid van Baitali in het gevorderde en afwijzing van het door Baitali gevorderde.
Hiertoe stelt de Staat, samengevat, het volgende. Hij heeft uitvoering gegeven aan de kernveroordeling, te weten de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali. Ter uitvoering hiervan is bij ministeriële beschikking van 17 november 2025 een ad hoc onafhankelijke evaluatiecommissie ingesteld, hetgeen bij schrijven van 14 november 2025 aan Baitali is medegedeeld. Hiermee is elk gerechtvaardigd en redelijk belang van Baitali bij de verdere uitvoering van het veroordelend vonnis komen te vervallen, waardoor dan ook ieder spoedeisend belang ontbreekt.

De vordering in reconventie
4.5 De Staat vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding:
a) de onmiddellijke stopzetting c.q. schorsing van de verdere executie van het veroordelend vonnis gelast;
b) de dwangsommen gekoppeld aan het veroordelend vonnis te mitigeren naar nihil, met ingang van 2 januari 2026;
c) Baitali verbiedt om het veroordelend vonnis wederom te executeren, totdat hierover definitief anders mocht zijn beslist, zulks op straffe van een dwangsom van
SRD 5.000.000,- voor elke dag of keer dat Baitali in strijd mocht handelen met dit verbod;
d) Baitali verbiedt om op welke wijze dan ook direct of indirect, de voortzetting van het project zoals in de eis omschreven te verhinderen, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 5.000.000,- voor elke dag of keer dat Baitali in strijd mocht handelen met dit verbod;
e) Baitali veroordeelt tot vergoeding van de gemachtigde salaris van de advocaat van de Staat;
f) Baitali veroordeelt tot betaling van alle overige proceskosten en de executiekosten.

De grondslag van de vordering in reconventie
4.6 De Staat grondt de vorderingen in reconventie op misbruik van executierecht. Daartoe stelt hij dat Baitali geen in redelijkheid te respecteren belang meer heeft bij verdere executie van het veroordelend vonnis. Verdere executie zal leiden tot onevenredig nadeel tegen de Staat, het algemeen belang en het direct belang van derden.
Hiertoe stelt de Staat, onder meer het volgende:
– in een schrijven van augustus 2025 heeft de IDB ondubbelzinnig aangegeven dat intrekking van de gunningsdocumenten, onherroepelijk zal resulteren in het wegvallen van de financiering van het geheel project. Het volledig uitvoering geven aan het veroordelend vonnis zal tot gevolg hebben dat :
– middelen van de lening (groot USD 22.711.967,-) die bestemd zijn voor deze werken door de IDB geblokkeerd zullen worden;
– de Staat de betaling c.q. aanneemsom uit eigen middelen zal dienen te voldoen aan de alsdan (na eventuele herbeoordeling zoals de kantonrechter voorschrijft) gekozen aannemer;
– de aannemer aan wie de gunning is gegeven een claim van minimaal USD 10.000.000,- zal kunnen leggen op de Staat als het contract niet aan hem conform de aanbestedingsprocedure wordt gegund, omdat de aannemer de documenten die nodig zijn voor de uitvoering van het werkcontract, de daarbij behorende uitvoeringsgarantie en voorschotgarantie reeds heeft ingediend. De Staat beschikt niet over de hierboven genoemde geldmiddelen (vreemde valuta);
– het veroordelend vonnis een nog grotere invloed heeft op bilaterale partners van de Staat Suriname.;
– het project heeft betrekking op de strategische ontsluitingsroute tussen de districten Paramaribo, Commewijne en Wanica. Het behoud van de IDB-financiering is gelet op de urgentie van de aanleg van voormelde wegen van essentieel belang, omdat de Staat niet beschikt over voldoende financiële middelen om het project te financieren;
– er heeft al een gedeeltelijke uitvoering van het veroordelend vonnis, met name de herbeoordeling, plaatsgevonden. Deze feiten en omstandigheden maken de verdere executie van het veroordelend vonnis onaanvaardbaar en ontoelaatbaar;
– de kosten voor het begaanbaar houden van de Van ’t Hogerhuysstraat zijn voor de Staat hoger geworden. Deze kosten waren niet voorzien op de (Staats)begroting. Vanaf april 2025 heeft het on hold zetten van het project, de Staat al meer dan USD 73.000,- gekost aan herstelwerkzaamheden om voornamelijk de Van ’t Hogerhuysstraat berijdbaar te houden voor de samenleving. De Staat zal steeds herstelwerken (lapwerkzaamheden) moeten uitvoeren totdat het project duurzaam kan worden uitgevoerd. De kosten hiervoor blijven danig oplopen.

Het verweer van Baitali in reconventie
4.7 Baitali concludeert tot afwijzing van de vordering van de Staat. Hiertoe voert zij hetgeen zij in conventie aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat de Staat zonder grondige reden het veroordelend vonnis niet uitvoert. Zij werpt op dat de IDB ingevolge de Loan Contract (lees: leenovereenkomst) niet bevoegd is de financiering stop te zetten. D Staat is verplicht de IDB te dwingen tot naleving van deze leenovereenkomst.
Tevens voert Baitali aan dat dat er geen reden is tot het matigen van de dwangsommen conform artikel 611d Rv Nieuw. De Staat heeft niet redelijkerwijs al het mogelijke gedaan om aan het veroordelend vonnis te voldoen.

4.8 Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

5. De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak
Het toepasselijk recht
5.1 Op 01 mei 2025 is het nieuwe Burgerlijk Wetboek (hierna: NBW) in werking getreden. Op grond van artikel 2 van de overgangswet NBW (hierna: Overgangswet I) heeft het NBW vanaf de inwerkingtreding onmiddellijke werking, tenzij anders is bepaald.

5.2 Per 01 mei 2025 is ook het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv Nieuw) in werking getreden. Ingevolge artikel 11 van de Overgangswet aanpassingswetgeving NBW (hierna: Overgangswet II) worden gedingen die vóór de inwerkingtreding aanhangig zijn gemaakt, volledig afgedaan volgens de bepalingen van het oud Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij anders is bepaald. Nu onderhavige vordering na de inwerkingtreding van het Rv Nieuw is ingediend, zijn de procesrechtelijke voorschriften hiervan van toepassing op de beoordeling daarvan.

In het incident
5.3 De kantonrechter stelt voorop dat voor toewijsbaarheid van een vordering op grond van artikel 843a lid 1 Rv Nieuw (vordering tot inzage), er aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, te weten:
1) de eiser moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift;
2) het moet gaan om bepaalde bescheiden;
3) de vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker partij is.

5.4 Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet de vordering van Baitali aan geen van de hiervoor in 5.3 bij wet gestelde voorwaarden.
Hieruit volgt dat de Staat slaagt in het door hem in 3.3 van dit vonnis opgeworpen verweer. De vordering in het incident zal daarom worden geweigerd.

5.5 Baitali zal in het incident, als de in het ongelijk gestelde partij, jegens de Staat worden veroordeeld tot betaling van het liquidatietarief ad SRD 7.500,-. Deze veroordeling zal op de voet van artikel 55 Rv Nieuw uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

In de hoofdzaak
In conventie
5.6 De kantonrechter verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van de Staat, omdat uit de aard van de stellingen van Baitali wel het spoedeisend belang blijkt. Dat er een herbeoordeling van de inschrijving heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders.

5.7 Zoals de kantonrechter Baitali begrijpt, vordert zij verhoging van de reeds aan de Staat opgelegde dwangsom, omdat de kantonrechter een lagere dwangsom bij het veroordelend vonnis aan de Staat heeft opgelegd dan wat zij had gevorderd, hetgeen onvoldoende een prikkel geeft aan de Staat om te voldoen aan het veroordelend vonnis. In dat licht ziet de kantonrechter zich ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of een hogere dwangsom kan worden opgelegd aan een veroordeelde, indien de veroordeelde een lagere dwangsom is opgelegd dan oorspronkelijk was gevorderd. Deze vraag dient naar het oordeel van de kantonrechter ontkennend te worden beantwoord. Reden hiertoe is het volgende. Zoals uit de feiten blijkt, is het veroordelend vonnis op
25 juli 2025 in kracht van gewijsde gegaan, hetgeen betekent dat het veroordelend vonnis op vermelde datum onherroepelijk is geworden. In het veroordelend vonnis is een beslissing gegeven op de vordering van Baitali en is een dwangsom als onderdeel daarvan vastgesteld. Met dit veroordelend vonnis, waartegen Baitali geen hoger beroep heeft ingesteld en waartegen hoger beroep evenmin nog mogelijk is, is deze procedure dan ook beëindigd. Het is niet mogelijk om vervolgens in een nieuwe procedure bij de kantonrechter alsnog toewijzing te vragen van het gedeelte van de vordering dat is afgewezen, omdat dit in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat een inhoudelijke beoordeling van stellingen en verweren van partijen, nadat op de vordering is beslist, slechts door een bij wet aangewezen beroepsinstantie kan plaatsvinden.

5.8 Hetgeen hiervoor in 5.7 is overwogen, geeft de kantonrechter aanleiding het gevorderde in conventie te weigeren. Bovendien blijkt uit het feitenrelaas dat de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali wel heeft plaatsgevonden en dat Baitali hiervan schriftelijk in kennis is gesteld door de Staat. De voorlopige slotsom is dat de Staat reeds is aangevangen met het uitvoering geven aan het veroordelend vonnis en grotendeels al uitvoering hieraan heeft gegeven. Dat Baitali zich niet kan terugvinden in de uitkomst van de herbeoordeling van de evaluatiecommissie maakt dit niet anders.

5.9 De overige stellingen van partijen in conventie behoeven geen verdere bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst zullen leiden.

5.10 Baitali zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij jegens de Staat in het liquidatietarief ad SRD 5.000,- worden veroordeeld, welke veroordeling op de voet van artikel 55 Rv Nieuw uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

In reconventie
5.11 Het spoedeisend belang van de Staat blijkt uit de aard van de stellingen en het door hem gevorderde. De vordering in reconventie leent zich dus voor behandeling in kort geding.

5.12 De kantonrechter stelt vast dat het veroordelend vonnis op 25 juli 2025 in kracht van gewijsde is gegaan. De Staat vordert schorsing van de verdere executie van een vonnis dat reeds in kracht van gewijsde is gegaan. Er bestaat in dit geval slechts grond voor schorsing in geval van misbruik van (executie)recht overeenkomstig de in artikel 3:13 BW genoemde maatstaf. Slechts onder bijzondere omstandigheden wordt aangenomen dat hiervan sprake is. Misbruik van recht kan onder meer worden aangenomen indien de executant (in casu Baitali) geen redelijk te respecteren belang heeft bij de executie, mede gelet op de belangen aan de zijde van de veroordeelde die door de executie zullen worden geschaad, of als er daardoor aan de zijde van de veroordeelde een noodsituatie zou ontstaan.

5.13 Ter comparitie van partijen d.d. 18 juni 2026 heeft Baitali verklaard dat haar belang bij de verdere executie van het veroordelend vonnis daarin is gelegen dat zij reputatieschade lijdt als gevolg van de diskwalificatie. Zij heeft ook verklaard dat een IDB project voor haar aantrekkelijk is, omdat bij zo een project de aannemer bij declaratie 100% betaling krijgt aan het eind van de maand, hetgeen zeer belangrijk is voor de cashflow van het bedrijf. Bij projecten die uit middelen van de Staat worden gefinancierd, is dat niet het geval en wordt de aannemer laat uitbetaald. Zij voert aan dat partijen (Baitali en de Staat) op 29 april 2026 overleg hebben gehad voor het tekenen van een dadingsovereenkomst (in concept), waarbij de Staat aan een aantal voorwaarden dient te voldoen. Het tekenen van de dadingsovereenkomst zou volgens Baitali leiden tot intrekking van de onderhavige zaak en de zaak waarin de Staat is veroordeeld. De Staat heeft toezeggingen gedaan om aan de voorwaarden te voldoen, doch weigert hij de concept dadingsovereenkomst ter zake te tekenen.

5.14 Ter comparitie van partijen d.d. 18 juni 2026 heeft de Staat onder meer het volgende verklaard. Intrekking van de Letter of Award zou betekenen dat de IDB de financiering zou stopzetten met als gevolg dat het project niet op korte termijn uitgevoerd zal kunnen worden. De Staat zal opnieuw een aanbestedingsprocedure moeten opstarten en dat zal bijkans een jaar of twee jaren duren. Ook aan het opstarten van een nieuwe aanbestedingsprocedure zijn er kosten verbonden. Vanuit de samenleving is de druk zodanig hoog om het probleem aan de Van ’t Hogerhuysstraat structureel aan te pakken. Het gaat niet alleen om het asfalteren van de weg, maar ook om het ontwateringssysteem dat aangepakt moet worden. Als de gunning die aan Kuldipsingh is verleend wordt ingetrokken, zal de IDB de financiële middelen die voor dit project ter beschikking zijn gesteld worden terug getrokken. Het risico zit er ook in dat Kuldipsingh een schadeclaim tegen de Staat kan instellen. Zolang de werkzaamheden zoals opgenomen in het project van de IDB niet kunnen worden uitgevoerd, zal de Staat slechts lapwerkzaamheden kunnen uitvoeren. De weg is al vier keren gelapt, omdat het poreus wordt. Al deze omstandigheden betekenen een behoorlijk verlies voor de Staat. De lapwerkzaamheden zijn niet duurzaam en zijn de kosten voor het lappen thans ruim SRD 4 tot 5 miljoen Surinaamse Dollar. Daarnaast dient de Staat de veiligheid in acht te nemen. De files die nu ontstaan zorgen voor oponthoud en ook de economische ontwikkeling in die omgeving komt onder druk te staan. De Willem Campagnestraat is ook niet begaanbaar. Met de ontstane situatie vallen de kosten dan ook enorm hoog uit voor de Staat. De Staat beschikt momenteel ook niet over de financiële middelen om het project zelf te financieren. Ten aanzien van het niet tekenen van de concept dadingsovereenkomst heeft de Staat verklaard dat eerst de comptabele regels in het kader van de toezeggingen moeten worden nagegaan.

5.15 De kantonrechter komt op grond van hetgeen partijen ter comparitie hebben aangevoerd tot het voorlopig oordeel dat Baitali geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de verdere tenuitvoerlegging van het veroordelend vonnis. De enige schade die Baitali lijdt is, zoals zij zelf aangeeft reputatieschade en dat zij, zoals de kantonrechter het begrijpt, door niet aanmerking te komen voor de gunning zij de 100% betaling middels de IDB financiering zal mislopen. Dit, terwijl Baitali zelf heeft verklaard dat de Staat schriftelijke toezeggingen aan haar heeft gedaan om aan de door haar te stellen voorwaarden in het kader van het nog te tekenen dadingsovereenkomst te zullen voldoen. Hiertegenover staat dat het in stand blijven houden van de huidige situatie de Staat behoorlijk in de kosten jaagt, er dagelijks files ontstaan op de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat die onder het project vallen, de veiligheid op die wegen niet gegarandeerd is vanwege de slechte staat waarin ze verkeren en de hele economische ontwikkeling in die omgeving hierdoor in gevaar dreigt te komen. Dit alles in onderling samenhang beschouwd en gelezen brengt de kantonrechter tot de slotsom dat Baitali misbruik maakt van haar executierecht (het veroordelend vonnis). Daar dit grond oplevert tot schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van het veroordelend vonnis, zal het gevorderde onder a worden toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld. Eveneens zal het gevorderde onder c en d worden toegewezen, inclusief de medegevorderde dwangsommen. De medegevorderde dwangsommen zullen worden gematigd tot het maximum zoals hierna in de beslissing vermeld.

5.16 Baitali voert evenwel ook nog als verweer dat de IDB niet bevoegd is de financiering stop te zetten, doch gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Reden hiertoe is dat Baitali geen enkele rechtsverhouding heeft met de IDB. De IDB heeft geen overeenkomst met Baitali gesloten, maar met de Staat (Suriname). Daarnaast is IDB geen procespartij in het geschil tussen Baitali en de Staat.

5.17 Het gevorderde onder b (terugbrengen van dwangsommen naar nihil) zal worden geweigerd. Reden hiertoe is het volgende.
Ingevolge artikel 611d 1 Rv Nieuw kan de rechter op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn, of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De Staat heeft reeds een deel van de dwangsommen verbeurd en heeft pas in november 2025 enige poging ondernomen om uitvoering te geven aan het veroordelend vonnis.

5.18 Baitali zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in een deel van het liquidatietarief ad SRD 2.500,- worden veroordeeld, zijnde het verschil van SRD 7.500,- minus het liquidatietarief van SRD 5.000,- dat in conventie is toegewezen.

5.19 De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen ander uitkomst zullen leiden.

5.20 De veroordelingen zullen op de voet van artikel 55 Rv Nieuw uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6. De beslissing in kort geding
De kantonrechter:
In het incident
6.1 weigert het gevorderde;

6.2 veroordeelt Baitali in de proceskosten die aan de zijde van de Staat zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 7.500,- (Zevenduizend Vijfhonderd Surinaamse Dollar);

6.3 verklaart de veroordeling in 6.2 uitvoerbaar bij voorraad;

In de hoofdzaak
In conventie
6.4 weigert de gevorderde voorzieningen;

6.5 veroordeelt Baitali in de proceskosten die aan de zijde van de Staat zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 5.000,- (Vijfduizend Surinaamse Dollar);

6.6 verklaart de veroordeling in 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie
6.7 schorst met ingang van heden d.d. 23 juni 2026 de verdere executie van het vonnis dat op 10 juli 2025 in de kortgedingzaak bekend onder CIVAR No. 202501387 tussen partijen is gewezen, totdat in een door één der partijen ingestelde bodemprocedure over dit tussen hun bestaand geschil definitief zal zijn beslist;

6.8 verbiedt Baitali om met ingang van heden d.d. 23 juni 2026 het hiervoor vermeld vonnis verder te executeren, totdat in een door één der partijen ingestelde bodemprocedure over dit tussen hen bestaand geschil zal zijn beslist;

6.9 veroordeelt Baitali tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij het verbod vermeld in 6.8 van dit vonnis overtreedt, zulks tot een maximum van SRD 1.000.000,- (Eenmiljoen Surinaamse Dollar);

6.10 verbiedt Baitali om op welke wijze dan ook direct of indirect de voortzetting van het project, zoals in de eis omschreven te verhinderen;

6.11 veroordeelt Baitali tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij het verbod vermeld in 6.10 van dit vonnis overtreedt, zulks tot een maximum van SRD 1.000.000,- (Eenmiljoen Surinaamse Dollar);

6.12 veroordeelt Baitali tot betaling van het liquidatietarief ad SRD 2.500,- (Tweeduizend Vijfhonderd Surinaamse Dollar);

6.13 verklaart hetgeen in 6.9 tot en met 6.12 is beslist uitvoerbaar bij voorraad;

6.14 weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter in het eerste kanton, ter openbare terechtzitting op dinsdag 23 juni 2026 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.