SRU-HvJ-2024-9

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Artikel 54c Sv.
  • Uitspraakdatum 23 februari 2024
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof vernietigt de beschikking van de Rechter – Commissaris tot verlenging van de inverzekeringstelling van de verdachte van diefstal met geweldpleging omdat naar het oordeel van het Hof gerede twijfel bestaat dat de verdachte de persoon is die op de camerabeelden te zien is, zodat voortzetting van de inverzekeringstelling niet dringend noodzakelijk is

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [APPELLANT], tegen de beschikking van de Rechter – Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 21 februari 2024 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellant voornoemd is op 9 februari 2024 in verzekering gesteld ter zake overtreding van de artikelen 372; 371 van het Wetboek van Strafrecht;

Het verloop van de behandeling

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 21 februari 2024 (in het verzoekschrift van de advocaat staat 21 januari 2023) en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 22 februari 2024 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 23 februari 2024 om 11.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;

– de waarnemend Procureur-Generaal, mr. S. Mahadew, namens het Openbaar

Ministerie;

– de appellant (telefonisch).

Mr. M.C.M. Nibte heeft middels een schrijven aangevoerd dat zij nadrukkelijk persisteert bij de inhoud van het verzoekschrift.

Beschikking van de Rechter – Commissaris

Bij beschikking d.d. 21 februari 2024 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de verlenging van zijn inverzekeringstelling rechtmatig verklaard.

Daartoe heeft de rechter-commissaris, onder meer, het volgende overwogen:

“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;”

“(…) dat er thans nog steeds dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen.”

Ontvankelijkheid van de appellant

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 21 februari 2024. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 22 februari 2024 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appèl.

De grieven van appellant

De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.

De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • hij is op basis van de verklaring van één anonieme getuige aangehouden.
  • hij heeft een alibi opgegeven.
  • het O.M. geeft thans, bijkans twee weken na zijn aanhouding, als onderzoeksbelang aan dat “er een vergelijkend onderzoek tussen verdachte en de persoon op de camerabeelden moet plaatsvinden”.
  • hij is niet degene die op de camerabeelden te zien is.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

– deze verdachte wordt diefstal middels geweldpleging verweten.

– zonder een informant van binnen zou de diefstal niet kunnen hebben

plaatsgevonden.

– twee getuigen hebben verdachte positief herkend op de camerabeelden en

volgens twee andere getuigen is hij niet te herkennen op de camerabeelden.

– er is nog sprake van onderzoeksbelang.

– de dringende noodzakelijkheid om verdachte in detentie te houden is aanwezig.

– er zijn meerdere personen die nog in beeld moeten komen.

– wij vragen u om het beroepschrift van appellant ongegrond te verklaren.

De beoordeling

Naar aanleiding van de grieven van appellant en het standpunt van de vervolgingsambtenaar op de grieven stelt het Hof het volgende voorop.

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat uitgaande van de foto’s in het politiestrafdossier appellant opmerkelijke verschillen vertoont met de manspersoon die op de camerabeelden te zien is. Derhalve is het Hof van mening dat vooralsnog niet vastgesteld kan worden dat appellant de persoon is die op de camerabeelden te zien is. Hoewel er qua uiterlijk ook opmerkelijke gelijkenissen te zien zijn blijkt er wel aanleiding voor gerede twijfel te bestaan bij het Hof.

Overwegende, dat gelet op het voorgaande in de visie van het Hof de continuering van de inverzekeringstelling van appellant niet dringend noodzakelijk is. Het ingestelde hoger beroep zal derhalve gegrond worden verklaard en de beschikking van de Rechter-Commissaris zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal het verzoek tot invrijheidstelling alsnog worden toegewezen.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Vernietigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op 21 februari 2024.

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart het ingestelde hoger beroep gegrond;

Wijst toe het verzoek van de appellant [APPELLANT];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant voornoemd.

 

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 23 februari 2024 in raadkamer van het Hof van Justitie door:

Mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.J.S. Bradley, lid en mr. A.C. Johanns, Lid, in tegenwoordigheid van de ad-hoc fungerend-griffier mw. Z.T.B. de Lisle LL.B.

w.g. Z. de Lisle  w.g. A. Charan
                             w.g. S.J.S. Bradley
                             w.g. A.C. Johanns

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze

(mr. E.M. Ommen-Dors)
Substituut-Griffier