- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer Artikel 54c Sv.
- Uitspraakdatum 14 juli 2023
- Publicatiedatum 11 september 2026
- Rechtsgebied Strafrecht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof bekrachtigt de verlenging van de inverzekeringstelling van verdachte, Vaststaat dat hij samen met twee anderen ter plekke was toen de strafbare handelingen jegens het slachtoffer plaatsvonden en het vermoeden bestaat dat een of meer van hun deze hebben gepleegd, zodat voortzetting van de detentie dringend noodzakelijk is.
Uitspraak
HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,
(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)
OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [APPELLANT], tegen de beschikking van de Rechter – Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 11 juli 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering).
Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 16 juni 2023 in verzekering gesteld ter zake overtreding van de artikelen 295; 295 jo 72; 295 jo 73; 301; 301 jo 72; 301 jo 73; 296; 296 jo 72; 296 jo 73; 299; 299 jo 72; 299 jo 73; 300; 300 jo 72; 300 jo 73; 302; 302 jo 72; 302 jo 73 van het Wetboek van Strafrecht;
Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 13 juli 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.
Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 13 juli 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 14 juli 2023 om 12.30 uur des namiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;
– de waarnemend Procureur-Generaal, mr. S. Mahadew, namens het Openbaar
Ministerie.
– de advocaat van de appellant, mr. D. Veira, advocaat bij het Hof van Justitie.
– de appellant (telefonisch).
Beschikking van de Rechter – Commissaris
Bij beschikking d.d. 11 juli 2023 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de verlenging van zijn inverzekeringstelling rechtmatig verklaard.
Daartoe heeft de rechter-commissaris, onder meer, het volgende overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;”
“(…) dat er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidsstelling zal worden afgewezen;”
Ontvankelijkheid van de appellant
De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 11 juli 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 13 juli 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appèl.
De grieven van appellant
De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
- [Appellant] is uit zijn huis gehaald terwijl hij uit de nachtdienst kwam. Hij werd op een gegeven moment gebeld door een vriend van hem die hem vroeg of 2 dames thuis bij hem, hoofdhaar konden komen vlechten. De moeder van [Appellant] was wat streng voor wat dat betreft. Hij besloot toen naar zijn vriend te gaan en daar trof hij 2 dames aan.
- Er werd besloten om eten en drinken te kopen, omdat de dames een paar dagen van huis waren en op verschillende adressen hebben gelogeerd. Plotseling gedroeg 1 van de dames zich vreemd. Zij is met een taxi weg gegaan en is op SEH beland. Uit onderzoek bleek dat er wat in haar drinken gezet was. Als wij kijken naar de omstandigheden en hetgeen wat zich heeft afgespeeld is duidelijk vast komen te staan dat [Appellant] niets hiermee te maken heeft. Nadat de dame weg was heeft hij aan de anderen gevraagd wat er aan de hand is. Een van de anderen, een zekere “[Naam]”, heeft hem gezegd “aai ik heb iets in haar drinken gezet.” De medeverdachte heeft zelfs ook aan gegeven dat [Appellant] er niets mee te maken heeft. [Appellant] heeft zich nimmer met eten en drinken bemoeid. Hij had geen kennis of wetenschap dat er wat in haar drinken gezet zou worden.
- Hij had ook geen seks gehad met de dame. In het dossier is ook niet aangetroffen dat het medisch visum praat over verkrachting. Geen van de aanwezigen heeft gesproken over seksueel contact. Niet het slachtoffer, niet haar vriendin en geen van de 3 verdachten. Het slachtoffer heeft anderhalve dag bij haar vriend doorgebracht. Uit verklaringen van de verdachte bleek er dat er bij haar vriend al heel wat activiteiten hadden plaatsgevonden. Die handelingen die vooraf zijn gepleegd kunnen niet in verband worden gebracht met hetgeen dat zich op [Wijk] heeft afgespeeld.
- Het onderzoek zou nu al moeten uitwijzen wie wat heeft gedaan. Vooral daar nu alle verdachten al zijn gehoord. Uit het politioneel dossier is gebleken dat [Appellant] niets verweten kan worden. [Appellant] was wel daar ter plekke, maar hij heeft geen enkele handeling gepleegd. Hij droeg geen kennis van het geen dat zich heeft afgespeeld. Deze omstandigheden rechtvaardigen het
verzoek dat is overgelegd om [Appellant] op basis van art 54 c S.V. in vrijheid te krijgen.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:
- De verdachte is samen met zijn medeverdachten op 16 juni 2023 in verzekering gesteld welke op 20 juni 2023 rechtmatig is getoetst. Vervolgens is er op 7 juli 2023 een verzoek tot invrijheidstelling ingediend welke op 11 juli 2023 is afgewezen. Verdachte is hiertegen in beroep gekomen.
- Het is inderdaad zo dat de 2 dames zich naar een vriend begaven om hun haren te vlechten. Op een gegeven moment is er eten en drinken gekocht. Nadat een van de dames (het slachtoffer) had gedronken voelde zij zich onwel en dreigde bewusteloos te raken. Voordat zij bewusteloos raakte zag zij drie mannen waaronder de verdachte de kamer waarin zij zich bevond binnen komen met bloot bovenlijf.
- De 2 andere medeverdachten hebben duidelijk aangegeven, dat het slachtoffer zich duizelig voelde en dat de verdachte [Appellant] het slachtoffer aan haar heupen, billen en borsten betaste.
- Verder blijkt er een appgroep te zijn waarbij deze verdachte heeft aangegeven, dat er seksuele handelingen gepleegd zouden worden.
- Uit het onderzoek is komen vast te staan dat het inderdaad zo is dat er partydrugs is toegediend. Toen het slachtoffer bij kwam zag zij zuigvlekken op haar lichaam. Zij is naar SEH gegaan en heeft de politie ingeschakeld. Het gaat om een ernstig strafbaar feit waarbij het slachtoffer is gedrogeerd en vervolgens verkracht en of ontuchtige handelingen met haar zijn gepleegd.
- In de woning zijn er ook 3 gebruikte condooms aangetroffen.
- Het onderzoeksbelang strekt verder dan het politioneel onderzoek.
De beoordeling
Naar aanleiding van de grieven van appellant en het standpunt van de vervolgingsambtenaar op de grieven stelt het Hof het volgende voorop.
Overwegende, dat de inhoud van het voorlopig dossier en met name de aanwezige processen-verbaal de toets van art. 19 SV dienen te ondergaan. Op basis hiervan is het Hof van oordeel dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Vaststaat dat appellant samen met de andere twee medeverdachten ter plekke was, waar de strafbare handelingen jegens het slachtoffer hebben plaatsgevonden en dat het vermoeden bestaat dat een of twee van hen, of zelfs alle drie verdachten de strafbare handelingen hebben gepleegd.
Overwegende, dat het Hof onderzoeksbelang in casu aanwezig acht en van oordeel is dat de continuering van de inverzekeringstelling dringend noodzakelijk is. Op grond van al het voorgaande zal het ingestelde hoger beroep ongegrond worden verklaard en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris worden bevestigd.
DE BESLISSING IN HOGER BEROEP
HET HOF:
Verklaart het hoger beroep van appellant [APPELLANT], ongegrond.
Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op 11 juli 2023.
Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 14 juli 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door:
Mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, lid en mr. S. Punwasi, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de ad-hoc fungerend-griffier mw. Z. de Lisle LL.B.
w.g. Z. de Lisle w.g. A. Charan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S. Punwasi
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze
(mr. E.M. Ommen-Dors)
Substituut-Griffier