SRU-HvJ-2025-18

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer CIVAR no. 2022H00247
  • Uitspraakdatum 07 februari 2025
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Zorgplicht bank bij vervroegde uitbetaling termijndeposito’s.
    In een huwelijksgoederengemeenschap vallen termijndeposito’s met een en/of tenaamstelling. Op de certificaten is bepaald dat vervroegde opname van deposito’s niet is toegestaan. Het huwelijk is ontbonden en na de echtscheiding blijkt dat de bank de deposito’s vervroegd aan de man heeft uitbetaald. De vrouw stelt de bank tevergeefs aansprakelijk voor haar helft van de uitbetaalde bedragen.Volgens het Hof is het karakter van een en/of-rekening dat elke rekeninghouder beschikkingsbevoegd is. Het verbod op vervroegde uitbetaling strekt niet ter bescherming van de rekeninghouder maar van de bank, ter voorkoming van vroegtijdige opeising van door haar belegde gelden. De bank is bevoegd om een verzoek om vervroegde uitbetaling onverplicht in te willigen.Het Hof verwerpt het beroep.

Uitspraak

Civar no. 2022H00247

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[APPELLANTE], hierna: ‘appellante’,
wonend in [Plaats],
appellante,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

SURICHANGE BANK N.V., hierna: ‘de bank’,
geïntimeerde,
wonend in Paramaribo,
gemachtigde: mr. S. Boedhoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 8 november 2022 bekend onder A.R. 19-2603 tussen appellante als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en de bank als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van 30 november 2022 waaruit blijkt dat appellante die dag hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van mr. Vos van 7 juli 2023;
  • de antwoord pleitnota van mr. Boedhoe van 19 januari 2024.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. Ontvankelijkheid

Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis waarvan beroep blijkt dat appellante niet bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. Haar is het vonnis bij brief van de griffier van 29 november 2022 toegezonden. Appellante heeft op 30 november 2022 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellante daarin kan worden ontvangen.

  1. Feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

a. Appellante is in 2011 in algehele gemeenschap gehuwd met [Naam 1], hierna: [Naam 1]. Het huwelijk is in 2020 door echtscheiding ontbonden.

b. [Naam 1] was sinds 2005 tot kort voor zijn pensionering per 31 december 2018 bij de bank werkzaam als directeur.

c. Tot de gemeenschap van goederen van appellante en [Naam 1] behoorden termijndeposito’s bij de bank. Het betrof termijndeposito’s I t/m VII op naam van [Naam 1] en termijndeposito’s VIII t/m XIII op naam van [Naam 1] “en/of”  appellante. De termijndeposito’s vertegenwoordigden tezamen een waarde van USD 1.405.000.

d. Alle deposito’s hadden een looptijd van vijf jaar. Op de desbetreffende certificaten staat vermeld: “Wij vestigen tevens uw aandacht op dat vervroegde opname van deposito’s niet is toegestaan”.

e. [Naam 1] heeft alle termijndeposito’s vervroegd, voor de afloop van de looptijd van vijf jaren, geïncasseerd, zonder medeweten en zonder medewerking van appellante.

f.  Door appellante zijn conservatoire beslagen gelegd ten laste van de bank.

  1. Het geding in eerste aanleg

4.1 In eerste aanleg heeft appellante gevorderd om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de bank te veroordelen tot betaling aan appellante van USD 702.500 (de helft van USD 1.405.000), vermeerderd met 6% wettelijke rente vanaf 30 juli 2019 tot aan de algehele voldoening, met vanwaardeverklaring van het beslag en met veroordeling van de bank in de kosten van het geding.

4.2 Appellante heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat de bank jegens haar wanprestatie heeft gepleegd en haar zorgplicht heeft geschonden, alsmede dat de bank als werkgever van [Naam 1] aansprakelijk is voor diens onrechtmatig handelen.

4.3 In reconventie heeft de bank opheffing van het beslag gevorderd.

4.4 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie de vordering van appellante afgewezen en in reconventie de opheffing en doorhaling van het beslag gelast, met veroordeling van appellante in de (op nihil begrote) kosten van het geding.

4.5 De kantonrechter overwoog daartoe onder meer het volgende:

“Allereerst wordt overwogen dat de tekst er de aandacht van cliënten op vestigt dat vervroegde opname niet is toegestaan. Dat wijst dus niet op een verbod voor de bank om het deposito vervroegd te beëindigen. De tekst staat voorts zowel op de deposito’s met één tenaamstelling en op de deposito’s met meerdere tenaamstellingen. Daarmee is niet aannemelijk dat de tekst de door [Appellante] gestelde bescherming beoogt te geven. Ten slotte is het bij meerdere gerechtigden op een deposito erg eenvoudig om niet “en/of” maar alleen “en” tussen de namen te plaatsen. In het laatste geval kan de bank alleen aan beide gerechtigden uitbetalen. Bij een enkele gerechtigde op een deposito is het niet voor de hand liggend dat de bank zou moeten nagaan of de betrokkene wellicht gehuwd is dan wel andere relaties heeft die de bank bij opname door die gerechtigde daarvan zou moeten verwittigen. In elk geval is dat niet wettelijk geregeld zoals bijvoorbeeld borgstelling door een der echtgenoten. De enkele tekst op het deposito betekent derhalve niet dat de bank wanprestatie jegens [Appellante heeft gepleegd door de opname van de deposito’s door [Naam 1] toe te staan ongeacht of die deposito’s nu op zijn naam alleen staan of op beider naam met en/of ertussen.

Voor de stelling dat de bank als werkgever aansprakelijk zou zijn voor onrechtmatig handelen van [Naam 1], heeft [Appellante] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.”

  1. De beoordeling in hoger beroep

5.1 Appellante vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, met toewijzing van het door haar oorspronkelijk gevorderde. De bank heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van appellante.

5.2 Het hoger beroep kan niet slagen. Het Hof neemt de hiervoor opgenomen overwegingen van de kantonrechter over en maakt die tot de zijne.

5.3 In aanvulling op de overwegingen van de kantonrechter overweegt het Hof nog het volgende.

5.4 De kern van het door appellante aan de bank gemaakte verwijt en van de twee door appellante aangevoerde grieven is dat ([Naam 1] namens) de bank, in weerwil van de voor de deposito’s geldende bepaling dat vervroegde opname niet is toegestaan, vervroegde opname door [Naam 1] heeft toegelaten zonder dat appellante daarin is gekend. Volgens appellante had de bank hieraan niet mogen meewerken, omdat die bepaling er mede toe strekte om medegerechtigden/echtgenoten te beschermen tegen eigenmachtig optreden van een klant/rekeninghouder van de bank. Hierin kan appellante echter niet worden gevolgd. Het karakter van een en/of-rekening is nu juist dat elke rekeninghouder beschikkingsbevoegd is. Indien bedoeld zou zijn dat de bank slechts gehoor zou mogen geven aan instructies van [Naam 1] en appellante gezamenlijk, hadden de deposito’s op naam van hen beiden gezamenlijk moeten zijn gesteld, en niet op naam van alleen [Naam 1] en ook niet op naam van [Naam 1] ‘en/of’ appellante. De bank heeft voorts een aannemelijke ratio gegeven voor de bepaling dat een deposito niet vervroegd kan worden geïncasseerd, te weten dat de bank niet vroegtijdig moet worden geconfronteerd met opeising van door haar belegde en weggezette gelden. Deze bepaling strekt tot bescherming van de bank, niet tot bescherming van de rekeninghouder of diens echtgenoot. De bepaling laat evenwel onverlet dat de bank een verzoek om vervroegde opeising – onverplicht –  kan inwilligen. Zoals de bank heeft uiteengezet en naar zij stelt hier aan de orde was, zal de bank hiertoe onder meer bereid zijn in geval van overliquiditeit.

5.5 Gelet op het voorgaande kan de schadevergoedingsvordering van appellante niet slagen. Zowel haar beroep op wanprestatie, onrechtmatige daad (schenden zorgplicht) als werkgeversaansprakelijkheid (artikel 1388 lid 3 Burgerlijk Wetboek) zijn immers gebaseerd op de onjuiste stelling dat door de bank of door [Naam 1] namens de bank een ter bescherming van appelante opgenomen bepaling is geschonden.

5.6 Van voldoende bijkomende omstandigheden die tot een andere oordeel zouden kunnen leiden, is niet gebleken.

5.7 In het midden kan blijven in hoeverre appellante schade heeft geleden door het incasseren door [Naam 1] van de deposito’s gedurende het huwelijk van [Naam 1] en appellante en in hoeverre [Naam 1] verhaal biedt voor haar aanspraken terzake de verdeling van de inmiddels ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

5.8 De grieven van appellante slagen niet. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bevestigd. Appellante zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

  1. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 bevestigt het vonnis waarvan beroep;

6.2 veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de bank gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. A.C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 februari 2025, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, dhr. R.S. Dewkalie, LL.B.

w.g. R.S. Dewkalie      w.g. S.S.S. Wijnhard

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. F.X. Khelawan-Blokland namens advocaat mr. S. Boedhoe, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld