SRU-HvJ-2025-20

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer CIVAR no. 2023H00091
  • Uitspraakdatum 07 maart 2025
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Hoger beroep in kort geding tegen de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis in de bodemprocedure. Het Hof bevestigt het vonnis van de kantonrechter en overweegt ambtshalve dat de mogelijkheid om op grond van artikel 272 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verzoekschrift tot staking van de executie bij het Hof in te dienen, de bevoegdheid onverlet laat om dit wegens gesteld onrechtmatig handelen te vorderen in kort geding.

Uitspraak

Civarno. 2023H00091

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

[APPELLANT],
wonend in Fontenoy-le-Château, Frankrijk,
appellant in kort geding, hierna: ‘[Appellant]’, gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman, advocaat.

tegen

[GEÏNTIMEERDE],
wonend in [Plaats],
geïntimeerde in kort geding, hierna: ‘[Geïntimeerde]’,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 23 februari 2023 bekend onder CIVAR No. 202300137 tussen [Geïntimeerde] als eiser en [Appellant] als gedaagde,

01424spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van 13 maart 2023 waaruit blijkt dat [Geïntimeerde] op die dag hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van mr. Ansaar Guman van 1 maart 2024;
  • de antwoordpleitnota van mr. Vos van 5 april 2024.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. Ontvankelijkheid

2.1 Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis waarvan beroep blijkt dat [Appellant] noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen.

2.2 Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 9 maart 2023 aan [Appellant] meegedeeld. [Appellant] heeft op 13 maart 2023 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis.

2.3 Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellant] daarin kan worden ontvangen.

  1. De beoordeling in hoger beroep

3.1 Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende. [Appellant] heeft een rechtszaak (een bodemprocedure) gevoerd tegen [Geïntimeerde] en vier andere gedaagden (eveneens met de achternaam [Geïntimeerde]) over een perceelland in het [District] ter grootte van 12 hectare. [Appellant] vorderde in die procedure primair de veroordeling van de gedaagden, onder wie [Geïntimeerde], tot overdracht van dat perceel, en subsidiair de ontbinding van de volgens hem tussen partijen gesloten koopovereenkomst en veroordeling van gedaagden, onder wie [Geïntimeerde], tot betaling van het volgens [Appellant] voor dit perceel betaalde bedrag van EURO 48.000. Bij vonnis van 25 augustus 2020 (hierna: het bodemvonnis) heeft de kantonrechter de subsidiaire vordering van [Appellant] toegewezen, met hoofdelijke veroordeling van de gedaagden, onder wie [Geïntimeerde], tot betaling aan [Appellant] van EURO 48.000 vermeerderd met de wettelijke rente. Het bodemvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het tegen het bodemvonnis ingestelde hoger beroep (Civarno. 2020H00100) is nog niet in staat van wijzen.

3.2 Vervolgens heeft [Geïntimeerde] in kort geding staking van de tenuitvoerlegging van het bodemvonnis gevorderd. Bij het vonnis in kort geding waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van [Geïntimeerde] grotendeels toegewezen en de executie van het bodemvonnis geschorst.

3.3 De kantonrechter heeft blijkens zijn beoordeling de beoordelingsmaatstaf gehanteerd zoals door de Nederlandse Hoge Raad geformuleerd in zijn arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026, Strandhotel). Na te hebben overwogen, samengevat, dat uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling ook hangende hoger beroep uitvoerbaar dient te zijn en dat een belangenafweging afwijking van dit uitgangspunt kan rechtvaardigen, heeft de kantonrechter het volgende overwogen:

’Belangenafweging

4.7 Thans rest nog de beantwoording van de vraag of het belang van eiser om gedurende het hoger beroep niet aan het bodemvonnis te voldoen, zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij een directe tenuitvoerlegging van het bodemvonnis.

4.8 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij een dringend belang dat de executie van het vonnis wordt aangehouden, totdat in hoger beroep zal zijn beslist daarover. Hiertoe stelt eiser dat gedaagde de openbare verkoop van het perceelland waarop het conservatoir beslag is gelegd, heeft gevorderd. Toewijzing van de openbare verkoop, terwijl de kans aanwezig is dat in hoger beroep anders kan worden beslist, zal een aanzienlijke schade teweeg brengen voor hem, aldus eiser. Voorts stelt eiser dat, gezien het restitutierisico, geen zekerheid bestaat dat gedaagde bij een eventuele openbare verkoop van het perceelland, het verkochte zal kunnen restitueren en/of de geleden schade zal kunnen vergoeden indien het Hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende het door gedaagde gevorderde zal afwijzen. Dit geldt met name omdat gedaagde woonachtig is in het buitenland, aldus eiser.

4.9 Gedaagde voert aan dat hij ernstig zal worden geschaad in zijn belang, indien de executie van het vonnis zal worden stopgezet of gestaakt. Voorts dat hij zijn geld dringend nodig heeft.

4.10 Overwogen wordt dat gedaagde geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid welk belang hij heeft om tot directe tenuitvoerlegging van het bodemvonnis over te gaan, dan wel de behandeling in hoger beroep niet af te wachten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde, gelet op hetgeen hiervoor onder punt 4.9 van dit vonnis is overwogen, slechts volstaan met het poneren van juridische stellingen, doch heeft nagelaten die feitelijk te onderbouwen. Het voorgaande leidt ertoe dat het belang van eiser voldoende aannemelijk is geworden en zwaarder weegt dan het belang van gedaagde, zodat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld het hoger beroep af te wachten, voordat tot executie van het bodemvonnis wordt overgegaan.

4.11 Al het voorgaande leidt ertoe dat de gevraagde voorzieningen toewijsbaar zijn […]’

3.4 De beslissing van de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep luidt als volgt:

’5.1 Schorst de executie van het bodemvonnis tussen partijen gewezen vonnis van 25 augustus 2020 bekend onder AR. No. 13-3132, totdat in hoger beroep door het Hof van Justitie definitief zal zijn beslist, dan wel totdat het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen.

5.2 Veroordeelt gedaagde om dit vonnis te gehengen en te gedogen.

5.3 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van

SRD 100.000,=  (Een honderdduizend Surinaamse dollar) per dag, voor elke dag dat gedaagde in strijd handelt met hetgeen is beslist onder punt 5.2 van dit vonnis, tot een maximum van SRD 500.000,- (Vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

5.6 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 8.400,- (Achtduizend en vierhonderd Surinaamse dollar). ’

3.5 [Appellant] heeft in zijn pleitnota drie grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. Samengevat luiden zijn grieven:

  1. De kantonrechter is eraan voorbijgegaan dat [Geïntimeerde], die als enige gedaagde in de bodemprocedure was verschenen, slechts voor zichzelf staking kon vorderen en had het bodemvonnis hooguit ten aanzien van alleen [Geïntimeerde] kunnen schorsen.
  2. De kantonrechter heeft iets anders toegewezen dan gevorderd, te weten schorsing in plaats van de gevorderde stopzetting althans staking.
  3. De kantonrechter heeft [Appellant] ten onrechte in de proceskosten veroordeeld, terwijl er geen sprake was van misbruik van executiebevoegdheid toen hij de executie aanving.

3.6 De eerste grief strandt reeds op de omstandigheid dat dit hoger beroep uitsluitend de partijen aangaat die in dit beroep zijn betrokken, dus uitsluitend [Appellant] en [Geïntimeerde]. De grief richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de andere gedaagden in eerste aanleg. Die beslissing ligt niet voor. Het gaat nu slechts om de beslissing ten aanzien van [Geïntimeerde].

3.7 De tweede grief slaagt evenmin. De uitgesproken schorsing van de executie van het bodemvonnis komt op hetzelfde neer als de gevorderde stopzetting en staking daarvan. Het gaat in civiele zaken steeds om de strekking van een vordering, niet om de precieze woordkeuze.

3.8 De grief van [Appellant] met betrekking tot de proceskostenveroordeling strandt op het bepaalde in artikel 59 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: Wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, wordt in de kosten verwezen.

3.9 Het Hof heeft ook ambtshalve geen bedenkingen bij de belangenafweging en de beslissingen van de kantonrechter. De stelling van [Appellant] in eerste aanleg dat artikel 272   Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de weg staat aan de ontvankelijkheid van [Geïntimeerde]’s vordering in dit kort geding heeft de kantonrechter terecht verworpen. De mogelijkheid om het Hof op grond van dat artikel te verzoeken de executie te staken, laat de bevoegdheid onverlet om dit wegens gesteld onrechtmatig handelen te vorderen in kort geding.

3.10 De grieven van [Appellant] slagen niet. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bevestigd. [Appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

 

Aldus gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 maart 2025, in tegenwoordigheid van

Dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.S. Dewkalie      w.g. S.S.S. Wijnhard

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. M.A. Guman en mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van partijen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld