- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 15766
- Uitspraakdatum 19 april 2024
- Publicatiedatum 11 september 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Appellante komt in hoger beroep tegen de veroordeling door de kantonrechter om loodsgelden te betalen aan geïntimeerde, de Maritieme Autoriteit Suriname. Appellante meent geen loodsgelden verschuldigd te zijn omdat zij geen gebruik zou hebben gemaakt van loodsdiensten. Ook vordert zij een schadevergoeding omdat geïntimeerde de vaargeulen niet schoon zou hebben gehouden. Het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd omdat het schip van appellante vanwege zijn omvang op grond van het Decreet op het loodswezen loodsgeld verschuldigd is ook als geen gebruik wordt gemaakt van loodsdiensten. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat appellante niet heeft voldaan aan haar stelplicht.
Uitspraak
GR- 15766
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
VONNIS
In de zaak van
A.A. RENTAL SERVICES N.V.,
kantoorhoudend te Paramaribo,
appellante,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,
tegen
DE MARITIEME AUTORITEIT SURINAME (M.A.S.),
kantoorhoudend te Paramaribo,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat.
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen appellante als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en geïntimeerde als eiseres in conventie en als gedaagde in reconventie gewezen vonnis van 8 januari 2019 (E.K. A.R. No. 13-2819), spreekt het Hof, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
- Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen;
- het proces-verbaal van de griffier der Kantongerechten van 14 mei 2019, waarin is vermeld dat tegen het vonnis van 8 januari 2019 op 14 mei 2019 door appellante hoger beroep is ingesteld;
- de pleitnota van appellante van 17 januari 2020 met bijlagen;
- de antwoord pleitnota van geïntimeerde van 16 oktober 2020;
- de repliek pleitnota van appellante van 5 februari 2021;
- de dupliek pleitnota van geïntimeerde van 7 mei 2021.
De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
2. De beoordeling
1. De griffiersbrief is op 7 mei 2019 aan appellante verzonden die niet bij de uitspraak aanwezig was. Het beroep van appellante is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat zij daarin kan worden ontvangen.
2. Geïntimeerde vordert in dit geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van appellante tot betaling van een bedrag van US$ 46.655,- vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag van indiening tot aan die van de algehele voldoening.
3. De grondslag van deze vordering is dat appellante in de periode van april 2009 tot en met februari 2011 meerdere malen schepen door geïntimeerde heeft laten loodsen waarvoor appellante ingevolge artikel 6 van het Decreet loodswezen loodsgeld aan geïntimeerde verschuldigd is. Die gelden heeft appellante ondanks herhaalde aanmaningen en ingebrekestellingen niet voldaan waardoor zij wanprestatie pleegt en gehouden is de schade die geïntimeerde daardoor lijdt, zijnde 15% incassokosten van het te innen bedrag vermeerderd met omzetbelasting te vergoeden.
4. Bij het vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van US$ 46.172,59 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2013.
5. Appellante vordert in dit geding de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van US$ 348.350,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2004 tot aan de dag der algehele voldoening. Aan deze vordering ligt de stelling ten grondslag dat geïntimeerde haar plicht uit artikel 3 lid 1 van de wet waarbij geïntimeerde is opgedragen de vaargeulen schoon en netvrij te houden niet is nagekomen waardoor appellante schade heeft geleden, bestaande uit materiaalkosten ad US$ 48.350,- en inkomstenderving ad US$ 300.000,-.
6. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal afgewezen.
7. Tegen dit vonnis heeft appellante drie grieven ontwikkeld.
Grief I: ten onrechte heeft de kantonrechter aangenomen c.q. overwogen dat geïntimeerde recht heeft op de gevorderde loodsgelden.
In de toelichting op deze grief heeft appellante aangevoerd dat geïntimeerde geen recht heeft op deze gelden omdat zij in het geheel niet geloodst heeft.
8. Deze grief faalt.
Uit het proces-verbaal van 11 mei 2018, opgemaakt naar aanleiding van de gehouden comparitie van partijen blijkt dat het schip van appellante meer dan 50 ton kan vervoeren.
Ingevolge artikel 4 van het Decreet op het loodswezen is de gezagvoerder van dit schip verplicht gebruik te maken van de diensten van een loods indien dit schip een van de in artikel 4 genoemde wateren binnenvaart, uitvaart of bevaart. In artikel 5 lid 1 zijn vaartuigen omschreven die uitgezonderd zijn van het gebruik van een loods. Aan geen van die omschrijvingen voldoet het schip van appellante zodat de in dit artikel omschreven uitzondering op het ten processe bedoelde schip niet van toepassing is.
Artikel 6 lid 2 van het Decreet bepaalt:
“2. Ook, indien niet van de diensten van een loods wordt gebruik gemaakt, blijft het loodsgeld verschuldigd, met inachtneming van het in artikel 5 eerste lid bepaalde.”
9. Dat betekent dus dat ook in het geval appellante geen gebruik heeft gemaakt van de diensten van geïntimeerde, zij de loodsgelden als had zij wel gebruik gemaakt van die diensten, verschuldigd blijft.
10. Met grief II bestrijdt appellante het oordeel van de kantonrechter dat zij de gevorderde incassokosten verschuldigd is.
In de toelichting op deze grief voert appellante aan dat procesvertegenwoordiging niet verplicht is en dat als een partij ervoor kiest een advocaat in de arm te nemen, deze partij zelf voor deze kosten dient op te draaien.
11. Ook deze grief mist doel.
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat nu appellante weigerde de verschuldigde loodsgelden te betalen, de kosten die geïntimeerde heeft moeten maken om deze gelden te innen, voor rekening van appellante dienen te komen.
12. Volgens grief III heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat appellante niet voldaan heeft aan haar stelplicht met betrekking tot de door haar gestelde door geïntimeerde gepleegde onrechtmatige daad.
In het kader van deze grief betoogt appellante dat op geïntimeerde de verplichting rust de vaargeul schoon te houden. Ten bewijze van haar stelling dat geïntimeerde deze verplichting niet is nagekomen heeft zij bescheiden overgelegd die volgens haar kopieën uit haar logboek zijn.
Door geïntimeerde is gesteld dat deze producties en de inhoud ervan op geen enkele wijze kunnen worden geverifieerd.
13. Naar het oordeel van het hof heeft appellante nog steeds niet voldaan aan haar stelplicht.
Immers, uit de overgelegde producties kan slechts worden afgeleid dat iemand – wellicht namens appellante – schrijft contact te hebben opgenomen met geïntimeerde en iets gemeld te hebben. Of dat ook betekende dat geïntimeerde een verwijt is gemaakt en dat dat terecht was, kan in het geheel niet worden vastgesteld. Daargelaten nog dat voor de door appellante gestelde omvang van de schade in het geheel geen bewijs is bijgebracht,
De kantonrechter heeft dan ook terecht de vordering van appellante afgewezen.
14. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep moet worden bevestigd met veroordeling van appellante in de proceskosten.
15. De beslissing
Het hof:
- bevestigt het vonnis waarvan beroep gewezen onder rolnummer A.R. no.13-2819;
- veroordeelt appellante in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde tot aan dit vonnis begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 april 2024, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M.J. Stuurland.
w.g. M.J. Stuurland w.g. S.S.S. Wijnhard
Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. N.A. Soekhlal-Tedjoe namens advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld