SRU-HvJ-2010-3

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14413
  • Uitspraakdatum 16 april 2010
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en heft het conservatoir derdenbeslag op dat door een vennootschap ten laste van DSB onder de Centrale Bank van Suriname is gelegd. De bank had overboekingen naar het buitenland verricht terwijl zij wist dat de opdrachtgevers niet langer bevoegd waren om namens de vennootschap te tekenen voor financiële transacties. Terwijl het onrechtmatig handelen van DSB jegens de vennootschap vaststaat, heeft deze verzuimd om het totaalbedrag aan overmakingen door DSB naar het buitenland niet als schadepost te specificeren, zodat de deugdelijkheid van de vordering niet is gebleken.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14413.

 

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DE SURINAAMSCHE BANK N.V., gevestigd  te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Henck Arronstraat no. 26 – 30, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 14, voor wie als gemachtigde optreedt mr. F. Kruisland, advocaat,

appellante in Kort Geding,

t e g e n

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP PARBHOE’S HANDELMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Domineestraat no. 11;

B. [Geïntimeerde], wonende te [Plaats]

aan de [Adres], voor wie als gemachtigde optrad, mr. L. Punwasi-Raghoebier, die thans vervangen wordt door mr. F.M.S. Ishaak, advocaat, 

geïntimeerden in Kort Geding,                                                                                                

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hoven  interlocutoir vonnis van 15 januari 2010 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Het Hof verwijst naar het op 15 januari 2010 in deze zaak tussen partijen gewezen tussenvonnis en volhardt bij de inhoud van dat tussenvonnis.

  1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep na het op 15 januari 2010 gewezen en uitgesproken tussenvonnis

1.1 Op 5 februari 2010 heeft de griffier van het Hof van Justitie ter uitvoering van het in deze zaak gewezen tussenvonnis de ordner met de 44- tal producties, waarop [Geïntimeerden] zich ter staving van de omvang van door hun geleden schade beroepen en welke ordner het Hof niet in het appéldossier had aangetroffen, ten processe overgelegd.

1.2 Vervolgens hebben zowel DSB als [Geïntimeerden] zich op 19 februari 2010 over de hiervoor vermelde ordner met de 44- tal producties uitgelaten.

1.3 De uitspraak van het vonnis is tenslotte nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 De kantonrechter in kort geding heeft in het bestreden vonnis met A.R. No. 082832 onder 2, sub 2.1 tot en met 2.11, een aantal feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Zoals blijkt uit de grieven en de stellingen bestaat over de weergave van de feiten vermeld onder 2.1, 2.2 en 2.4 tot en met 2.11 in het bestreden vonnis geen geschil tussen partijen, zodat deze feiten ook het Hof tot uitgangspunt dienen.

2.2 Voor wat betreft het feit vermeld onder 2.3 in het bestreden vonnis bestaat over de weergave van dat feit wel een geschil. Het Hof komt op de grief die DSB ter zake heeft gevoerd hierna in de beoordeling terug.

  1. Beoordeling

3.1 Het feit vermeld onder 2.3 in het bestreden vonnis

De eerste grief van DSB komt, verkort en zakelijk weergegeven, erop neer dat de kantonrechter in kort geding ten onrechte onder 2.3 van de feiten in het bestreden vonnis vermeldt dat besluiten rakende Suriname Leisure Company (hierna te noemen SLC) slechts konden worden genomen met zowel de toestemming van de A- als de B-directeuren. Daartoe voert DSB aan dat een dergelijke bepaling niet voorkomt in de Statuten van SLC en beroept zij zich ter staving hiervan op het bepaalde in artikel 12 lid 3 van de statuten van SLC. ln dat artikel staat onder meer vermeld: ”De aanwezigheid van tenminste één directeur A en twee directeuren B is vereist voor het vormen van een quorum op directievergaderingen. Besluiten van de Directie worden genomen met de volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige directeuren, die hun stem hebben uitgebracht.” 

Uit deze bepaling vloeit, aldus de grief van DSB, voort dat geen toestemming of instemming of akkoordverklaring was vereist van alle directeuren voor het rechtsgeldig nemen van een directiebesluit. Zoals het Hof het verweer van DSB begrijpt, heeft de kantonrechter in kort geding een andere interpretatie aan het bepaalde in artikel 12 lid 3 van de Statuten van SLC gegeven. Uit de inhoud van het eerder vermeld artikel leidt het Hof af, dat indien niet voldaan is aan de voorwaarde van het aanwezig zijn van tenminste 1 directeur A en 2 directeuren B op de directievergaderingen, de genomen besluiten ongeldig zijn ook al hebben die plaatsgevonden bij volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige directeuren. Met name leidt het Hof dit af uit de zinsnede ”De aanwezigheid van tenminste één directeur A en twee directeuren B is vereist voor het vormen van een quorum op directievergaderingen.”. Dit brengt het Hof tot het oordeel dat de wijze waarop de kantonrechter in kort geding het feit vermeld onder 2.3 in het bestreden vonnis heeft verwoord een onjuiste weergave is van hetgeen in artikel 12 lid 3 van de Statuten van SLC staat vermeld, zodat DSB haar eerste grief doel treft. Derhalve zal het Hof het feit vermeld onder 2.3 in het bestreden vonnis doen vervangen als volgt: ln artikel 12 lid 3 van de Statuten van SLC staat voor zover voor de beslissing van belang, onder meer vermeld: ”De aanwezigheid van tenminste één directeur A en twee directeuren B is vereist voor het vormen van een quorum op directievergaderingen. Besluiten van de Directie worden genomen met de volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige directeuren, die hun stem hebben uitgebracht.”

3.2 De kern van het geschil

Naar het oordeel van het Hof bestaat tussen partijen een geschil omtrent de beantwoording van de vraag of summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering of van het onnodige van het door [Geïntimeerden] gelegde conservatoir derdenbeslag blijkt.

In dat licht stelt het Hof voorop dat ingevolge artikel 596 van het Wetboek van

Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de kantonrechter (het Hof) gehouden is de

gelegde conservatoire beslagen op te heffen:

– indien de beslaglegger het verzoek tot vanwaardeverklaring van het gelegde beslag niet binnen acht dagen na de beslaglegging bij de daartoe bevoegde kantonrechter heeft ingediend;

– indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering of van het onnodige van het beslag mocht blijken;

– indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is.

Voorts stelt het Hof voorop dat naar analogie van de vaste jurisprudentie, waarbij het Hof verwijst naar de arresten van H.R. 25 november 2005, NJ 2006, 148 en H.R. 30 juni 2006, RvdW 2006/670, het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing van het beslag vordert, in casu DSB, om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger, in casu [Geïntimeerden], gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

3.3 De vijf overige grieven

Daar DSB middels de eerste grief en vijf overige grieven beoogt alle overwegingen in het vonnis – waarvan hoger beroep – te bestrijden, zal het Hof de vijf overige grieven hieronder, voor zover relevant, gezamenlijk bespreken. Volgens de vijf overige grieven van DSB hebben [Naam 1] en [Naam 2] met haar een afzonderlijke overeenkomst gesloten en is deze overeenkomst dus niet in strijd geweest met enige wettelijke bepaling of de openbare orde en goede zeden. Deze grieven treffen naar het oordeel van het Hof geen doel. Zoals het Hof de stellingen van [Geïntimeerden] begrijpt, was DSB op de hoogte van het dispuut tussen [Naam 2] en [Geïntimeerden] en kon [Naam 2] als gevolg van dit dispuut geen gelden vanuit de gezamenlijke rekening, zijnde de rekening van SLC, naar haar rekening in het buitenland overmaken. Dat DSB van dit dispuut kennis droeg hebben [Geïntimeerden] naar het oordeel van het Hof voldoende aannemelijk gemaakt middels overlegging van:

1) de brief van 28 oktober 1999, afkomstig van [Naam 8] en gericht aan DSB, in welke brief onder meer staat vermeld:

”Middels deze deel ik u mede dat de bevoegdheid tot het plegen van alle Financiële handelingen (checques, transfers) ten behoeve van SLC van de hierna te noemen personen (zie brief d.d. 18 augustus 1999) met onmiddellijke ingang onherroepeliik wordt in getrokken:

– [Naam 3]

– [Naam 4]

– [Naam 5]

– [Naam 6]

– [Naam 7].

Tevens deel ik u hierbij mede dat alle opdrachten tot het plegen van financiële transacties dienen voorzien te zijn van een handtekening van [Naam 8] of [Geïntimeerde] te samen met de handtekening van een van de hierna te

noemen gemachtigden:

– [Naam 9]

– [Naam 1]

– [Naam 10].”

2) de brief van 4 november 1999, afkomstig van [Naam 8] en gericht aan DSB, in welke brief onder meer staat vermeld: ”Naar aanleiding van ons telefonisch gesprek, wens ik graag van u te willen ontvangen de stukken met begeleidend schrijven van SLC naar u gestuurd op 3 augustus 1999 en 18 augustus 1999. Het gaat in deze om een zeer urgente zaak aangezien er sprake is van frauduleuze handelingen.”

3) de brief van 14 november 1999, afkomstig van DSB gericht aan SLC, in welke brief onder meer staat vermeld: ”Hierbij delen wij u mede dat wij met onmiddellijke ingang geen betalingen meer zullen verrichten ten laste van uw rekeningen in onze boeken, aangezien er onenigheid bestaat in uw bestuur.” Ondanks DSB kennis droeg van dit dispuut, heeft zij nadien de rekening ten name van [Naam 2] en [Naam 1] geopend, en daardoor dus redelijkerwijs heeft geweten of vermoed dat de door [Naam 2] en [Naam 1] bij haar geopende rekening bestemd was om de gelden toebehorend aan SLC, waartoe geïntimeerde sub A behoorde, op hun rekening te storten en vervolgens via DSB naar het buitenland over te maken, welke overmakingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. DSB voert hiertegen evenwel aan dat de met [Naam 2] en [Naam 1] gesloten overeenkomst niet in strijd is met enige wettelijke bepaling of de openbare orde en goede zeden, doch gaan die stellingen naar het oordeel van het Hof niet op. Dit, omdat de door [Geïntimeerden] gepleegde overmakingen dan wel handelingen, naar het voorlopig oordeel van het Hof in de zin van artikel 1362 BW als onverplicht verricht dienen te worden aangemerkt dan wel onrechtmatig.

3.4 De omvang van de schade

3.4.1 Nu voldoende aannemelijk is dat DSB wel een onrechtmatige daad jegens [Geïntimeerden] heeft gepleegd, is thans aan de orde de vraag wat mogelijkerwijs de schade is die [Geïntimeerden] als gevolg van dit handelen hebben geleden.

3.4.2 DSB heeft aangevoerd dat [Geïntimeerden] niet hebben gespecificeerd dan wel gesteld wat de hoogte is van het bedrag van de schade waarvoor zij, DSB,

aansprakelijk is. Hieruit begrijpt het Hof dat DSB zich erop beroept dat de

[Geïntimeerden] niet hebben voldaan aan hun stelplicht en zij als gevolg hiervan geen gedegen verweer kan voeren.

3.4.3 Vooropgesteld wordt dat [Geïntimeerden] in het beslagrekest d.d 25 juni 2008 onder 4 stellen dat zij schade hebben geleden tot een bedrag van in totaal US$ 105.345.429, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2008 en € 250.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Hoe zij aan de hoogte van dit bedrag komen, hebben [Geïntimeerden] gespecificeerd in de hierna vermelde schadeposten:

  1. geldleningen ad US$ 9.971 .278,10, vermeerderd met de contractuele rente ad 3% per maand vanaf 1 juli 2008;
  2. huuropbrengsten ad US$ 683.335 vermeerderd met 5% rente per jaar vanaf 31 januari 2000 wegens te late betaling alsmede een bedrag van US$ 1.000.000,-;

lll. gederfde huurinkomsten ad US$ 8.954.932,-;

lV. gederfde inkomsten en winst ad US$ 84.735.884,-;

V. gemaakte kosten (verblijf, reis, schade, accountant) de afgelopen 10 jaren ad US$ 250.000,-.

3.4.4 Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen dienen de door DSB gepleegde handelingen te worden aangemerkt als te zijn onverplicht verrichte handelingen in de zin van artikel 1362 BW, en kan DSB naar het voorlopig oordeel van het Hof dus slechts worden aangesproken voor de schade die [Geïntimeerden] als gevolg van die handelingen hebben geleden, zijnde de overmakingen die DSB vanuit de rekeningen van SLC, [Naam 1] en [Naam 2] naar het buitenland heeft gepleegd. Het Hof constateert dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4.3 is overwogen, [Geïntimeerden] het totaal bedrag aan overmakingen door DSB naar het buitenland niet als schadepost in hun specificatie van de door hun vermeend geleden schade hebben opgenomen. Dit, terwijl – naar het oordeel van het Hof – de vaststelling van de omvang van de hoogte van de door [Geïntimeerden] geleden schade – voor wat betreft het aandeel van DSB daarin – in overwegende mate daarop zou moeten zijn gebaseerd. Gelet op het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat de hoogte van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, zijnde het bedrag van US$ 125.000.000,-, niet ondubbelzinnig aannemelijk is geworden, zodat het gelegd beslag vexatoir en onrechtmatig wordt geacht. Derhalve zal de onderhavige primaire gevraagde voorziening worden toegewezen.

3.4.5 Nu de primair gevraagde voorziening zal worden toegewezen, komt het Hof niet toe aan de beoordeling van het subsidiair gevorderde.

6 Beslissing

– Vernietigt het vonnis, waarvan hoger beroep

En beslist opnieuw:

– Heft op het door [Geïntimeerden] bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Tjanderdewkoemar Jhagroe d.d. 4 juli 2008 no. 409 gelegde conservatoir beslag onder handen van de Centrale Bank van Suriname op alle gelden, geldswaarden, geldswaardige papieren en/of goederen, welke zij, de Centrale Bank van Suriname, verschuldigd mocht zijn of worden aan De Surinaamsche Bank N.V. of van haar onder haar berusting mocht hebben of verkrijgen.

– Verklaart hetgeen hiervoor is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

– Veroordeelt [Geïntimeerden] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van DSB op SRD. 675,–;

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.M.M. Chu, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 april 2010, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

 

w.g. S.C. Berenstein                    w.g. D.D. Sewratan

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advocaat mr. F. Kruisland en geïntimeerden vertegenwoordigd door  advocaat mr. A.S.N. Adhin namens hun gemachtigde, advocaat mr. F.M.S. Ishaak, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                                            

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.