- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer CIVAR no. 2023H00239
- Uitspraakdatum 20 december 2024
- Publicatiedatum 11 september 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof bevestigt de beschikking van de kantonrechter waarin is bepaald dat de moeder is benoemd tot voogd en de vader tot toeziend voogd met een omgangsregeling voor het verblijf van de kinderen. De vader had in het hoger beroep aangevoerd dat de kinderen in goed overleg voornamelijk bij hem verblijven en had verzocht om tot voogd te worden benoemd en de moeder tot toeziend voogd. Volgens het Hof is gebleken dat beide ouders in staat moeten worden geacht de voogdij over de kinderen uit te oefenen. De deskundige heeft geadviseerd de moeder te benoemen tot voogd en de vader tot toeziend voogd. De moeder heeft sindsdien de vader alle gelegenheid geboden om de relatie met de kinderen in stand te houden en heeft zo hun belangen op een goede wijze behartigd. De voogdijregeling van de kantonrechter was dus niet onterecht en ook nadien hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die een wijziging wenselijk maken.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
CIVAR 2023H00239
20 december 2024
Beschikking in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende te [Plaats],
appellant,
verder te noemen “de vader”,
gemachtigde: mr. R.M.C. Denz en mr. S.N. Muntslag-Essed, advocaten,
tegen
[GEΪNTIMEERDE],
wonende te [Plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen “de moeder”,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gegeven voogdijbeschikking van 28 maart 2023 (A.R. No. 21-1020 / CIVAR no. 202100725) hierna geduid als “de beschikking”.
1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de vader bij schrijven van zijn procesgemach-
tigde op 20 april 2023 hoger beroep heeft ingesteld;
– het op 24 oktober 2024 gehouden verhoor van partijen.
1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.
2. De ontvankelijkheid
2 Uit de aantekening van de griffier op het doorlopend proces-verbaal blijkt dat partijen op 28 maart 2023 aanwezig waren bij het gegeven van de beschikking. De vader heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 20 april 2023 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft de vader tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn van 30 dagen na het geven van de beschikking is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.
3. De feiten
3.1 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste kanton van 5 augustus 2021 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is ingevolge artikel 282 van het Burgerlijk Wetboek een datum bepaald voor het familieverhoor ter voorziening in de voogdij over de minderjarige kinderen van partijen.
3.2 Tijdens de behandeling van de voogdijprocedure hebben het Bureau voor Familierechtelijke Zaken en een deskundige rapporten uitgebracht.
3.3 De kantonrechter heeft bij de beschikking de moeder tot voogd en de vader tot toeziend voogd over hun minderjarige kinderen benoemd. Ook is daarbij bepaald dat de minderjarigen het eerste, tweede en vierde weekend van elke maand van vrijdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00 uur en voorts elke woensdag bij de vader zullen verblijven, met dien verstande dat de vader op de woensdag de minderjarigen van school ophaalt en de minderjarigen weer op de donderdag op school afzet, alsook dat de minderjarigen de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vader zullen verblijven.
4. De beoordeling
4.1 De vader heeft tijdens het verhoor verklaard dat vanaf de beschikking is gegeven, de kinderen in goed overleg met de moeder merendeels bij hem zijn, onder andere omdat de moeder met een onzekere situatie met betrekking tot haar werk werd geconfronteerd. Hij heeft ook de taken van de voogd uitgevoerd en wenst dat hij als voogd wordt benoemd en de moeder tot toeziend voogd.
4.2 De moeder heeft tijdens het verhoor verklaard dat zij de vader alle ruimte heeft geboden om in contact te staan met de kinderen. Nadat haar voertuig kapot ging en zij de kinderen niet meer naar school kon brengen en afhalen, heeft zij voorgesteld dat de kinderen vaker bij de vader verblijven, zodat hij hen naar school kan brengen. Nadat haar voertuig is gerepareerd zullen de kinderen weer bij haar verblijven en zal de door de kantonrechter in eerste aanleg bepaalde omgangsregeling worden hervat.
4.3 Het Hof constateert dat uit de processen-verbaal van de in eerste en tweede aanleg gehouden verhoren blijkt dat zowel de vader als de moeder gelet op hun instelling en hun materiele voorzieningen, in staat moet worden geacht de voogdij over de kinderen uit te oefenen. In de door de deskundige, een ontwikkelingspsycholoog, na psychologisch onderzoek van partijen opgestelde rapporten, is geadviseerd de moeder te benoemen tot voogd en de vader tot toeziend voogd. Uit de verklaringen van partijen blijkt dat de moeder, nadat zij tot voogd is benoemd, de vader alle gelegenheid heeft geboden om de relatie met de minderjarigen in stand te houden en dat de moeder de belangen van de minderjarigen op een goede wijze heeft behartigd. Geconcludeerd wordt derhalve dat de kantonrechter toentertijd niet ten onrechte heeft beslist als vervat in de beschikking, en ook nadien zich generlei omstandigheid heeft voorgedaan die het wijzigen van de beschikking wenselijk maakt. De beschikking zal dan ook in hoger beroep worden bevestigd.
5. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
Bevestigt de beschikking van 28 maart 2023 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gegeven in de tussen partijen gevoerde procedure bekend onder CIVAR no. 202100725.
Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. A.C. Johanns, leden, en
w.g. D.D. Sewratan
door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 december 2024, in tegenwoordigheid van de Ad-hoc Fungerend-Griffier, mevr. W. Moerahoe, LL.B.
w.g. W. Moerahoe w.g. S.S.S. Wijnhard
Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld