SRU-HvJ-2022-42

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 15192
  • Uitspraakdatum 01 april 2022
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Hoger beroep in kort geding in een geschil tussen De Stichting Auteursrechten Suriname en de Staat over muziekauteursrechten. Het Hof bevestigt het vonnis van de kantonrechter van 7 april 2016. De stichting erkent dat zij niet langer gerechtigd is om ten behoeve van rechthebbenden van muziekauteursrechten te bemiddelen. Zij beroept zich echter erop dat haar optreden gericht is op de handhaving van rechten die aan haar zijn overgedragen op grond van overeenkomsten met auteursrechthebbenden en zusterorganisaties. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit deze overeenkomsten dat partijen de auteursrechtvergoedingen voor elkaar innen en aan elkaar afdragen en daarom niet voor zichzelf optreden. Dit valt onder de definitie van bemiddelen als bedoeld in artikel 30a lid 2 Wet Auteursrecht.

Uitspraak

GR-15192                                            

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

De Stichting Auteursrechten Suriname,
gevestigd te Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder te noemen: Sasur,
vertegenwoordigd door: M. Gangapersad,

tegen

De Staat Suriname,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. D. Kraag en mr. N.U. van Dijk, advocaten,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen Sasur als eiseres en de Staat als gedaagde in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 april 2016 (A.R. No. 15-3099) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 19 april 2016 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Sasur tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van Sasur van 3 november 2017;
  • de antwoordpleitnota van de Staat van 5 januari 2018;
  • het repliekpleidooi van 7 december 2018;
  • de dupliekpleidooi en uitlating producties van 3 april 2019.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling 

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Sasur daarin kan worden ontvangen.
  2. Tegen de feiten zoals vastgesteld door de kantonrechter zijn geen grieven aangevoerd. Het hof zal daarvan ook uitgaan.
  3. Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1 Sasur is een auteursrechtenorganisatie die tot doel heeft om de materiële en immateriële belangen van auteurs en hun rechtverkrijgenden, uitgevers en uitgeversbedrijven te bevorderen. Zij heeft de bevoegdheid gekregen om de auteursrechten op het wereldrepertoire in Suriname te handhaven en te exploiteren en wel op de voet van artikel 30 bis Auteurswet (AW), zoals deze bepaling luidde tot de invoering van de wet van 17 april 2015 (S.B. 2015 no. 83), houdende nadere wijziging van de Wet Auteursrecht 1913 (G.B. no. 15, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1981 no. 23), verder de wijzigingswet 2015.

3.2 Bij de wijzigingswet 2015 is artikel 30 bis vervangen door de artikelen 30 a tot en met i. Die bepalingen luiden – voorzover hier van belang – als volgt.

30a 1. Voor het verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht van makers en gebruikers is toestemming vereist van de Minister. De Minister verleent de toestemming indien is voldaan aan alle voorwaarden gesteld bij of krachtens deze wet, na advies door de Raad.

  1. Onder het verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht wordt verstaan het al dan niet op eigen naam, ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden, sluiten of ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar of de uitzending in een radio- televisieprogramma, door tekens geluid of beelden van die muziekwerken, of hun verveelvoudigingen, in hun geheel of gedeeltelijk.

(….)

30c 1. Alleen gerechtigd tot bemiddeling inzake muziekauteursrecht is bevoegd de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, opgericht naar Surinaams recht, zonder het oogmerk om winst te maken die kantoor houdt in Suriname en waarvan de leden zijn geregistreerd bij het Bureau Intellectuele Eigendom als te zijn de makers van muziekwerken.

Artikel II van de wijzigingswet 2015 behelst overgangsbepalingen. Lid 1 van artikel II luidt als volgt.

Verenigingen, die op grond van artikel 30 bis van Wet Auteursrecht 1913 vóór de inwerkingtreding van onderhavige wet toestemming is verleend om als bedrijf te bemiddelen inzake muziekauteursrecht, wordt in de gelegenheid gesteld om binnen een periode van 3 maanden na inwerkingtreding van deze wet aan al het bepaalde in deze wet te voldoen.

3.3 Sasur heeft – na aanvulling van eis – gevorderd 

I. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang de juiste en volledige informatie van alle aanvragen van openbare vermakelijkheden, waarbij er muziek openbaar gemaakt zal worden, uiterlijk 2 weken vóór elk te houden evenement schriftelijk aan Sasur te verstrekken, waaronder in ieder geval de namen van de vergunningaanvrager(s), hun contactadres(sen) en -telefoonnummer(s), de datum(s) en plaats(en) van het te houden evenement(en).

II. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang Sasur als belangenorganisatie te horen, alvorens enig vergunning te verlenen voor een openbare vermakelijkheid waarbij er muziek openbaar gemaakt zal worden.

III. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang een bezwaar- en beroepsprocedure voor Sasur in te bouwen binnen de procedure voor het verlenen van vergunningen voor openbare vermakelijkheden.

IV. De Staat te verbieden om enig vergunning voor een openbare vermakelijkheid waarbij muziek openbaar gemaakt zal worden te verlenen, zonder overlegging van een geldige Sasurlicentieovereenkomst door de vergunningaanvrager.

V. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang terug te plaatsen onder de kop GELET OP de tekst ”de Wet Auteursrecht 1913 (G.B. no.1913 no.15, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1981 no.23”; en ”de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 21 april 2005 (S.B.2005 no.65) en 17 mei 2006 (S.B.2006 no.58)” in alle af te geven vergunningen voor openbare vermakelijkheden.

VI. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang terug te plaatsen de vergunningsvoorwaarde ”Dat bij het openbaar maken van muziek de vergunninghouder(st)er vóór de aanvang van de activiteit over de nodige licentie/toestemming van Sasur moet beschikken, in zoverre van muziekwerken met of zonder woorden behorende tot het Sasur-repertoire gebruik gemaakt zal worden” in alle af te geven vergunningen voor openbare vermakelijkheden.

VII. De Staat te veroordelen tot het verzenden van een afschrift van die verleende vergunningen aan Sasur.

alsmede de staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom en van de kosten van het geding.

3.4 De Staat heeft de vordering bestreden.

3.5 De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

4. Sasur heeft één grief aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Deze luidt als volgt.

 

Grief I

De Kantonrechter heeft ten onrechte in rechtsoverweging 4.2 het onderscheid tussen handhaving van het auteursrecht ex. art. 1 WA door de rechthebbende (de muziekauteur of diens rechtverkrijgende) en bemiddeling ex. art. 30a e.v. Wet Auteursrecht 1913, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 83 (hierna WA) miskend en deze begrippen vereenzelvigd, door te overwegen dat Sasur als rechthebbende van de auteursrechten op de muziekwerken haar auteursrechten niet zonder toestemming tot bemiddeling ex. art. 30a e.v. WA mag handhaven.

Het hof zal voor zover nodig ook ingaan op de door Sasur gegeven toelichting op de grief.

5. De Staat bestrijdt de grief. Hij kan zich met het vonnis waarvan beroep verenigen en verzoekt het hof het vonnis te bevestigen. 

6. Het hof overweegt het volgende.

6.1 Sasur erkent dat zij niet meer ‘ten behoeve van rechthebbenden van muziekauteursrechten (kan) bemiddelen.’ Zij stelt echter dat zij haar vordering niet instelt uit hoofde van bemiddeling maar haar eigen auteursrechten op grond van artikel 1 AW wenst te handhaven. Haar zijn ‘krachtens exploitatie-, wederkerigheid- en mandaatovereenkomsten met respectievelijk auteursrechthebbenden en zusterorganisaties auteursrechten op de muziekwerken uit het wereldrepertoire overgedragen. (….) Sasur is derhalve rechthebbende van de muziek auteursrechten waarvoor zij van de Kantonrechter voorzieningen heeft verzocht’, aldus Sasur.

6.2 Gelet op deze stellingen, in het bijzonder de stelling dat aan Sasur de betrokken auteursrechten zijn overgedragen ‘krachtens exploitatie-, wederkerigheid- en mandaatovereenkomsten’, kan niet anders worden vastgesteld dan dat Sasur bij die overeenkomsten op zich heeft genomen om ten behoeve van de makers van de betrokken muziekwerken of hun rechtverkrijgenden, die overeenkomsten ten uitvoer te leggen daaronder begrepen de beoogde handhaving. De in eerste aanleg en hoger beroep door Sasur overgelegde overeenkomsten ondersteunen deze vaststelling. Zie bijvoorbeeld artikel 2 e.v. van het in hoger beroep overgelegde (in de Nederlandse vertaling:) Contract voor wederkerige vertegenwoordiging, waarin partijen elkaar over en weer het recht geven om onder meer – ‘als het nu in eigen naam is of in die van de betreffende auteur’ – handhavend op te treden. Ook blijkt uit de verdere bepalingen van deze overeenkomst dat partijen de auteursrechtvergoedingen voor elkaar innen en aan elkaar – na aftrek van kosten en dergelijke – afdragen. Dat betekent dat het niet gaat om activiteiten ten behoeve van Sasur zelf, maar ten behoeve van haar contractspartij respectievelijk de leden van die contractspartij. 

6.3 Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ‘ten uitvoer leggen’ van voormelde exploitatie-, wederkerigheid- en mandaatovereenkomsten en het in dat verband handhavend optreden door Sasur valt onder de definitie van bemiddelen zoals opgenomen in het hierboven geciteerde artikel 30a lid 2 AW.

6.4 Tot dergelijke bemiddeling is alleen gerechtigd een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging als bedoeld in artikel 30c lid 1 AW. Aan die kwalificatie voldoet Sasur, een stichting, niet. Zij kan evenmin een beroep doen op de hiervoor geciteerde overgangsregeling van de wijzigingswet.

6.5 Een en ander brengt mee dat de kantonrechter de vorderingen terecht heeft afgewezen. De grief faalt derhalve.

6.6 Sasur heeft nog een beroep gedaan op de Berner Conventie en het Trips-verdrag. Het hof begrijpt de desbetreffende stellingen aldus dat Sasur aanvoert dat de Staat tekort schiet in het inrichten van een infrastructuur die rechthebbenden faciliteert hun auteursrechten adequaat te beschermen en te exploiteren alsmede dat Sasur niet in de gelegenheid is te voldoen aan de met de wijzigingswet ingevoerde eisen. Deze stellingen kunnen echter niet tot een ander oordeel leiden. Zelfs indien deze stellingen juist zouden zijn, zouden zij immers nog niet rechtvaardigen dat Sasur in afwijking van de wijzigingswet zou mogen handhaven en – gelet op het hiervoor overwogene: daarmee – bemiddelen in de zin van artikel 30a lid 2 AW.

7. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bevestigen. Het hof zal Sasur als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 7 april 2016 (A.R. No. 15-3099);

veroordeelt Sasur in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de Staat gevallen en tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. A.C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 april 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R.A.W. Birtantie namens advocaat mr. D. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellante noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

 

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld