SRU-HvJ-2011-7

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 04/2011
  • Uitspraakdatum 01 juni 2011
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Bevestiging vonnis kantonrechter met aanvulling en verbetering van gronden. Geslaagd beroep op noodweerexces door hevige gemoedsbeweging, ontslag van alle rechtsvervolging voor mishandeling met de dood tot gevolg.
    Een vrouw heeft haar partner met gasoline overgoten en in brand gestoken, waardoor hij is komen te overlijden. De dag ervoor had hij de relatie verbroken en haar vervolgens op gewelddadige wijze seksueel misbruikt. Vervolgens heeft hij haar teruggebracht naar het dorp van haar moeder en op vernederende wijze afgewezen. Het Hof acht op basis van de verklaring van een psychiater en een psycholoog bewezen dat de vrouw heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging die was ontstaan door de gewelddadige aanranding en de vernederende afwijzing en zonder daarbij de gebruikelijke grenzen van de proportionaliteit en de subsidiariteit in acht te nemen, hetgeen kenmerkend is bij noodweerexces.

Uitspraak

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 04/2011

Uitspraak: 01 juni 2011 VERSTEK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen 14 december 2004 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte], geboren te [District 1], ten tijde van de uitspraak [leeftijd] jarèn oud, geen beroep en wonende te [Plaats 1] in het [District 2], thans ip vrijheid gesteld; niet verschenen.

Ontvankelijkheid

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 15 december 2004 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de vervolgingsambtenaar tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzittin in ho er beroe

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende de verdachte ten aanzien van het onder A, B en C ten laste gelegde zal vrijspreken en de verdachte ten aanzien van het onder D ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht en met bevel tot gevangenneming.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 december 2004 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake van het onder A, B en C ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake het onder D ten laste gelegde (zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende) ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van gronden ten aanzien van de overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte.

De strafbaarheid van de verdachte

In eerste aanleg is van de zijde van de verdediging aangevoerd, dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsman betoogd dat de verdachte heeft gehandeld vanuit een van buiten komende drang, waaraan zij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden (psychische overmacht), dan wel dat zij de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door een wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt (noodweerexces).

Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het volgende gebleken.

De verdachte heeft het [Slachtoffer] op 4 februari 2004 met gasoline overgoten en vervolgens met een aansteker in brand gestoken. Het slachtoffer heeft als gevolg van dit handelen ernstige brandverwondingen opgelopen, als direct gevolg waarvan hij is komen te overlijden.

De verdachte en het [Slachtoffer] hadden een affectieve relatie, welke door het slachtoffer is verbroken op 3 februari 2004. In de daaropvolgende nacht is de verdachte, volgens haar eigen verklaring, op een pijnlijke en vernederende wijze seksueel misbruikt door [Slachtoffer]. Het slachtoffer heeft de verdachte, nadat hij zijn geslachtsdeel met een zwelmiddel, te weten afrodisiacum, had ingesmeerd, tegen de wil van de verdachte met geweld anaal misbruikt. De volgende dag is de verdachte samen met het slachtoffer per boot vertrokken naar het dorp [Plaats 1]. Daar aangekomen deelde het slachtoffer aan de moeder van de verdachte mede dat hij de relatie met de verdachte had beëindigd en haar om die reden had teruggebracht naar haar moeder. Na die mededeling liep het slachtoffer terug richting de boot. De verdachte liep achter het slachtoffer aan en heeft hem daarop verzocht om de relatie niet te beëindigen. Na zijn herhaalde afwijzing, is zij daarop in woede ontstoken en heeft zij het slachtoffer overgoten met gasoline, waarna zij het slachtoffer in aanraking heeft gebracht met vuur.

Daarnaar gevraagd heeft de verdachte in het voorbereidend onderzoek onder meer verklaard tot haar daad te zijn gekomen als direct gevolg van het seksuele misbruik in de nacht voorafgaand aan het bewezen verklaarde handelen, en voorts mede als gevolg van de vele mishandelingen die de verdachte gedurende de relatie heeft ondergaan en uiteindelijk de vernederende wijze waarop zij op die dag is gedumpt door het slachtoffer met de mededeling door hem dat zij geen enkele man haar meer zou aanvaarden als vrouw vanwege het anaal misbruikt zijn. De verdachte heeft als gevolg van die mishandelingen een aantal miskramen te verduren gehad.

Uit onderzoek aan het lichaam van de verdachte op 11 februari 2004, enkele dagen na het voorval, is komen vast te staan dat er sprake was van erosieve letsels aan de anus van de verdachte en uitwendige bloedingen. De arts heeft op basis van zijn bevindingen een hersteltijd van 10 tot 14 dagen voorgeschreven. Hieruit kan worden afgeleid dat het waargenomen letsel bij de verdachte bij elkaar 17 tot 21 dagen in beslag zou nemen, hetgeen naar het oordeel van het hof met zich meebrengt dat bij het bij de verdachte geconstateerde letsel als relatief zwaar dient te worden aangemerkt. Voorts acht het hof de verklaring van de verdachte dat zij seksueel is misbruikt op basis van deze bevindingen aannemelijk geworden.

Naar het oordeel van het hof kan uit het vorenstaande worden afgeleid dat er een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft plaatsgevonden ten opzichte van het lichaam van de verdachte in de nacht voorafgaand aan het bewezen verklaarde handelen. Ten tijde van het handelen door de verdachte was van een noodweersituatie echter geen sprake meer, aangezien de wederrechtelijke aanranding was afgelopen. Daarbij stelt het hof vast dat de verdachte met haar bewezen verklaarde handelen de grenzen van een noodzakelijke verdediging (proportionaliteit) heeft overschreden.

Naar het oordeel van het hof kan onder omstandigheden van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging ook sprake zijn, indien op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch deze gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijk aanranding.

Uit de inhoud van het rapport d.d. 15 september 2004 van rapporteur K.I.R. Jadnanansing, psychiater blijkt dat de verdachte zich ten tijde van het bewezen verklaarde handelen zo in haar eer gekrenkt voelde, dat tijdelijk sprake was van een bewustzijnsvernauwing, hetgeen ook als ziekelijk kan worden aangemerkt. De ten laste gelegde feiten kunnen haar dan ook in verminderde mate worden aangerekend, aldus de psychiater.

Uit de inhoud van het rapport van drs. H.E. Essed, psycholoog NIP, blijkt voorts dat de verdachte als gevolg van het gebeuren in de voorafgaande nacht in een situatie van verminderde psychische weerstand is komen te verkeren, als gevolg waarvan ook hij concludeert tot een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid.

Het hof zal zich verenigen met de reeds weergegeven conclusies c.q. bevindingen van Jadnanansing en Essed en maakt deze tot de zijne.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van de conclusies van de psychiater en de psycholoog worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde heeft gehandeld vanuit een ongewone psychische toestand. Het hof stelt voorts vast dat de psychische druk, waar de verdachte mee te kampen heeft gehad is ontstaan als onmiddellijk gevolg van de gewelddadige aanranding in de nacht voor het bewezen verklaarde handelen gevolgd door vernederende afwijzing van haar door het slachtoffer tot continuering van de relatie. Als gevolg hiervan is er naar het oordeel van het hof een hevige gemoedsbeweging ontstaan, van waaruit de verdachte heeft gemeend te moeten handelen jegens het latere slachtoffer. Het hof stelt zich voor dat het misbruik, de vernedering, het onbruikbaar verklaard zijn en het gedumpt worden bij de moeder een aaneenschakeling van emoties heeft veroorzaak bij de verdachte, waarbij de uiteindelijke afwijzing door het slachtoffer naar het oordeel van het hof waarschijnlijk heeft gefungeerd als de welbekende druppel die de emmer heeft doen overlopen, als gevolg waarvan de verdachte heeft gehandeld, zonder daarbij de grenzen van de proportionaliteit en de subsidiariteit in acht te nemen.

Onder deze omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte een geslaagd beroep op het noodweerexces toekomt, ook al is zij in haar handelen de gebruikelijke grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit te buiten gegaan. Kenmerkend bij het handelen vanuit het noodweerexces is dat de grenzen van een noodzakelijk verdediging zijn overschreden, zodat het niet voldaan zijn aan de eisen van de proportionaliteit en subsidiariteit een geslaagd beroep op noodweerexces naar het oordeel van het hof niet in de weg staat.

Nu naar het oordeel van het hof sprake is geweest van handelen op grond van noodweerexces, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdachte is derhalve niet strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 december 2004, met aanvulling en verbetering van gronden, waarbij de verdachte – verkort weergegeven – ter zake van het onder A, B en C ten laste gelegde is vrijgesproken en ten aanzien van het onder D ten laste gelegde (zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende) ontslagen is van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door: mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend President, mr. A.C. Johanns en mr. D.G.W. Karamat Ali, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh als fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 01 juni 2011.

w.g. GA. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh     w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

                                                                                  w.g. A.C. johanns

                                                                                  w.g. D.G.W. Karamat Ali