SRU-HvJ-2009-6

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 07/2009
  • Uitspraakdatum 17 juli 2009
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter omdat het, in strijd met artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering, geen aanduiding van de inhoud van de bewijsmiddelen bevat en de bewezenverklaring niet is opgenomen. In een uitvoerig gemotiveerd vonnis acht het hof – evenals de kantonrechter- de verdachte schuldig aan moord, zware mishandeling en opzettelijke brandstichting met levensgevaar voor andere personen en wordt de veroordeling tot 18 jaar gevangenisstraf onder aftrek van voorarrest gehandhaafd.

Uitspraak

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 07/2009

Parketnummer: 1-1-1893

Uitspraak: 17 juli 2009

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 17 augustus 2006 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte] geboren op [geboortedatum 1] in het [District 1] (Suriname), wonende aan de [Adres 1], thans gevangen gehouden,

verschenen in persoon en bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Kraag, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 23 augustus 2006 op de voorgeschreven wijze en tijdig appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 31 augustus 2006 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben de beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzittinq in hoqer beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton zal bevestigen, onder aanvulling van bewijsmiddelen en met bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

De verdediging heeft:

  • primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder I ten laste gelegde;
  • voorts bepleit dat de verdachte ten aanzien van het hem bij inleidende dagvaarding onder II en III ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een duur niet langer dan door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 17 augustus 2006 is de verdachte ter zake van moord, een zware mishandeling en het opzettelijk stichten van brand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren, met openbare tewerkstelling en met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafvordering, met handhaving van de gevangenhouding van de verdachte.

Het hof is gebleken dat in het vonnis a quo (voormeld) de bewezenverklaring niet is opgenomen, doch dat de kantonrechter heeft volstaan met het vermelden van de kwalificatie. Reeds daarom kan het hof zich niet verenigen met het vonnis a quo. Nu het vonnis a quo, in strijd met artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering, evenmin een aanduiding van de inhoud van de bewijsmiddelen bevat, voor zover deze tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten geldt, zal het hof het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

De tenlasteleqqinq:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder I, II en III van de inleidende dagvaarding ten laste is gelegd, zoals aangegeven in bijlage I, met dien verstande, dat hij:

IA: op 23 december 2003 te [Plaats], opzettelijk en met voorbedachten rade [Slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hebbende hij verdachte, na in kalm beraad en rustig overleg – het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd om die [Slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven – ter uitvoering van dat voornemen of dat plan zich op een eerder tijdstip begeven naar de woning van die [Slachtoffer 1] en op uitnodiging van de ouders van die [Slachtoffer 1] op het balkon van voormelde woning plaatsgenomen en die [Slachtoffer 1] opgewacht en – toen die [Slachtoffer 1] thuis arriveerde – die [Slachtoffer 1] tegemoet gelopen en vervolgens opzettelijk één of meer schoten met een vuurwapen gelost op het voorhoofd en in het lieskanaal van die [Slachtoffer 1] voornoemd, hebbende die [Slachtoffer 1] ten gevolge van die vorenomschreven handelingen bekomen, zodanige letsels als omscheven in het visum et repertum, uitgebracht door professor. dr. M.A. Vrede, patholoog, zijnde die [Slachtoffer 1] ten gevolge van die letsels overleden.

IIA: op 08 maart 2005 te [Plaats], opzettelijk [Slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, hebbende hij verdachte, toen en aldaar die [Slachtoffer 2] achterna gerend en opzettelijk met een mes meer steken in het lichaam van die [Slachtoffer 2] toegebracht, hebbende die [Slachtoffer 2] ten gevolge van vorenomschreven handelingen een kapwond en een gecompliceerde fractuur aan de rechterbovenarm, in ieder geval zwaar lichamelijk letsel bekomen.

III: op 8 maart 2005 te [Plaats], opzettelijk brand heeft gesticht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten was, hebbende hij, verdachte, toen aldaar een brandende kaars, welke zich op een tafel in de kamer van een woning bevond in aanraking gebracht met een in voormelde ruimte aanwezig bankstel, waardoor voormeld bankstel in brand geraakte, waardoor vervolgens voormelde woning en de daarin aanwezige goederen in brand geraakten en daardoor gemeen gevaar voor goederen en voor de alstoen in de woning aanwezige goederen en levensgevaar voor onder meer [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 3], die zich alstoen in de benedenwoning bevonden te duchten is geweest.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof qebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder IA bewezen verklaarde feit:

Het op ambtsbelofte op 23 december 2003 door A.V. Ganpat (agent van politie Eerste Klasse) opgemaakt prQces-verbaal, doorgenummerde pagina’s 109 tot en met 111, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als relaas van bevindingen van de betreffende verbalisant, inhoudende:

”Op 23 december 2003, omstreeks 19.45 uur werd portofonisch bericht ontvangen van de Centra/e Meldkamer dat kort te voren aan de [Adres 2] bij de familie [Naam 3] een manspersoon middels âvee schoten uit een vuistvuurwapen om het leven is gebracht. Naar aanleiding van deze melding begaf ik mij vergezeld door de ambtenaren van politie W. Lamsberg en S. Gokoe/ op het opgegeven adres, teneinde een onderzoek in te stelen. Op het opgegeven adres trof ik op de zandberm voor de omrastering een manspersoon van Hindoestaanse komaf aan. Hij lag op zijn rug. Hij was gekleed in een crèmekleurige trui en een pantalon, terwij/ zijn hoofd en trui bebloed was. Zijn voorhoofd vertoonde een verwonding, waaruit bloed sijpelde. Op mijn roepen reageerde hij niet en hij vertoonde geen tekenen van leven meer. Staande het onderzoek vervoegde een manspersoon zich bij mij die opgaf te zijn [Naam 1]. Hij verklaarde dat de persoon die op de grond lag zijn zoon is die ten rechte is geheten: [Slachtoffer 1]. Hij verklaarde dat een haf uur terug een manspersoon van het gemende ras gezeten op een groen gelakte bromfiets, damesmode/ van het merk Yamaha thuis bij hem is geweest en naar zijn zoon vroeg. [Slachtoffer 1] was op dat moment niet thuis en de manspersoon hield hem voor dat hij zijn zoon dringend nodig had. Hierop belde zijn echtgenote [Slachtoffer 1] op zijn mobiele telefoon, waarna de bedoelde manspersoon zich met de telefoon naar de straat begaf en het gesprek met [Slachtoffer 1] verder voerde. Hierna kwam de manspersoon weer naar het terras toegelopen en nam hij plaats op de stoe/ op het voorterras. Hij hield hun voor dat hun zoon onderweg was naar hem toe. Hij verklaarde verder dat zijn zoon na ongeveer vijf minuten thuis aankwam, zijn voertuig aan de buitenzijde plaatste, uitstapte en naar de poort toeliep. Op hetzelfde moment zag hij de bedoelde manspersoon opstaan en naar buiten lopen. Hij haalde een vuistvuurwapen, dat hij onder zijn trui had bewaard tevoorschijn, richtte dat op zijn zoon en loste vervolgens twee schoten. Hij zag zijn zoon neerva//en. (…) Volgens zijn verklaring was de bedoelde manspersoon 1.60 meter lang, had een normaa/ postuur, was gekleed in een bruingek/eurde /angemouwtrui en had hij een zwarte hoofddoek op zijn hoofd gebonden. Zijn echtgenote die eveneens ter plaatse werd aangetroffen en opgafte zijn, [Naam 2] en wonende op voormeld adres, bevestigde de verklaring van haar echtgenoot. (…) De inmiddels ter plaatse gearriveerde arts, drs. I.R. Toe/sie, stelde de dood vast'(

B.

Het op ambtsbelofte op 14 februari 2005 door D. Bhattoe (onderinspecteur bij politie) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 131 tot en met 137, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Naam 1], inhoudende:

”Op 20 december 2003 bevond ik mij omstreeks 19.00 uur samen met mijn vrouw thuis. Bij deze gelegenheid verscheen een manspersoon op een bromfiets bij de poort. Mijn zoon [Slachtoffer 1] was enkele dagen daarvoor vertrokken met de mededeling dat hij naar [District 2] zou gaan. Voorts had hij ons voorgehouden dat hij op maandag 22 december 2003 terug zou komen. Nadat de man met de bromfiets bij de poort was gestopt en mij op het terras had gezien, vroeg hij mij in het Surinaams of [Slachtoffer 1] thuis was. Hij deelde mij mede dat hij een vriend van [Slachtoffer 1] was en dat hij hem wilde ontmoeten. Nadat ik hem kenbaar had gemaakt dat hij na twee dagen terug moest komen, bracht hij de bromfiets weer op gang door op de starterpedaa/ te trappen en reed hij weg (…).

Op dinsdag 23 december 2003 bevond ik mij weer thuis met mijn vrouw. Mijn zoon was a/ weer in [Plaats]. Bij die gelegenheid verscheen dezelfde man op dezelfde bromfiets weer bij de poott. Nadat hij was gestopt, vroeg hij mij of [Slachtoffer 1] thuis was. Ik moet u verklaren dat mijn zoon de bijnaam [Slachtoffer 1] heet. Ik hield hem voor dat mijn zoon a/ in [Plaats] was, doch niet thuis aanwezig was. Hierop zei de man tegen mij dat hij [Slachtoffer 1] dringend moest ontmoeten. Aangezien [Slachtoffer 1] ons had voorgehouden hem te benen, wanneer de man zou terugkomen, belde mijn vrouw hem op. Nadat zij [Slachtoffer 1] aan de lijn had, vroeg [Slachtoffer 1] aan zijn moeder om de telefoon aan de man te geven, zodat hij tot de man kon praten. Zodoende gaf zij de telefoon aan de man. Wat zij precies hebben besproken, heb ik niet kunnen volgen, maar na beëindiging van het gesprek, zei de man dat hij op [Slachtoffer 1] moest wachten. Naar aanleiding daarvan nodigde ik de man toen uit om op een stoe/ op het balkon/terras op de begane grond aan de voorzijde plaats te nemen. Hij nam toen plaats. Kott daarna vroeg de man om een glas koud water. Mijn vrouw is toen water gaan halen. Toen mijn vrouw het water in een Was gaf, verwijderde de man de va/he/m van zijn hoofd. Ik kon zijn gezicht daarbij goed zien en ik nam toen ook waar dat hij zijn hoofd had gebonden met een zwarte doek, a/s gevolg waarvan ik zijn haardracht niet goed kon zien. Hij had dezelfde va/he/m op als de eerste keer. De man is slank van postuur, kan ongeveer 1.60 meter lang zijn en had een bruine huidskleur. Hij is een mix type, vermoedelijk een mix tussen een creoo/ met een indiaan of Javaan. In ek geva/ heb ik deze man bij een eerder gehouden spiege/confrontatie herkend en hem aangewezen. Ik heb daaromtrent reeds een verklaring afgelegd en daar persisteer ik bij. (…) Ongeveer een kwartier hierna kwam mijn zoon aangereden met zijn auto. De man vroeg toen aan mij of het [Slachtoffer 1] was, waarop ik hem bevestigend antwoordde. De man stond toen gelijk op, nadat hij zijn va/he/m op zijn hoofd had gezet en liep toen gelijk op [Slachtoffer 1] af, die net zijn auto was uitgestapt. Ik hoorde mijn zoon aan de man vragen wie hij was en van waar hij hem kende en waarom hij had gezegd dat hij een vriend van mijn zoon was. Hierop kreeg hij geen antwoord. Daarna nodigde mijn zoon hem uit om te komen zitten, zodat hij kon horen wat de man hem te verte//en had. De man zei toen dat hij niet zou gaan zitten. Mijn zoon draaide zich toen weer om naar de man en op datzelfde moment trok de man een vuistvuurwapen vanuit de onderkant van zijn trui. Hij schoot in de richting van mijn zoon die gelijk daarna vie/ en loste vervolgens een tweede schot in de richting van mijn zoon. Ik maakte toen aanstalten om mijn zoon te helpen, maar toen de man zulks zag, richtte hij het wapen op mij. Ik zocht toen dekking achter een pilaar van de schutting, waarna de man op zijn bromfiets sprong en wegreed

C.

Het op ambtsbelofte op 4 januari 2005 door D. Bhattoe (onderinspecteur bij politie) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 138 tot en met 143, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Naam 2], inhoudende:

’t…) Op 23 december 2004 (het hofbegrijpt: 2003) bevond ik mij samen met mijn man thuis. Omstreeks 19.00 uur verscheen dezelfde man op dezelfde bromfiets weer bij de poort. Hij vroeg mij weer naar mijn zoon (…). Na het gesprek liet mijn echtgenoot de man binnen en plaatste hij een stoe/ op de voorbalkon, waarop de man plaats nam. Mijn man en ik namen a//bei ook plaats op het balkon. Op een gegeven moment vroeg de man om een glas water. Ik ben toen water gaan halen en ik gaf hem water met wat resten ijs. De man verwijderde daarbij de va/he/m om het water te kunnen drinken en ik kon toen zijn gezicht goed zien. Ik zag daarbij dat hij op zijn hoofd een zwarte doek had gebonden. (…) Ik kwam toen buiten en mijn man hield mij voor dat mijn zoon was doodgeschoten door de man. Ik zag geen spoor van de man, terwij/ ik mijn zoon bij de poort op de grond aantrof. Hij reageerde daarbij niet en ik vermoed dat hij gelijk moet zijn overleden. (…) Kort tevoren hebt u mij in de gelegenheid geste/d om drie manspersonen te observeren via een spiege/confrontatie. De drie mannen waren in een aparte ruimte naast elkaar opgesteld. Zij hadden alen een nummer hangen ter hoogte van hun borst en waren alen gekleed in blauwe ketelpakken. Nadat ik de mannen goed had geobserveerd, heb ik u de man met nummer 9 aangewezen. De man met nummer 9 komt overeen met de man die mijn zoon van zijn leven heeft beroofd. Zijn lichaamslengte, gezicht en voora/ zijn ietwat slaperige ogen komen compleet overeen met die van de man in kwestie. (…) U zegt mij dat de man met het nummer 9 ten rechte [Verdachte] is genaamd

D.

Het op ambtsbelofte op 4 januari 2005 door P. Jethoe (onderinspecteur bij politie) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 150 en 151, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Naam 1], inhoudende:

”(…) Ik ben daarnet in de gelegenheid gesteld om via een zogenaamde spiege/confrontatie een vietta/ manspersonen dat van dezelfde bevolkingsgroep bleek te zijn en qua postuur, lichaamslengte, huidskleur, haardracht gelijkenissen met elkaar vertoonden, terwijl’ zij a//en in een blauwe pak met een nummer om hun ha/s stonden, te observeren. Bedoelde personen stonden in een andere ruimte opgesteld, terwij/ ik hen vanuit weer een andere ruimte kon gadeslaan. Bij dezen heb ik meteen en in één oogopslag de man met nummer 6 herkend. Hij is de man die op dinsdag 23 december 2003 mijn zoon heeft opgezocht en hem vervolgens heeft doodgeschoten. Ik kan mij hierin niet vergissen, omdat de man zeker een kwartier lang thuis bij mij op het terras heeft gewacht, waarbij mijn wouw hem zelfs een glas koud water had aangeboden.

Ter verduidelijking verklaar ik dat deze man, die volgens u ten rechte genaamd is [Verdachte], herken aan zijn lichaamsbouw en lengte, alsook aan zijn gezicht, mond, neus en oren, maar vooral de ogen, omdat hij de gewoonte schijnt te hebben naar beneden te kijken, dan we/ op te kijken met zijn gezicht naar beneden. Ik heb de man ook aan zijn houding bij het lopen herkend. Ik verklaar nogmaals dat een vergissing in dezen onmogelijk is en dat hij de dader is die mijn zoon heeft doodgeschoten (…)’í

E.

Het schriftelijke stuk d.d. 23 maart 2005 opgemaakt en ondertekend door D. Bhattoe, onderinspecteur van politie en gericht aan het Hoofd van de justitiële dienst van de Commissaris van Politie, doorgenummerde pagina’s 104 en 105, voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende:

”Op dinsdag 23 december 2003 werd de in leven geheten [Slachtoffer 1] voor zijn woning aan de [Adres 2] van het leven beroofd. In de maand december van dit jaar (het hof begrijpt: 2004) kreeg de recherche informatie van een betrouwbare informant die anoniem wenst te blijven en wiens personalia bekend zijn, dat de moord is gepleegd door ene [Verdachte], die een gevangenisstraf uitzat en ingesloten was in de strafinrichting Hazart in het [District 2]. De informatie werd uitgewerkt en de voornoemde verdachte bleek inderdaad een gevangenisstraf uit te zitten in de strafinrichting Hazart, terzake diefstal met geweld. Voorts is gebleken dat hij ten tijde van de moord nog op vrije voeten was. Er werd een spiege/confrontatie gehouden tussen de verdachte voornoemd en getuigen. Hierbij is hij door twee getuigen positief herkend a/s de dader”.

Het op ambtseed op 5 januari 2005 door R.S. Kalka (agent van politie Eerste

Klasse) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 160 en 165, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van T.A. Benjamin, inhoudende:

”(…) Ter verduidelijking kan ik u verklaren dat ik de gebroeders [Naam 3] ken, namelijk [Naam 4], [Naam 5] en [Verdachte]. Van deze broers weet ik data//een [Verdachte] nog in leven is. De rest is overleden. (…) Persoonlijk reed ik ook op een bromfiets. Het was van het mode/ Yamaha, groenge/akt en het was een damesmode/. Ik moet u verklaren dat deze bromfiets niet aan mij toebehoorde, maar aan [Naam 4] (…).

Ik weet niet waar [Naam 4] deze bromfiets had gekocht, dan we/ waar hij het vandaan had. Wat ik u we/ kan verklaren is dat ik bedoelde motorrijtuig wilde kopen van [Naam 4] en ik had hem hierover gesproken. [Naam 4] was akkoord gegaan hiermee en had mij voorgehouden dat ik de bromfiets voor een bedrag van toen 500.000 Surinaamse gulden kon kopen. Nadat ik dit bedrag had opgebracht, ging ik naar [Naam 4] toe om hem voor de bromfiets te betalen en het vervolgens te kopen van hem. Ik moet u thans verklaren dat in plaats dat [Naam 4] de bromfiets voor mij heeft verkocht, hij [Naam 4], voor mij vrij verrassend een jachtgeweer trok, weke hij op mij gericht hield.

Vervolgens beroofde [Naam 4] mij onder bedreiging van het jachtwapen van het geldbedrag groot SF 500.000, Desgevraagd dee/ ik mee dat deze beroving begin 2003 had plaatsgevonden. (…) U vraagt mij thans of het a//een [Naam 4] was die de groene dames Yamaha bromfiets reed en ik kan u daarop verklaren dat [Naam 4] de bromfiets het meest ging rijden, doch ook de andere broers, waar onder [Verdachte], reden ook op de bromfiets in kwestie. (…) Het vuistvuurwapen van [Verdachte] was een pistoo/ die indien ik het goed heb, nikke/k/eurig was. Het was een pistoo/ en zulks weet ik nog, omdat hij het voor mij gespannen had op de bewuste dag dat [Verdachte] bij mij thuis was geweest en de bromfiets uiteindelijk werd teruggenomen

G.

Het op ambtsbelofte op 5 januari 2005 door D. Bhattoe (onderinspecteur bij politie) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuiae, doorgenummerde pagina’s 52 tot en met 54, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Naam 6], inhoudende:

”Ik ben [Naam 6]. Ik heb vier broers gehad, waawan drie inmiddels zijn overleden. De ene die nog /eet heet [Verdachte] en is ingesloten. (…) Op uw vraag of ik [Verdachte] ook met andere bromfietsen heb gezien, waar hij mee reed, verklaar ik dat ik hem tenminste een keer heb gezien met een groen gelakte Dames Yamaha bromfiets die hij reed Volgens [Verdachte] behoorde die bromfiets toe aan ene [Naam 7]. Ik had [Naam 7] ook meermalen met dezelfde bromfiets gezien

Het schriftelijk stuk van het Pathologisch Anatomisch Laboratorium van het Academisch Ziekenhuis te Paramaribo d.d. 23 februari 2004 opgemaakt door Profa Dr. M.A. Vrede, patholoog, doorgenummerde pagina’s 86 en 87 van het dossier voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende:

”Bij obductie d.d. 24/12/2003 in het Mortuarium Academisch Ziekenhuis Paramaribo op het lijk van [Slachtoffer 1]., geboren op [geboortedatum 2], vond ik de volgende bijzonderheden: (…) Samenvattend: Een man overleden na schotverwondingen (opgave van politie). Uitwending toonde het slachtoffer  een tweeta/ schotverwondingen, waarvan de eerste ge/oka/iseerd was in het voorhoofd, op circa 2 centimeter verwijderd van de rechter-wenkbrauw (inschot). Deze schotverwonding toonde nagenoeg over de gehele omtrek een brandzone (…). Ter hoogte van het /inker/ieskanaa/ werd er een tweede schotwond gevonden (…). De hersenen toonden uitgebreide verbrijzeling van de voorkwabben en de hersenbalk. ( ..) De dood was a/s gevolg van verbrijzeling van hersenweefse/ a/s gevolg van een schotverwonding aan het voorhoofd.

Ten aanzien van de onder 11,4 en III bewezen verklaarde feiten:

Het op ambtseed op 8 maart 2004 door L.A. Nijhove (agent van politie Eerste Klasse) opgemaakt proces-verbaal, doorgenummerde pagina’s 201 tot en met 203, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als relaas van bevindingen van de betreffende verbalisant, inhoudende:

’Op maandag 8 maart 2004, omstreeks 23.55 uur begaf ik mij tezamen met de eveneens alhier dienende agent van politie Tajib naar de [Adres 3], waar volgens bekomen bericht een geva/ van mishandeling en brandstichting zou hebben plaatsgehad, teneinde een onderzoek in te stelen.

Ter plaatste aangekomen voegde aangeefster (het hof begrijpt: [Slachtoffer 3] zich bij mij en verklaarde het volgende: Heden deden zij en haar man (het hof begrijpt: [Slachtoffer 2]) hun woning omstreeks 20.00 uur aan. Zij troffen thuis en aan de voorzijde van de woning buurtbewoners aan, dit vanwege het feit dat een van haar zonen op vrijdag 5 maart/. was komen te overlijden, waardoor men bij elkaar gekomen was. Er is volgens haar a/coho/ gedronken, hetgeen tot gevolg had dat een van haar zonen (het hof begrijpt: verdachte) tekeer begon te gaan en waarbij bedreigende uitlatingen niet uitbleven. Hij wilde volgens de uitlatingen die door hem werden gedaan, bloed zien. A/s gevolg van uitlatingen van [Verdachte], had iedereen de woning verlaten (…). Ze werd op een gegeven moment bang voor hem, zo erg dat ze niet bij hem in de buurt wilde gaan. Meteen daarna stichtte hij opzettelijk brand in de woonkamer door vuur tegen enkele goederen, waar onder het bankstel, aan te houden. Deze gingen ten gevolge van die brandstichting in Wammen op. Op een gegeven moment sloeg de rookwolk over naar andere delen van de woning, a/s gevolg waarvan iedereen de woning diende te verlaten (…). Het slachtoffer in de persoon van [Slachtoffer 2] die zich op dat moment in een van de slaapkamers bevond, kon de rook niet aan en is a/s een van de eerste personen via de ramen uit de woning gevlucht. Volgens verklaring van aangeefster is haar zoon meteen daarna achter hem aan gegaan (…). De aangeefster toonde mij de woning waarin haar zoon brand had gesticht. Deze is van het type hoogbouw. Het onderste gedeelte wordt door de aangeefster en familie bewoond, terwijl de eigenaar op de bovenverdieping woonachtig is.

Staande het onderzoek voegde ik mij op de spoedeisende hu/p van het Academisch Ziekenhuis, alwaar het slachtoffer 1 (het hof begrijpt: [Slachtoffer 2]) op een van de brandcarren werd aangetroffen. Zijn bovenlichaam was nagenoeg gehee/ met Woed besmeurd, terwij/ hij constant van pijn kreunde. (…). Het slachtoffer verklaarde dat nadat hij thuis was gekomen met zijn vrouw, hij meteen naar de slaapkamer was gegaan, omdat zijn stiefzoon [Verdachte], met wie hij in onmin leefde, zich in het gezelschap bevond. (…). Via een van de ramen vluchtte hij de woning uit. Hij werd daarbij door [Verdachte] achterna gezeten. Enkele meters daarna kwam hij te va//en en werd hij door [Verdachte] genaderd. Meteen daarna maakte [Verdachte] met een scherp voorwerp opzettelijk en zonder aanleiding te hebben gekregen steekbewegingen naar het gelaat van hem, ten gevolge waan;an hij steken in zijn gelaat moest incasseren. Enke/ van de steekbewegingen heeft hij met zijn handen en voeten kunnen weren, waardoor erger kon worden voorkomen. [Verdachte] bracht hem behoorlijk wat steekbewegingen toe, waardoor hij hee/ erg vee/ pijn had geleden. Doordat het donker was, was het voor hem onmogelijk om waar te nemen met wek voorwerp de steken aan zijn lijf waren toegebracht. Hij heeft aan niemand aanleiding gegeven om met te mishandelen en zwaar lichamelijk /etse/ toe te brengen. De aanleiding van dit voorva/ is hem niet bekend”.

B.

Het op ambtseed op 13 januari 2005 door R.S. Kalka en A.R. Meerzorg (beiden agent van politie Eerste Klasse) opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde pagina’s 234 tot en met 240, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

” (…) In de voorkamer brandde een kaars op een tafel. Er was ook een tafe/k/eed op deze tafe/ en ik heb vervolgens het tafe/k/eed weggetrokken. Hierdoor moet de kaars op de bankstel zijn gekomen, waardoor deze in brand vloog.

c.

Het op ambtseed op 11 januari 2005 door R.S. Kalka (agent van politie Eerste Klasse) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 125 tot en met 130, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Slachtoffer 2], inhoudende:

”Nadat u verbalisant mij heeft voorgehouden waarover u mij bij proces-verbaa/ wenst te horen, namelijk omtrent de aangifte gedaan door mijn persoon ter zake opzettelijke brandstichting en zware mishandeling gepleegd door mijn stiefzoon [Verdachte] op 8 maart 2004, kan ik u dienaangaande het volgende verklaren:

(…) Het moet die avond omstreeks 23.30 uur – 00.00 uur zijn geweest dat ik op bed lag uit te rusten, toen ik plotseling hoorde dat [Verdachte] tekeer ging in de woning (…). In ieder geva/ hoorde ik dat [Verdachte] a//es wat hij maar kon vinden in de woning kapot sloeg. Op een gegeven ogenblik kwam mijn wederhe/Ê naar mij in de slaapkamer en het wat op dat moment dat ik wilde gaan kijken wat er met [Verdachte] aan de hand was. Mijn wederhelft hield mij toen voor om niet de slaapkamer uit te gaan, omdat [Verdachte] met een mes gewapend was. (…) Ervan uitgaande dat [Verdachte] vertrokken was, kwam ik uit de slaapkamer en wat ik toen zag, was verschrikkelijk. Ik zag dat [Verdachte] in de slaapkamer stond, terwijl’ het bankste/ in de voorkamer in brand stond. Voor mij was duidelijk dat [Verdachte] het bankste/ opzettelijk in brand had gestoken. Dit vormde levensgevaar voor zowel mijn persoon en mijn wederhelft, maar meer nog voor onze achtjarige dochter die in een slaapkamer lag te slapen.

..) Het gevaar bestond ook voor mensen die boven in de woning woonden. (…) In ieder geva/ was ik behoorlijk in de war en vluchtte ik uiteindelijk de woning uit. Ik rende de straat op en werd meteen door [Verdachte] achterna gezeten, die nog steeds gewapend was met een mes. Het volgende moment kon ik mij niet meer uit de voeten maken en gelukte het [Verdachte] mij te benaderen. Het was alsof de duive/ [Verdachte] had overgenomen en zonder dat ik hem daartoe enige aanleiding had gegeven, bracht [Verdachte] mij vele steken toe met het mes, waarmee hij was gewapend. Ik op mijn beurt had geen andere mogelijkheid dan de steken met mijn handen af te weren. [Verdachte] probeerde mij te vermoorden, terwij/ ik hem niets had aangedaan. Ik zag dit daar [Verdachte] steeds weer probeerde fata/e delen van mijn bovenlijf en gelaat te steken. Dit gelukte hem niet, daar het mij steeds lukte om deze steken met mijn armen af te weren.

Echter heb ik door de steken toegebracht door [Verdachte], zovee/ dat ik niet exact kan aangeven hoevee/ steken hij mij opzettelijk heeft toegebracht, hee/ wat zware verwondingen opgelopen aan zowe/ mijn linkerarm alsook mijn rechterarm. Ook aan mijn linkerbeen heb ik een steek moeten incasseren”.

D.

Het schriftelijk stuk van de Korps Politie Suriname d.d. 8 april 2004 opgemaakt door de districtsgeneesheer, doorgenummerde pagina’s 51 van het dossier voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende:

”Bij dezen wordt u verzocht een geneeskundig onderzoek in te stelen bij, [Slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 2] te [District 1], wegens mishandeling en van uw bevindingen zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan mij te doen aan de hand van onderstaande vragen, zo nodig met toelichting op bijlagen.

  1. Welk letsel heeft u bij bovengenoemde waargenomen?

Multipele kapwonden aan de linker onderarm en rechter bovenarm en de hand (…).

2a. Laat het letsel uitzicht op volkomen genezing?

Onzeker.

2b. is voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van de ambts- en beroepsbezigheden waarschijnlijk?

Onzeker.

2c. Hoe lang acht u de tijd van de tijdelijke ziekte of van de verhindering in de uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden?

Onzeker.

A/dus op beroepseeed opgemaakt op 9 maart 2004 door de orthopeed’í

E.

Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 februari 2009, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte inhoudende:

”Ik erken mij schuldig te hebben gemaakt aan de onder II en III ten laste gelegde feiten, te weten het opzettelijk brandstichting en de zware mishandeling. Ik heb op 8 maart 2004 niet a//een opzettelijk brand gesticht in de woonkamer van de woning van mijn moeder, maar ook heb ik mijn stiefvader [Slachtoffer 2] meermalen met dat mes gestoken, als gevolg waarvan hij lichamelijk letsel heeft opgelopen’.

De biizondere overweqinqen omtrent het bewijs

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder I ten laste gelegde moord. Hiertoe heeft de raadsman zakelijk weergegeven – betoogd dat de verklaringen van de anonieme getuige, vanwege het ontbreken van deugdelijk onderzoek naar de bron van de informatie c.q. de persoon van zijn informant, als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt, weshalve deze verklaring niet mag worden gebezigd voor het bewijs.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat nu de gehouden spiegelconfrontaties, waarbij verdachte is herkend door de getuigen, niet de minimale kwaliteitstoets voor wat betreft de objectiviteit kunnen doorstaan, de resultaten van deze spiegelconfrontaties om die reden niet bruikbaar zijn voor het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De raadsman heeft voorts betoogd dat nu de zus van de verdachte, [Naam 6] niet is gewezen op het haar toekomende verschoningsrecht, de door haar ter zake afgelegde verklaring niet mag worden gebezigd voor het bewijs. Ten slotte heeft de raadman nog gewezen op het ontbreken van nader technisch onderzoek op de plaats delict, het niet nader kunnen ondervragen van de getuige [Naam 7] ter terechtzitting in hoger beroep en de twijfelachtige achtergrond van het overleden slachtoffer, redenen waarom de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder I ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Naar het oordeel van het hof vindt de door of namens de verdachte bepleite vrijspraak zijn weerlegging in de redengevende feiten en omstandigheden die volgen uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen.

Het hof zal de verweren hierna afzonderlijk bespreken.

Met betrekking tot de bruikbaarheid van de resultaten spiege/confrontaties:

Het hof stelt bij de beoordeling van het verweer betreffende de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de resultaten van de spiegelconfrontaties als uitgangspunt voorop dat de daaruit verkregen resultaten als betrouwbaar dienen te worden aangemerkt, behoudens contra-indicaties. Voorts dient naar het oordeel van het hof de door de verdediging gestelde onbetrouwbaarheid van de resultaten naar het oordeel van het hof tegen de achtergrond van de overige zich in het dossier bevindende stukken te worden bezien.

Ten aanzien van de wijze waarop de spiegelconfrontaties zijn gehouden, heeft de inspecteur van politie D. Bhattoe ter terechtzitting in hoger beroep een aanvullende verklaring afgelegd. Hij heeft daarbij verklaard dat bij de spiegelconfrontaties doorgaans wordt gewerkt met figuranten die op dat moment beschikbaar zijn. Er is geen vaste groep van personen die als figurant kan fungeren en er kunnen,

afhankelijk van het aanbod, tussen de vier tot zeven personen worden ingezet als figurant, een en ander afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waar

onder, naar het hof aanneemt, ook de persoonlijke kenmerken van de verdachte. Het hof is, gelet op deze afgelegde verklaring en mede gelet op het ontbreken van specifieke richtlijnen met betrekking tot de procedure van de spiegelconfrontaties, van oordeel dat van de zijde van de politie in beginsel alle mogelijke waarborgen in acht zijn genomen, teneinde de spiegelconfrontatie zo deugdelijk en rechtmatig mogelijk te laten verlopen.

Aan de raadsman kan worden toegegeven dat uit de onderliggende stukken niet expliciet naar voren komt dat de opsporingsambtenaar die betrokken is geweest bij de spiegelconfrontatie speciaal daartoe opgeleid was. Echter, die enkele vaststelling dwingt naar het oordeel van het hof nog niet tot de conclusie dat de resultaten van de spiegelconfrontaties, reeds om die reden als onbruikbaar terzijde dienen te worden gesteld. Het hof stelt in dit verband als uitgangspunt voorop dat er vanuit dient te worden gegaan, dat door politie en justitie conform de geldende wetgeving en richtlijnen te allen tijde integer wordt gehandeld. Slechts indien door feiten dan wel omstandigheden gerede twijfel aan de rechtmatigheid van het handelen naar voren komt, dient een nader onderzoek te volgen. Naar het oordeel van het hof is van zodanige feiten of omstandigheden niet gebleken.

Op grond van de processen-verbaal naar aanleiding van de spiegelconfrontaties stelt het hof tevens vast dat de getuige [Naam 1] uit een groep van in totaal vier personen die van dezelfde bevolkingsgroep bleken te zijn, de verdachte in een oogopslag heeft herkend aan zijn lichaamsbouw, lengte, gezicht en (de manier van kijken van) zijn ogen. Bij de spiegelconfrontatie met de getuige [Naam 2] is voorts gebruik gemaakt van twee figuranten, waarbij deze getuige de verdachte eveneens heeft herkend aan zijn lichaamslengte, gezicht en in het bijzonder zijn slaperige ogen. Gelet op de omstandigheid dat voorafgaand aan de moord de dader langere tijd in de directe nabijheid van de beide getuigen heeft verbleven en beide getuigen zijn gezicht goed hebben kunnen zien, is het hof van oordeel dat aan de herkenning door beide getuigen in het kader van het bewijs zonder meer doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

Het hof vermag niet in te zien welk belang de getuigen erbij kunnen hebben gehad om een andere persoon dan diegene die de moord op hun zoon heeft uitgevoerd aan te wijzen. Met de raadsman is het hof van oordeel dat er vele invloeden zijn, die kunnen inwerken op de betrouwbaarheid van een positieve herkenning. Echter, nu het hof niet is gebleken van feiten of omstandigheden die van negatieve invloed zijn geweest op de verkregen resultaten van de spiegelconfrontaties, dienen de resultaten van de spiegelconfrontaties als betrouwbaar te worden aangemerkt, weshlave zij naar het oordeel van het hof ook bruikbaar zijn voor het bewijs.

Met betrekking tot het verschoningsrecht ten aanzien van de getuige [Naam 6]:

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de opsporingsambtenaar voorafgaand aan het verhoor van [Naam 6], zijnde de zus van de verdachte (en bloedverwant in de rechte lijn als bedoeld in artikel 197 van het Wetboek van Strafvordering) haar niet heeft gewezen op het haar toekomende verschoningsrecht. Echter anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat dit nalaten niet met zich meebrengt dat de door haar afgelegde verklaring aldus onbruikbaar zou zijn voor het bewijs.

Naar het oordeel van het hof kan uit (het systeem van) de wet niet worden afgeleid dat er een wettelijk verhoorvoorschrift bestaat, dat een tot verschoning bevoegde getuige voorafgaand aan diens verhoor op diens bevoegdheid dient te worden gewezen.

Weliswaar is in artikel 273 van het Wetboek van Strafvordering bepaald dat de President, alvorens een getuige te horen, diens identiteit, beroep en eventuele verwantschap met de verdachte moet vaststellen, en is het aannemelijk dat de wetgever daarmee heeft beoogd een gepaste uitoefening van het verschoningsrecht te bevorderen, maar een verplichting om nadrukkelijk op dat verschoningsrecht te wijzen is noch in artikel 273, noch elders in het Wetboek van Strafvordering voorzien. Nu het dus, anders dan met betrekking tot de cautieplicht geldt, geen wettelijk geregeld verhoorvoorschrift is, noch voor het onderzoek ter terechtzitting, noch voor het verhoor bij de rechter-commissaris, kan de door de getuige afgelegde verklaring zonder meer worden gebezigd voor het bewijs.

Wellicht ten overvloede merkt het hof nog op dat het afleggen van een verklaring door een getuige verplicht is, indien de oproep uitgaat van een (zittings)rechter. De wet verplicht een als getuige te horen persoon evenwel niet te gehoorzamen aan een daartoe strekkende oproep of uitnodiging van een opsporingsambtenaar. Is eenmaal een verhoorsituatie ontstaan, dan is er dus ook geen verplichting de vragen van de opsporingsambtenaar te beantwoorden. Een getuige heeft de bepalingen rond het verschoningsrecht derhalve niet nodig om het verhoor door een opsporingsambtenaar uit de weg te gaan dan wel diens vragen onbeantwoord te laten. Dit laat onverlet dat het door een opsporingsambtenaar, voorafgaand aan een verhoor, wijzen op het verschoningsrecht, mede gelet op het enerverende karakter van een verhoor door een opsporingsambtenaar en overige implicaties voor een getuige, als uitermate raadzaam dient te worden aangemerkt.

Overige verweren:

Nu het hof geen gebruik zal maken van de verklaringen die zijn afgelegd door de anonieme getuige, behoeft dit verweer van de zijde van de verdediging naar het oordeel van het hof geen nadere bespreking.

De verweren worden mitsdien – in al hun onderdelen – verworpen.

De strafbaarheid van de feiten

Het onder I A bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder II A bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 362, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder III bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 207 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De kantonrechter heeft de verdachte ter zake van een moord, een zware mishandeling en het opzettelijk stichten van brand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met openbare tewerkstelling en met aftrek van door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van die uitspraak in verzekerde bewaring doorgebrachte tijd.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton zal bevestigen.

De verdediging heeft een lagere straf bepleit dan door de kantonrechter in eerste aanleg is opgelegd, te weten voor een duur niet langer dan door de verdachte in voorarrest is doorgebracht.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met:

  • de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;
  • de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor (gewelds)misdrijven en;
  • het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is geweest.

Het hof overweegt hierbij in het bijzonder het navolgende:

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uiterst kille moord op een persoon in bijzijn van zijn ouders. Moord is een van de zwaarste delicten uit het Wetboek van Strafrecht vanwege de zeer ingrijpende en onomkeerbare gevolgen van de daad.

Uit het dossier heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte bij zijn handelen uitermate berekenend te werk is gegaan, waarbij hij, nadat het slachtoffer bij zijn ouderlijke woning arriveerde, nagenoeg direct is overgegaan tot het trekken van een vuistvuurwapen en het lossen van de dodelijke schoten op het slachtoffer. Een dergelijke vorm van bruut geweld, die het karakter lijkt te hebben van een kille afrekening, dient naar het oordeel van het hof ernstig te worden afgekeurd.

Het hof rekent het de verdachte ook aan dat hij, na te zijn aangehouden, geen openheid van zaken heeft gegeven over het gebeuren. De verdachte heeft voorts, in aanmerking genomen zijn ontkennende houding, geen enkel inzicht verschaft in zijn beweegredenen om tot deze moord over te gaan. Deze onduidelijkheid zal de daad voor de nabestaanden nog onbevattelijker maken. Het hof heeft evenmin enig teken van berouw over de daad kunnen afleiden, noch uit de verklaringen van verdachte ten overstaan van de politie, noch uit zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen. De verdachte heeft zich daarnaast ook nog schuldig gemaakt een opzettelijke brandstichting, waarmee hij anderen in (levens)gevaar heeft gebracht. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldadige mishandeling op zijn stiefvader met gebruikmaking van een steekwapen. Het is aan omstandigheden buiten de verdachte om te danken dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van de verdachte niet is komen te overlijden.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de op te leggen straf meegewogen dient te worden, dat de samenleving door de bovenstaande feiten ernstig is geschokt.

Het hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen aldus tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen, wat door of namens de verdachte ter verdediging naar voren is gebracht.

Het hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort en strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

Alles overziende acht het hof, evenals de kantonrechter, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren passend en geboden.

De toepasseliike wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 11, 38, 44, 82, 207, 349 en 362 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissinq:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter Tweede Kanton d.d. 17 augustus 2006 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep; en opnieuw rechtdoende:

Verklaart, zoals hier voren overwogen, bewezen, dat verdachte de onder IA, IIA en III ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

IA: moord

IIA: zware mishandeling

III: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was en levensgevaar voor een ander te duchten was.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, vanaf voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Aldus gewezen door: mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. A.A. Hermelijn en mr. S.M.M. Chu, plv, Leden, bijgestaan door mw. I. Madarsa als fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 17 juli 2009.

mr. A.A. Hermelijn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g. I. Madarsa       w.g. R.G. Rodrigues

                                 w.g. S.M.M. Chu

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffie van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld