SRU-HvJ-2011-8

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 07/2011
  • Uitspraakdatum 14 februari 2011
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof bekrachtigt de veroordeling van de verdachte door de kantonrechter tot vijf jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor medeplichtigheid aan diefstal met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood tot gevolg heeft. Anders dan door de verdediging betoogd, acht het Hof het bewijs bestaande uit getuigenverklaringen en Telesur-uitdraaien wettig en overtuigend.

Uitspraak

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 07/2011

Parketnummer:01-01-2095

Uitspraak: 14 februari 2011

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 16 augustus 2005 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte], geboren op [geboortedatum 1] te [Plaats], ten tijde van de aanhouding administratief medewerker van beroep en thans wonende aan de [Adres 1], thans in vrijheid gesteld,

verschenen in persoon en bijgestaan door zijn raadsman G.R. Sewcharan en mr. S.R. Heijmans, beiden advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankeliikheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 30 augustus 2005 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton. Het hof is echter gebleken dat het hier moet zijn gegaan om een kennelijke schrijffout en dat het hoger beroep moet worden geacht te zijn ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zoals eerder bij tussenbeslissing van het hof ook is geconstateerd.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 7 september 2005 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis.

Ingevolge artikel 372 van het Wetboek van Strafvordering moet het hoger beroep door zowel de verdachte, alsook het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak worden ingesteld. Nu het hoger beroep door de vervolgingsambtenaar eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld, dient het openbaar ministerie daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hof zal derhalve dienovereenkomstig beslissen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton zal bevestigen, met aanvulling van bewijsmiddelen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton onder C. ten laste gelegde.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 16 augustus 2005 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder IA en IB ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder IC (medeplichtigheid aan diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht en met handhaving van het bevel tot gevangenhouding.

Bij tussenvonnis d.d. 15 juli 2004 heeft de Kantonrechter in het Tweede Kanton de destijds opgeworpen excepties en weren verworpen.

Het vonnis a quo (voormeld) in het Tweede Kanton zal worden bevestigd, onder aanvulling van bewijsmiddelen en de toegepaste wettelijke voorschriften.

De tenlasteleqqinq:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De door het hof qebeziqde bewiismiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd met de hierna opgenomen bewijsmiddelen.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton onder C ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – betoogd dat in het onderliggende procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijsmateriaal is, teneinde vast te kunnen stellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde medeplichtigheid van de diefstal.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Naar het oordeel van het hof vindt de door of namens de verdachte bepleite vrijspraak zijn weerlegging in de redengevende feiten en omstandigheden die volgen uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen.

In dit verband overweegt het hof aanvullend nog het navolgende: naar het oordeel van het hof hebben [Naam 1] en [Naam 2] over het voorval op woensdag 10 april 2002, waarbij het slachtoffer [Naam 3] met geweld is beroofd en als gevolg daarvan is komen te overlijden uitermate betrouwbare verklaringen afgelegd die niet alleen consistent (en in strijd met de ontkennende verklaring van verdachte) zijn, maar tevens ondersteuning vinden in andersoortig bewijsmateriaal. Ten aanzien van de verdachte heeft te gelden dat de getuige [Naam 4] heeft verklaard dat verdachte op de hoogte was van de omstandigheid dat het latere slachtoffer op die bewuste dag gelden zou komen brengen. Voorts is uit Telesur-uitdraaien van medeverdachte [Naam 5] gebleken dat deze de verdachte op de betreffende dag omstreeks 13.17 uur heeft gebeld, dat terwijl het feit zich omstreeks 13.35 uur heeft voltrokken. Verdachte en medeverdachte [Naam 5] kenden elkaar al vanaf november 2001 en [Naam 3] heeft ook het huis van verdachte aangewezen, omdat hij daar eerder zou zijn geweest. Het hof heeft ook nog acht geslagen op de gedetailleerde verklaringen van medeverdachte [Naam 5] over de wijze waarop het contact tussen verdachte en hemzelf tot stand is gekomen en hoe de beroving nader is gepland.

Ten slotte heeft het hof in belastende zin mede acht geslagen op de omstandigheid dat de getuige [Naam 6] heeft verklaard dat hij voor de verdachte een boodschap moest overbrengen aan medeverdachte [Naam 5] om zijn, verdachtes, naam niet te noemen. [Naam 5] heeft deze gang van zaken in eerste aanleg bevestigd. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat zonder meer bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder C. ten laste gelegde. Feiten of omstandigheden die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden, zijn het hof niet gebleken of anderszins door de verdediging aannemelijk gemaakt.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Het hof is overigens niet gebleken dat de verdachte op enig moment het opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, weshalve de bewezenverklaring enkel ziet op de medeplichtigheid aan de gekwalificeerde diefstal, als bedoeld in artikel 372 van het Wetboek van Strafrecht, de dood ten gevolge hebbende.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 11, 38, 44, 70, 73, 370 en 372 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 16 augustus 2005 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van:

medeplichtigheid aan diefstal vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) jaren met aftrek van de tijd voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht vanaf 11 april 2002, overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door: mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend-president, mr. S.M.M. Chu en mr. A.C. Johanns, Leden-plaatsvervangers, bijgestaan door mw. I. Madarsa als fungerend-griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 14 februari 2011.

w.g. mw. I. Madarsa      w.g. I.H.H.M. Rasoelbaks

                                     w.g. S.M.M. Chu

                                     w.g. A.C. Johanns

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld